Toen aan het begin van de oorlog, de derde of vierde dag, in café Barometer in Hamra de gesproken boodschap van Hassan Nasrallah doorkwam, zei Marwan, een Libanese kunstenaar: ‘Dit klinkt als zijn afscheidstestament. We zullen niets meer van hem horen.’
Drie weken later, het land half in puin, bijna duizend doden en zevenhonderdvijftigduizend vluchtelingen verder is Hassan Nasrallah nog steeds in leven. De populariteit van Hezbollah, de Partij van God, was aan het begin van de zomer zwalkende, maar bloeit nu als nooit tevoren. Discussies over ontwapening zijn naar een verre, onzeker toekomst verplaatst. De kranten drukken elke dag kleine biografieën af van de soldaten van de Partij van God die in het zuiden zijn gesneuveld. En in Hamra zwelt het aantal nieuwe bewoners aan, maken ze deze maandagochtend een drukte van jewelste, en nu Israël gisteren heeft ingestemd de olietoevoer de havens in te laten komen, zijn er voor het eerst sinds tijden weer verkeersopstoppingen. Het lijkt alsof de stad haar oude vorm begint terug te krijgen.
Voor kunstenaars en intellectuelen ligt de zaak anders. Zij konden voorheen op weinig steun rekenen van de centrale overheid, die het te druk had met zichzelf bij elkaar houden, en die steun zal nu helemaal minimaal worden. Als ik met een theaterkoppel, een galeriehouder en een videomaakster een omelet aan het eten ben in een restaurant, komt plotseling het bericht door dat Israël Beiroet dreigt te bombarderen – dus niet de buitenwijken, maar de stad. Er valt een stilte, een paar seconden tussen ons en dan begint men weer te praten. Dit keer is het thema veranderd van kunst naar visa’s. Welke ambassades hebben welke routes beschikbaar om aan een visa te komen.
De oorlog laat zich ook voelen in het wegvallen van werk. Rabih, een theatermaker, was een van de stemmen in een dagelijkse cartoon op de televisie. ‘Die tekenfilm is met de oorlog gestopt.’ En al willen ze kunst maken, ze komen er niet aan toe. ‘Ik heb sinds het uitbreken geen kwast meer aangeraakt,’ zegt Marwan die een fel tegenstander is van Hezbollah vanwege hun politiek en hardnekkige machtsspel, waardoor elke vooruitgang in het land wordt gefrustreerd. Wat hij dan doet? Hij leest kranten en televisie. ‘Zelfs als de oorlog nu stopt, zal het jaren duren voordat alles weer terug op het oude niveau is. En de kunstenaar staat zoals altijd achteraan de rij als het om overheidssteun gaat.’
Ghassan, een filmmaker, heeft het druk dezer dagen. Zijn laatste film was uitgekozen voor het filmfestival in Zwitserland, Locarno, en hij was van plan te gaan, maar met het uitbreken van de oorlog is dat bezoek afgebroken. Nu heeft hij in de gauwigheid een korte film gemaakt over de situatie waarin hij verkeert en die hij straalt hij via de satelliet door waarna de hoofdrolspeler in zijn film aldaar een kleine inleiding houdt. Ik loop hem tegen het lijf in het internetcafé waar hij voor de oorlog samen met zijn vriendin op zoek was naar een vakantiebestemming. ‘Een Frans tijdschrift heeft me verkeerd gequoot. Ik heb in de New York Times gezegd dat ik nu met een dilemma zit: tegen Hezbollah en tegen de Israëlische agressie. Van die tekst is niets over.’
De Partij van God, het zit ze niet lekker maar daar nu al te grote pamfletten van maken ligt op dit moment gevoelig. Ik klim de drie trappen naar restaurant Casablanca op en tref mezelf tussen de buitenlandse journalisten die een hele lange tafel voor zichzelf hebben gereserveerd en een groep jonge mensen die les geven aan de kunstacademie, interieur-designer zijn of iets dat nog uitgevonden moet worden. Elk gesprek, met welke gezindte dan ook, draait uiteindelijk uit op de verantwoordelijkheid van de Partij van God voor deze oorlog. Bij demonstraties gaat de vlag met het gezicht van Nasrallah samen met die van Che Guevara. Men zal de Partij eerst hartstochtelijk verdedigen als verzetspartij en de guerillatechniek prijzen, waarna stukje bij beetje de teleurstelling over de gang van zaken naar boven komt. ‘To hell with Hezbollah,’ is het korte commentaar van een de vrienden aan de bar die voorover buigt.
In het Armeense restaurant dat ik bezoek samen met een paar mensen, vertelt een van de gasten, een docent fysica aan de Amerikaanse Universiteit, dat de Partij van God nog heel lang Katjoesjas kan blijven schieten. ‘Wat de kalesjnikov was in de jaren tachtig, is de katjoesja nu.’ Ik vraag hem wat hij van de militaire capaciteiten vindt. ‘Heel goed, maar wat echt indruk maakt is hun geheimhouding. Er valt geen speld tussen te krijgen.’ Toni, eigenaar van een cd-, dvd- en boekhandel vertelt over de boekenbeurs die hij in Dahje bezocht. ‘Georganiseerd door de Partij van God daar. Ik ging met een joodse vriendin. Ze vond het geweldig. Met Dahje is net zo min iets mis als er iets mis zou zijn met Asjrafiya, de christelijke wijk waar je nu in bent.’
Mensen die zonder een begeleider of contact nu de wijk Dahje in willen worden door Hezbollah-mensen aan de tand gevoeld en onverwijld teruggestuurd. ‘Ze dachten dat ik een spion was,’ vertelt een Nederlands meisje dat ik in Hamra tegenkom. In alle boeken die ik er op nasla komt dat naar voren: de kracht en discipline waarmee de organisatie haar militaire tak gesloten houdt voor pottenkijkers of nieuwsgierigen. Hun zender is nog steeds in de lucht, de luchtaanvallen van Israël ten spijt. Die verrassende veerkracht neemt veel Libanezen voor de partij in, maar hoe de Partij van God de overwinning gaat uitventen doet ze vrezen.
Â
‘Heb je Fadi ontmoet? Was je dan in Haret Hreik,’ spot iemand als ik vraag wat hij vindt van het boek dat Fadi Tawfic heeft geschreven over de buitenwijken van Beiroet waar Hezbollah sinds jaar en dag de scepter zwaait. Hij wordt gezien als een provocateur. In zijn boek schrijft hij kritisch over de macht van de Partij van God in de buitenwijken. Lange tijd woonde hij daar, en had vrienden die met de Partij verbonden waren, maar het leven werd hem steeds moeilijker gemaakt toen diezelfde vrienden begonnen te vragen met wie hij omging aan de universiteit en of hij via zijn vrienden in het zuiden van het land hen misschien aan informatie kon helpen. Gebruikt worden als spion wilde hij niet en daarom verliet hij de wijk. Het boek, Het benauwde land van God, gebaseerd op interviews met vluchtelingen die naar Dahje trokken, kwam er toch.
De wijk waarin Hezbollah groot is geworden ligt in de buitenwijken van Beiroet en heet de Dahje. Daar zijn met het uitbreken van de burgeroorlog in 1975 de sjiieten naar toe gevlucht, eerst vanuit het noorden en later vanuit het zuiden, voortgedreven door het conflict tussen de Palestijnen en de Falangisten – de bondgenoot van Israël in de Libanese burgeroorlog. Tawfic heeft de afgelopen dagen tientallen journalisten te woord gestaan en beantwoordt mijn vragen vlot en zonder te dralen.
We drinken koffie in café Prague, dat langzaam het speerpunt is geworden van deze Libanese Rive Gauche genaamd Hamra, waar werelden door elkaar lopen en jonge meisjes de aandacht zoeken van de verveelde intellectuelen die aan hun tweede oorlog toe zijn of in hun nachtmerries, hun nooit eindigende derde meemaken. Het is ook in café Prague dat mensen samenkomen om paspoort, visum en vluchtroute te regelen.
‘De Dahje waren eerst verschillende wijken met een gemengde bevolking, maar met de oorlog groeide het aantal vluchtelingen dat er neerstreek en veranderde de sociale demografie compleet. Het is uit die groep dat Hezbollah voortkwam. Dit waren wijken die dicht bij de groene lijn lagen, de militaire en sociale grens die Beiroet in tweeën verdeelde en waar de oorlog uitgevochten werd. West-Beiroet, waar de Palestijnen en de linkse beweging de dienst uitmaakten en Oost-Beiroet waar de falangisten zaten. De sjiieten kwamen klem te zitten tussen die twee groepen. Zij waren de eerste slachtoffers toen de Palestijnen naar het zuiden van Libanon trokken om tegen Israël te vechten, zij waren de slachtoffers toen Israël in 1978 Libanon binnentrok en ze waren slachtoffers toen ze naar de buitenwijken van Beiroet trokken. In al hun verhalen die ze me vertelden toen ik ze als journalist ondervroeg vertelden ze over het feit dat ze moesten vluchten voor de strijd tussen die twee partijen. Opgejaagd en zonder partij die voor ze opkwam.’ Het verhaal werd mythe.
‘Er was Amal? De sjiitische partij onder leiding van Berri?’
‘Ja, maar die stond te ver van ze af. Middenklasse, te links en seculier, daar hadden de meeste sjiieten in Dahje die gelovig en vroom zijn niets mee. Daarnaast gedroegen de milities zich slecht in de wijken. Zowel de Palestijnen als Amal gingen over tot afpersen en het terroriseren van de buurt. De omslag kwam in 1982 met de bezetting van Beiroet door Israël. Verschillende religieuze groepen in Dahje, nauwelijks bekend daarbuiten, verenigden zich om de Palestijnse facties te weerstaan en daarna de Israeli’s en andere buitenlandse inmenging. Ze schreven op de muren: onze partij is de partij van God. Dat werd later de Partij van God. Hezbollah. In Baalbek werden de eerste militanten van Hezbollah getraind door de Iraanse Revolutionaire Garde die daar was neergestreken. De sjitische studenten die in Iran hun theologische opleiding hadden genoten, groeiden uit tot spirituele leiders. Stukje bij beetje kreeg deze beweging vorm. Sommige van hun aanhangers droegen een speciale band om hun hoofd en vielen op door het strikt volgen van de islamitische geloofsleer. In Dahje ging men over tot systematische eliminatie van de bendeleiders die de buurt terroriseerden.’ Hezbollah maakte schoon schip. Stukje bij beetje vertrokken de bewoners van Dahjie die niets met Hezbollah te maken wilde hebben uit de wijk en bleven aanhangers achter. ‘Hezbollah ging over tot welzijnswerk en dienstverlening aan de allerarmsten. Op deze manier kreeg de allerarmste groep van Libanon, de groep die het meest vervolgd was, zijn eigen partij en status.†Net als de andere bezoekers van Prague wacht Tawfic gespannen de uitkomst van de resoluties van de Verenigde Naties af. En net als iedereen maakt hij zich geen illusies over de uitkomst ervan.
Recente reacties