Maandag 14 augustus: Wat betekent dit?

Het is een maandag zoals alle anderen. Winkels weigeren hun deuren te openen, de taxi´s zijn nog te slaperig om in de toeter-stand over te gaan, ik kruip uit bed, neem mijn ontbijt en kijk op mijn horloge. Het is acht uur geweest. Het staakt het vuren is ingegaan. Is er stilte rondom mij? Betekent dit dat het verhaal dat ik een maand geleden begon, beëindigd kan worden? Betekent dit dat de mensen hun boeltje, gemoed en zenuwen bij elkaar kunnen rapen om tot de orde van de dag over te gaan?

Een man vult de waterflessen bij in de koelkast. Een vrouw roept haar echtgenoot iets toe op straat. Iemand maakt aantekeningen in zijn note-block. Betekent het dat de regering zijn voornemen de nationale eenheid te bewaren op zich kan gaan nemen? Betekent dit dat de vluchtelingen weer terug kunnen gaan naar hun huizen die alleen nog maar bestaan in hun angstige dromen? Betekent dit dat de wegen snel gerepareerd zullen worden zodat de vrachtwagens vol hulpgoederen erover kunnen denderen? Betekent dit dat het vliegveld snel geopend gaat worden? Betekent dit dat de scholen straks gewoon open kunnen gaan zonder de stress van deze hete zomer? Betekent dit dat de rijen voor de tankstations zullen ophouden? Betekent dit dat Hezbollah zal ontwapenen? Betekent dit dat de wereldgemeenschap vanaf nu Libanon zal bewaren voor nog meer ellende? Betekent dit dat de Israëlische soldaten snel vertrokken zullen zijn? Betekent dit dat de oorlog zich zal verplaatsen naar andere streken? Betekent dit dat ik vooruit kan gaan kijken naar een vredige zomer, volgend jaar? Wat betekent dit?

Ik weet niet wat het betekent. Het kan zo weer nutteloos zijn, die resolutie 1701. Het betekent voor mij dat het een dag is om een punt te zetten aan het verslag van mijn belevenissen. Dit was de laatste.

Vrijdag 11 augustus: Rust in vrede, optimisme

Vannacht en vandaag is weer hevig gebombardeerd. Zo hevig dat ik het met geen ander bombardement van de afgelopen maand kan vergelijken. Vanaf het moment dat de eerste knal klonk, voelde ik dat aan. Het was iets in die knal, een knal die zei: we gaan hier nog even lekker mee door. Mijn lichaam jeukt als een gek. Overal jeuk, alsof de mieren gevlucht zijn en in mij een huis hebben gevonden. Niet jeuken, niet jeuken en toch moet ik jeuken.

Een maand terug begon het, deze open oorlog en vandaag lijkt die oorlog weer opnieuw begonnen te zijn. Ik word wakker in een klam bed en rook naar zure melk. En dan is er de jeuk. In mijn oren klinken de bommen die afgaan, de hele tijd, bijna een uur lang en van alle kanten lijken te komen. Een uur zonder begin of einde. En voor het eerst voel ik dat mijn zenuwstelsel barstjes begint te vertonen. Die barstjes waren er ook in het begin, maar toen waren ze niet waarneembaar en, wat belangrijker is, niet verontrustend. Nu beginnen de barstjes op krasjes te lijken en krasjes kunnen op den duur littekens worden. Ik wil niet dat er een litteken komt maar met elke knal boven mijn hoofd begint dat krasje harder te schreeuwen. Het verlangt een litteken te worden. Een maand geleden begon deze oorlog, het lijkt een ademzucht en eeuwigheid tegelijkertijd. Waar moet in deze nacht de wind nog vandaan komen, is die ook inmiddels niet op de vlucht geslagen? Van nature ben ik een optimistisch, ik zou zo zij aan zij met Candide kunnen rondlopen, vervelend, irritant, ongeneeslijk optimisme maar vannacht is dat optimisme in mij te ruste gelegd. Rust in vrede, optimisme. Eindelijk ben ik genezen van mijn optimisme.

In Nederland vragen mensen of ik niet veranderd ben. Ja, dames en heren, ik ben veranderd, maar ik zal het niet laten zien. Ik zal de verandering in een kluisje om mijn hals met me meedragen. Mijn verandering is enkel en alleen van mij. Het hoeft niet gedeeld te worden. Waarom ben ik zo halsstarrig? Komt dat door de bommen? Het komt omdat mijn zenuwstelsel er niet tegen kan dat ik dat optimisme niet afdek met realisme. Er moet een bescherming tussen komen want anders wordt dat litteken werkelijkheid. Een uur lang duurt dat bombardement. Straks over een paar uur komen de beelden op televisie binnen en begint het huilen, tieren en begraven van voor af aan. Maar eerst moet ik het einde van het uur afwachten. Daarna kan ik weer denken. En krabt de oorlog mij verder open.

Donderdag 10 augustus: Libanon wordt als een aftands tapijt opgerold en in zee geduwd

Partij van God (slot)
“Iemand heeft gebeld,” zegt ze tegen haar vriend. “Ik moet gaan.” Hij kijkt naar haar,
dan naar mij.
“Het zwembad sluit over tien minuten. Kunnen we je een lift geven?” Ik kleed me aan en vergezel ze naar de wagen. Een donkergroene Landrover Jeep uit ik weet niet welk jaar.
“Mijn vrouw is psycho-analytica. Vroeger had een stad aan een bakker, een politieagent en een geestelijke genoeg. Maar Beiroet moest er ook een hebben.” Ze zit naast hem en kamt haar haar.
“Wie is het,” vraagt hij. Ze noemt een naam. Tarak.
“Hij wil nu praten. De oorlog zit teveel tussen zijn oren. De Partij van God en de tepels van zijn moeder hebben al zijn dromen, gedachten en waanideeën bezet.”
”Waar moet de oorlog dan zitten,” vraag ik.
“Misschien in zijn maag,” zegt de jongen en lacht. “Eergisteren zocht ze hem op en kon hem niet vinden. Bleek hij in de schuilkelder te zitten. Bang als een muis, maar met een stuk watermeloen in zijn hand.”
”Noem het geen schuilkelder, het is een kelder die op dit soort momenten als schuilkelder wordt gebruikt. Beschaafde landen hebben een schuilkelder, wij hebben alleen maar kelders.”
”Hij woont niet ver van de buitenwijken vandaan maar vertikt het te vertrekken,” zegt ze.
”Misschien moet je hem ervan overtuigen eerst zijn woning te verlaten, voordat je de sessie begint.” De jeep rijdt langs de kust en maakt na een paar kilometer een bocht de op het oog rustige wijken in. Plotseling klinken er drie, vier knallen.
“Tien doden,” zegt hij.
”Op z´n minst,” zegt ze.
“En nu ga je zeggen dat je weg wilt uit dit land?”
”Nee,” zegt ze, “ik wil dat de oorlog weg gaat van mij.” Ze zetten de radio aan. Zonder het te beseffen rijd ik de wijk in waar ik niet zijn moet. Ze zijn misschien vergeten dat ik ergens afgezet moet worden, maar ik wil ze niet lastig vallen.
“Ik heet Karim,” zegt hij. “En ik heet Lana.”
“Ik heet Abdelkader.”
“Ben je Algerijn?”
”Nee, Marokkaan. Ik woon in Nederland.”
“Niemand heet in het Midden-Oosten Abdelkader,” zegt Karim.
“Sommigen,” zeg ik.
“Sommigen zijn niemand. Met sommigen kunnen we niets.”
”Ga je zaterdag mee in het vredeskonvooi naar het zuiden? Israel zal minder makkelijk op Europeanen schieten. Alhoewel, jij ziet er niet uit als een Europeaan,” zegt hij.
“Ik haat deze stad. Geen electriciteit. Het vuil. Geen water. Ze moeten ons met rust laten. Ze moeten stoppen.”
”Jij wilt de stad in je eentje haten,” zegt haar vriend.
“Ja. Alleen ik mag deze stad liefhebben, alleen ik mag hem haten.”
“Ik zal het doorgeven.” We stoppen voor een appartement.
“Kom,” zegt de jongen. “Hij maakt uitstekende koffie.” In het huis zit de jongen op ons te wachten. Hij is kort en dik. Zijn vrolijke ogen maken niet de indruk dat hij psycho-analyse nodig heeft. Uit de keuken komt de geur van koffie dat op een vuurtje staat te pruttelen.
“Waar waren jullie al die tijd?”
”Zwemmen,” zegt ze. “Moet je ook doen.” Ik stel me voor. Hij vraagt ons te gaan zitten en komt tien minuten later met koffie binnen.
“Hoorden jullie die knallen? Ik kreeg een telefoontje van mijn moeder in de bergen. Ze hebben hier weer de wijk geraakt. Mensen liggen onder het puin. Iemand die in zijn tuinstoel op straat uit zijn neus aan het eten was, is niet meer. Is dat Hezbolllah, die man in die tuinstoel?” Hij loopt naar het balkon en schreeuwt het theateraal uit: Zijn wij Hezbollah!?
“We zijn allemaal nu van de Partij van God,” zegt ze, “Of we nu willen of niet.”
”Op de Partij van God,” zegt de dikke jongen en drinkt zijn koffie. We lachen.
“Ik kan jou wel uit de Partij praten, maar de Partij niet uit jou,” zegt ze. De gastheer zegt dat hij een tijdje gefascineerd was door de Partij van God. “Maar ik ben geen sjiiet, dus geen kans.”
“Ben je nog steeds bang?” vraagt ze. Het lijkt alsof de sessie begonnen is, tussen een kopje koffie in.
“Ik ben een moederskind,” zegt hij. “Eerder snijd ik mezelf een vinger af dan dat ik haar borst verlaat.” Toch heeft hij ervoor gekozen hier te blijven.
“Dat komt omdat mijn moeder geen psycho-therapie aanbiedt, alleen zij kan dat.” Ze staan op. De koffie is gedronken, alleen ik heb nog een klein plasje in het glas.
“Kom,” zegt de jongen, “we gaan naar beneden.” Ik sta op, in de gedachte dat zij naar hun therapie gaan in de schuilkelder en ik naar huis. De lift stopt in de kelder.
“Kom,” zegt het meisje tegen me, “je moet ook mee.”
”Maar dit is tussen jou en hem.”
”Nee, je mag mee. Het is tussen ons vieren. Hij vindt het wel prettig, als er een vreemde op bezoek is. Die vertrouwt hij meer dan een bekende. Het maakt hem loslippig en ik vind het niet erg.”
Haar vriend keert zich om naar mij: “Had je gedacht dat we je achter zouden laten? Je moet dit ook maar meemaken.” Maar ik wil dit niet meemaken. Het meisje pakt mijn hand beet. Er gaan straks weer bommen komen. Het is voor even. Meteen daarop volgt er een knal. Harder dan al die andere die ik tot nu toe heb gehoord. Deze bom klinkt als betrokken bij deze samenzwering. Een bom die me dwingt mezelf over te geven.
“Misschien is het een goed idee,” zeg ik.
”Het is een uitstekend idee,” zegt het meisje en we lopen de kelderruimte in waar de jongen al ongeduldig op ons is gaan zitten wachten.

(“Een Apache,” zegt de soldaat als ik hem vraag of hij de helikopter heeft gezien die vanochtend de oudste vuurtoren van Beiroet heeft geraakt. Hij wist met zijn AK de vuurtoren aan, waar de boel flink is weg geschoten, daarna een gat in de naastgelegen universiteit en, naast mij, de spliksplinternieuwe BMW waar een raket doorheen is gegaan. Ik kan in dit extra luchtgat mijn arm steken. Israël heeft Beiroet bereikt. Het is vijf minuten lopen vanaf mijn huis naar deze laatste aanslag. Niemand kan me vertellen waarom dit is gebeurd. De stad heeft er een nieuwe attractie bij: monumenten die zijn kapotgeschoten. Ik loop terug naar huis en neem een omweg en snuif in dit kwartier van de stad de lucht op van de over de heg hangende bomen en planten en struiken. Ik zweet maar het is niet erg. Mijn t-shirt is aan vervanging toe. Libanon wordt als een aftands tapijt opgerold en in zee geduwd. Er hangt een stralende zon boven de Corniche. Het zal straks avond zijn en de rust zal even terugkeren. Daarna begint het weer opnieuw. 30 000 man die in het zuiden staan te trappelen om binnen te komen. En morgen de optelsom van de nieuwe feiten ook wel beter bekend als internationale diplomatie, maar dat ga ik niet afwachten. Ik ga naar huis en neem mijn rust.)

Dinsdag 8 augustus: Volgende keer beter

Ze zijn in New York en omstreken druk bezig een resolutie in elkaar te husselen die alle partijen kan bevredigen. Ik ben gisteren of was het eergisteren of was het vorige week over een houten electriciteitsmast gevallen. Nu heb ik een wond op mijn grote teen zo groot als een kwartje – maar wie kan zich nog herinneren wat  kwartjes zijn of wie weet nog wie Gorbatsjov was – de tijd pakt ons bij de oorlel en smijt
ons waar die maar wil. Ik denk dat mijn wond eerder geheeld is dan dat er een resolutie is die zowel voor Hezbollah, Israël als grootmoeder in Oss bevredigend is.

Je hebt resoluties in maten en soorten, resoluties die door de deur worden getrapt en resoluties die zichzelf naar binnen moeten fluisteren. Deze resolutie zal tot de subspecies gaan behoren van de resoluties op een koopje. De hele dag door probeer ik dat geweld van de tijd te weerstaan, soms lukt het en soms lukt het niet. Mijn teen is het laatste slachtoffer in die strijd. Ik voel wel iets broeien. Het gebeurde toen ik viel en probeerde op te krabbelen voordat ik gevallen was. Een roman, dacht ik, in de val. Een roman die de tijd wil attaqueren, zoals een Don Quichote, maar ook een roman die de tijd wil becommentariëren, zoals Sancho Panza, de knecht van Don Quichote. Deze roman vangt dus aan met bloed op mijn teen.

Wist jij dat mensen die Photopainten tot het raarste slag mensen behoren? Het schijnt dat een Libanese fotograaf die voor Reuters in touw is, op een foto waarop je een wolk  boven een kapotgeschoten wijk ziet oplichten, er een wolkje bij heeft gekleurd. Hij vond zichzelf geen fotograaf, maar een Rembrandt. Zelf zegt hij dat het een vergissing was, een haastklus want er wachten nog zoveel bombardementen op hem, maar de rest van de wereld (en Reuters want ze hebben hem ontslagen) was het daar niet mee eens. Plotseling schreeuwt iedereen moord en brand want hij zou de boel hebben opgelicht. Met terugwerkende kracht betekent dat de slachting bij Qana nu ook fotografisch onderzocht gaat worden. HIj heeft misschien nooit plaatsgevonden, het was het produkt  van slecht Photoshoppen.

Nu moet hij misschien als kunstenaar door het leven en zal uiteindelijk toch  tot grote hoogten reiken. Ik ben boos. Elke dag een beetje boos zijn kan niet. Je bent of heel erg
boos of je kabbelt voort als een beekje ergens in de Vogezen. Boos zonder reden, dat is de beste vorm van boosheid. Of ik weet het toch: ik ben boos omdat de mens vrolijk wil zijn. Daarom ben ik boos. Voor mij even geen vrolijkheid. Er gaat het grapje, mij door een Irakees ingefluisterd,  dat een Libanees ´s ochtends zijn schoenwinkel opent, in de middag broodjes shoarma aansnijdt, daarna een  column schrijft voor een liberale krant en ´s avonds optreedt in een orkestje. De anecdote klopt, Libanezen zijn van alle markten thuis. Deze fotograaf was misschien die ochtend een schoen aan  het verzetten toen hij het tekstberichtje binnenkreeg om te gaan fotograferen. Hij rende er op  af en vond het nodig om later ook de foto wat te verzetten, niet om aan te dikken, maar omdat de brute werkelijkheid nu eenmaal schoonheid nodig heeft om aanvaard te worden. Nietzsche heeft hier  vast over geschreven. Ik pink een traan weg voor deze fotograaf. Volgende keer beter, vast en zeker, want er zijn nog
rookwolken genoeg in overvloed.
Je meest toegewijde,

Abdelkader

p.s. Je vroeg of ik de huilbui van Siniora had gezien. Zelfs na diep in de nacht doorgezapt te hebben, kwam ik ze niet meer tegen. Ze waren waarschijnlijk opgedroogd. Alleen het applaus dat hij ontving bleef nog een tijdje in de lucht hangen.
p.s.p.s. Ja, ik kom terug naar Nederland.

Dinsdag 8 augustus: De schrijver aan het zwembad (vervolg)

We zijn ongeveer van dezelfde lengte en hij heeft donkerbruin haar dat een beetje krult. Hij ziet er niet uit als iemand die zijn tijd verspilt. Het zwembad herbergt zijn vriendin als enige gast. De zon strekt zijn armen naar links en rechts uit om de lucht te kleuren. Het boek dat hij over de Hezbollah en Libanon heeft geschreven, dat al een uur in mijn handen heeft gelegen, is door hem gemaakt. De zelfverzekerdheid en het gemak waarmee hij het zegt, overtuigen me dat het geen grap is.
‘De schrijver is een zwemmer. En ik kom hem hier tegen.’
‘Beiroet is klein,’ zegt hij, ‘en onder deze omstandigheden waarin ze wordt samengeknepen als een citroen, nog kleiner. Weldra zal ze zo klein zijn dat ze zich van de letters in haar naam moet ontdoen. Misschien is er een toekomst voor haar als typografische excentriciteit.’
Beiroet, voorbij, denk ik en complimenteer hem met het boek.

‘Vind je het erg als ik ga zitten,’ zegt hij en steekt een Camel-sigaret op. Hij biedt me er een aan, maar ik rook niet, zelfs niet als ik weet dat dat het gesprek misschien op gang brengt.
Ik vraag mijn zwembadgast hoe hij deze dagen beleeft.
‘Ik ga naar het zwembad met mijn vriendin en tel haar slagen. Dat levert grote meditatieve momenten op. En ik lees een boek van de Palestijnse dichter Darwish, Memory for Forgetfulness, dat hij schreef naar aanleiding van de bezetting van Beiroet in 1982 door Israëlische troepen. Ik probeer na te denken over plannen en projecten. Op de een of andere manier geeft deze oefening in koelbloedigheid me veel rust. En we proberen een normaal leven te leiden tussen de elektriciteitsstoringen door.’

Zijn boek is ook een persoonlijke zoektocht naar wat Hezbollah voor Libanon en voor hem heeft betekend. Hoewel de verzetsbeweging honderd procent zijn steun heeft, voelt hij spanning bij hun meer islamitische, doctrinaire gezicht. Maar die twee zaken worden nu strikt gescheiden gehouden.

‘Ik heb er discussies over met vrienden. Ze zeggen dat de Partij van God hun islamitische agenda hier in Libanon in 1992 hebben opgegeven zodat ze opgang konden maken in de Libanese politiek. En, zo zeggen commentatoren, ze zullen opgaan in het leger zodra alle gevangen zijn vrijgekomen uit de Israëlische gevangenis, de Shebaa vallei terug is in Libanese handen en de schending van het luchtruim en land door Israël is opgehouden.’
‘Dat kan nog een lang verhaal worden.’
‘Lange verhalen regeren deze streken, habibi,’ zegt hij.

Zijn vriendin aan de overkant maakt aanstalten om opnieuw het water in te gaan.
‘Ze is onverzettelijk. Het kan haar niet schelen wat er gebeurt, ze moet en zal naar het zwembad komen.’
‘En jij gaat mee?’
‘Ik probeer de kunst af te kijken.’
‘Ze kan goed zwemmen,’ zeg ik.

‘Weet je,’ zegt hij, ‘alle groepen die Libanon herbergt, hebben geprobeerd hun geschiedenis van dit land te schrijven op het moment dat ze de kans kregen. De maronieten hebben dat gedaan, de Druzen, de soennieten. Toen kwamen de Palestijnen die Libanon tot hun vignet maakten en tot springplank van de Arabische revolutionaire Renaissance. Israël heeft geprobeerd ook zijn stempel te drukken op dit land, heeft geprobeerd zijn eigen versie van het geschiedenisboek te schrijven. Dit is nu eenmaal een streek waarin het verhaal bepaalt wie aan het einde lang en gelukkig mag leven, al meer dan duizenden jaren lang.

Maar op de een of andere manier eindigt elk verhaal hier met een kruisiging. De gebroeders Grimm met hun nog-lang-en-gelukkig zouden nooit in het Midden-Oosten hebben kunnen leven. Het zijn grimmige verhalen, ik weet het, en de buitenwereld kan er alleen maar naar kijken door een lens die een puntje hoop toelaat; zo niet, dan wendt ze haar gezicht verschrikt af. Maar wij zijn gewend aan die verhalen. Laat ons maar leven met die kruisigingen, een kruis meer of minder op Golgotha doet ons geen pijn.’

De lucht wordt alsmaar strakker en blauwer totdat de zon het welletjes vindt en zijn vertekening van de hemel begint in te zetten. ‘En nu zitten we in het sjiitische verhaal. Hun verhaal was het meest trieste en ze werken nu aan hun overwinning en je moet hard werken wil je hier iets winnen, want winst betekent hier dat je nog niet verloren hebt. Maar hun geschiedenis wordt nu geschreven, op dit moment. Ze schrijven niet een geschiedenisboek, ze schrijven de geschiedenis in de kranten, op televisie en ze schrijven met Katjoesja’s op Haifa. Weet je dat ze dat nog maanden kunnen volhouden, dat afschieten van raketten?’

‘Is er een moment waarop de Libanezen zullen zeggen dat hun geschiedenis genoeg geschreven is?’
‘Welke Libanezen?’ vraagt hij verbaasd.
‘Jij?’
‘De Libanees is een amalgaam. In rust is hij Libanees, maar kennen wij ooit rust?’
‘De sjiieten zelf?’
‘Dat moment zal snel komen, maar in hun definitie van tijd en ruimte, niet de onze. Dus wanneer dat precies zal gebeuren, kan ik je niet vertellen, habibi.’
‘En vrede in het Midden-Oosten,’ vraag ik, terwijl ik zie hoe ze in het water duikt en het water laat opspatten, ‘wat betekent dat voor jou?’
‘Dit,’ zegt hij en wijst naar de ondergaande zon, ‘is voor mij vrede in het Midden-Oosten.’

Terwijl hij dat zegt doemt zijn vriendin tussen ons op.
‘Vertel hem geen teleurstellende verhalen die hij zelf wel kan bedenken.’
Ze schudt het haar in de handdoek en lacht naar niemand in het bijzonder.

Maandag 7 augustus: Ademnood

Hij staat in de keuken waar hij vliegensvlug het aanrecht schoonmaakt. Ook de kakkerlakken zijn verdwenen. Hij is weer wat donkerder geworden alsof de zon dit jaar alleen hem heeft uitgekozen.

De eigenaar van het appartement is teruggekomen uit de bergen om wat spullen op te halen en hij heeft nieuws voor mij. ‘Als de VN-resolutie wordt aangenomen voor een staakt-het-vuren, dan komen we zaterdag terug.’ Ik houd mijn adem in. Wat er straks in New York gebeurt, bepaalt waar ik over een paar dagen zal zijn. New York, Tel Aviv en Dahje zijn de metropolen van mijn lot.

Adem uit. Ik ben er achtergekomen dat ik al tijden mijn adem inhoud. Een hap lucht dat rondzwerft in mijn longen, tot het is opgebrand, en het restant naar buiten wordt geschoten. Hoe lang doe ik dit al? Maanden, jaren, sinds mijn geboorte en in hoeverre heeft het mijn leven beïnvloed? Maar nu houd ik mijn adem in omdat ik, als er een wapenstilstand komt, deze ruimte met het uitzicht over de American University, de zee waar ik de eerste buitenlandse fregatten op een ochtend zag langskomen, mijn straat waar de onovertroffen Flying Pizza zit moet verlaten. Dat betekent dat ik opnieuw moet inpakken, plannen moet ga maken, mensen moet gaan bellen en her en der propagenda moet verspreiden om mijn woningnood te bestrijden. Ik vraag de eigenaar hoe het in de bergen is. ‘Was daar niet een brug neergeschoten?’

‘Geen brug, maar wel aanvallen. En altijd de vliegtuigen die overkwamen. Woosh. Woosh.’ Hij veegt zijn handen en zorgt ervoor dat ik een internetaansluiting krijg. Ik houd weer mijn adem in. Ik vergeet te ademen. Op een dag zal ik zo vergeetachtig zijn dat ik niet alleen mijn herinneringen aan deze oorlog kwijt ben, maar, nog erger, vergeet te ademen. Zolang ik adem, heb ik herinnering. Ik vertel hem dat het licht in zijn afgesloten slaapkamer altijd aan heeft gestaan. ‘Ik heb het uit gezet.’
‘Dus zaterdag?’

‘We bellen twee dagen van te voren als het goed gaat.’ Ik hoop dat het goed gaat, ik wil ook een staakt-het-vuren. De zenuwen zijn het al een tijdje terug begonnen te begeven, maar gisteren voelde ik de echo ervan het sterkst. Ik kon geen krant, televisiebeeld meer zien en toen vannacht weer de vliegtuigen overkwamen en de bommen afgingen, sprong ik bijna op het balkon om het uit te schreeuwen. ‘Gun de mensen hun nachtrust en hun leven, per favore!’ Maar je kan een gevechtsvliegtuig moeilijk vragen zijn verlangen naar zelfbevestiging te begeleiden met muziek van de Beatles of iets anders uit Liverpool. Het zou ook geen pas geven als ik daar in mijn ondergoed op het balkon zou gaan staan, het is niet netjes en niet volgens de Geneefse akkoorden die heel duidelijk aangeven hoe je je moet gedragen in dit soort van oorlogsomstandigheden. Als het vliegtuig boven Beiroet is, kan het niet in Tyrus zijn, is het dan niet beter om vannacht in Tyrus te slapen? Het schijnt dat zo’n machine genoeg heeft aan het blinken van een trouwring in de zon om zijn doel te vinden en te raken, dus betekent dat dat er een explosieve toename van echtscheidingen is in het zuiden?

‘Maar ik bel je twee dagen van te voren.’ Achtenveertig uur.
‘Wat zei je?’
‘Mijn koffer zal klaarstaan.’ Hij lacht en vertrekt samen met zijn dochter die mee is gekomen omdat ze de McDonalds om de hoek mist.
Ik hoop dat ik straks naar buiten ga en er een pamflet uit de lucht in mijn handen valt, niet een pamflet van het Israëlische leger dat me vraagt snel een echtscheiding aan te vragen, maar een pamflet waar op staat: appartement in Hamra voor jou gevonden, vier kamers, badkamer en keuken in uitstekende staat. Uitzicht over zee en volop parkeergelegenheid voor F16’s. Onmiddellijk te betrekken en resolutie-resistent.
Ik merk dat ik uitadem.





Vrij Nederland