Archiefpagina

Dinsdag 1 augustus: Woede en machteloosheid

Woede en machteloosheid zijn de onderliggende emoties van de reacties en teksten geschreven door schrijvers en kunstenaars uit Beiroet die deze week tot me komen. Woede over de agressie tegen hun land, de machteloosheid niets anders te kunnen doen dan toekijken, nutteloos erover praten tot je een ons weegt of zwijgen en dat zijn werk laten doen. Intellectuelen gedijen in de proloog of de epiloog van een verhaal, maar niet erin.
Diezelfde woede en machteloosheid creëert een magnetische cirkel die de chaos en vervreemding die inherent zijn aan zo’n extreme situatie op afstand houdt. Die cirkel zorgt er ook voor dat de artistieke lijnen even stil vallen. Een verhaal schrijven, een lied componeren; in het oog van raketaanvallen en neervallend stof lijkt het allemaal nutteloos en hogelijk inopportuun. Wat kun je anders doen dan je, samen met mensen die diezelfde machteloosheid en woede delen, terugtrekken in de cirkel en mediteren, een ander woord voor afwachten.
Maar voor de bezoeker die hier geen wortel heeft geschoten en de knellende banden van de exil-Libanees mist, is alles nieuw, alles maakt hem opmerkzaam en in alles kan hij meegaan.
Hij is hier toevallig, en hoewel de geschiedenis op dit moment over hem diezelfde zwarte deken legt waartegen dit dramatische spel kan worden gespeeld, en ook hij tot toeschouwer wordt gemaakt, bezet hij in dat theater niet de voorste rij, maar eerder die achterin, de goedkope plaatsen zullen we maar zeggen. Links en rechts staan toeschouwers op om zich met de voorstelling te bemoeien. Iemand besluit van toeschouwer ambulancechauffeur te worden en vertoont zich plotseling op het toneel, iemand anders voelt zich geroepen vuilniszakken te vullen met hulpgoederen voor vluchtelingen en een derde begint hardop te schreeuwen dat het nu moet stoppen, nu onmiddellijk, deze horror! Een Stendhaliaanse verwarring maakt zich van ons meester nu het schot in het theater is afgegaan. De buitenstaander merkt plotseling dat hij verschilt van al die andere toeschouwers omdat hij niet diezelfde instincten vertoont en niet diezelfde tegenwoordigheid van geest heeft om wat gezien wordt om te zetten in een duidelijke handeling. De woede en machteloosheid leven niet sterk genoeg in hem. Hij is commentator, niet meer dan dat.
Zo blijft hij zitten, tevreden met zijn zelfbeheersing, en neemt waar. Aan het einde van de avond is de voorstelling, voor even, afgelopen en gaat iedereen zijn weegs, nog altijd omringt door die cirkel van het begin, om de volgende dag weer terug te komen, kwaadschiks of goedschiks, in dat theater. Sommigen zien er beter uit dan gisteren en sommigen slechter. Make-up is overbodig, en consumptiebonnen zijn er bij de vleet. Wie vergeten heeft geld mee te nemen, hoeft zich niet druk te maken, dit theater is vrij entree. De voorstelling is pas afgelopen, lijkt het, als straks het theater met in elkaar is gestort.

Zondag 30 juli 2006: Moeite met de rechte lijn

In het diepst van mijn gedachten ben ik een zwemmer die 10 000 Libanese pond betaalt om toegang te krijgen tot het militaire zwembad aan de Corniche. Er is geen militair te zien en ook de gasten hebben op een paar kaartspelers na het terrein verlaten. Het is het meest verlaten zwembad in de stad geworden. Het vijftig meter bad herbergt een zwemster die op en neer gaat, rugslag en borstcrawl, en ik raak de tel kwijt van de baantjes die ze maakt. Het is zoeken naar een ligstoel die schoon is, waar niet de druppels olie op liggen die nu vanaf het water de kust op worden geblazen. De krant die ik probeer te ontcijferen wordt uit mijn handen weg geblazen.
Als ik nog wat wil zwemmen dan zal ik nu het water in moeten want over een half uur komt de zwembadmeester met de eerste oproep het water te verlaten. Er zal dan nog wat tijd overheen gaan voordat de tweede en meest dringende oproep komt, maar die wil ik niet afwachten. Ik gooi mezelf in het water en zwem. Ik breng mijn handen naar mijn borst, open mijn armen en druk het water weg. De zwemster links van mij zwemt vlot en zonder haperen verder, ik voel dat mijn lichaam moet wennen aan deze beweging.

Omdat ik zwemglazen ontbeer heb ik moeite een rechte lijn te houden, maar bij gebrek aan andere vissen is dat niet zo erg. Onder water zie ik de zwembadmeester oplichten. Hij steekt twee vingers op. Nog twee minuten en dan moet het afgelopen zijn. Een militair vliegtuig ronkt boven mijn hoofd en ik haal diep, diep adem, ga kopje onder water en probeer er zolang mogelijk te blijven totdat ik omdat ik niet over de gave van de eeuwigheid bezit, naar boven wordt geduwd door mijn kortademigheid, weer de wereld in. Als ik droog en aangekleed wegloop, zie ik pas dat de zwemster onverstoorbaar, niet vatbaar voor badmeesters of overkomende helikopters, is doorgegaan met zwemmen.

Zondag 30 juli: Encyclopedie van gemeenplaatsen, oost en west

Copyright Flaubert

Libanon: land van de ceders. Veel Arabieren en een paar christenen.
Israel: land van melk en honing, Songfestivalwinnaar
Hezbollah: terroristen. Soort van Taliban.
Israel: arrogante supermacht met geen respect voor wet of buur.
Tabouleh: Libanese salade.
Kameel: Soms twee bulten, soms een bult, afhankelijk van de positie van de piramide.
Hassan Nasrallah: Man met baard en tulband op het hoofd. Spreekt Arabisch.
Olmert: Man in pak. Spreekt Engels.
Sjiieten: vuurspuwers.
Midden-Oosten: veel gedonder om olie.
Amerika: Grote Satan. Verslaafd aan olie.
Condoleeza Rice: Anaconda.
Objectiviteit: zeg niet: Israel is natuurlijk buitensporig in zijn reactie, altijd laten volgen door: maar moest de Hezbollah maar niet beginnen.
Subjectiviteit: zie Objectiviteit.
Oosterse vrouwen: Warmbloediger dan westerse vrouwen, maar onderdrukt.
Westerse vrouwen: Koelbloediger dan de oosterse vrouwen, maar te vrij.
Haroun el Rashid: zie Irak.
Vrijdag: gaan alle moslims naar de moskee.
Koran: Oorzaak van alle ellende in het Midden-Oosten en Amsterdam. Overschat.
El Jazira: spreekbuis voor terroristen.
CNN: spreekbuis voor Wall Street.
Iran: Broedkamer van Holocaust-ontkenners. Verslaafd aan verrijkt uranium.
Irak: Een zootje. Komt door de terroristen. Was mooier toen Haroun el Rashid nog leefde.
Saudie-Arabie: Onbegrijpelijk. Laat geen joden toe. Vriend van Amerika.
Palestijnen: Out of the picture.
Osama Ben Laden: nog niets van gehoord.
Afghanistan: Hoe Libanon eruit zou kunnen zien in 25 jaar.
Harem: te zien in de Efteling. Bestaat volgens Edward Said niet.
Beiroet: Zou ik uit de buurt blijven.
Dahje: Vinex-locatie voor terroristen.
Siniora: Scheve mond. Spreekt Engels. Ziet er niet uit als een Arabier.
Ahmadinejad: Kleine man, grote mond. Ziet eruit als een terrorist.
Journalisten: Herkenbaar aan het blauwe vestje met daarop geschreven in witte letters: Press. Uit de buurt blijven.
Fundamentalisten: Zijn moslims verslaafd aan. Soort van terrorist.
Het Westen: Eerlijk. Vooruitstrevend. Redelijk.
Het Oosten: Bestemming van alle gidsen in het Turkse reisbureau.
Beschaving: Komt met bommen. Zijn alle moslims tegen.
Zelfbeheersing: adagium van Spinoza, maar alleen te begrijpen door hooggeplaatste militairen en terroristen. Westers concept.
Angst: Heeft het Westen last van, terwijl de moslims het niet eens kunnen spellen.
Arabische muziek: kattengejank.
Arabische literatuur: Duizend en een nacht, maar nooit aan begonnen.
Weblogs: much ado about nothing.
Oorlog: De uitkomst van verschillende verslavingen aan macht, grond en troosteloosheid.

Zondag 30 juli: De dag dat de zon in het westen opkwam

Hamra, de wijk van Beiroet waar ik in woon, met al zijn middenstanders en de geur van secularisme die streng wordt bewaakt, lijkt deze zaterdagavond weer een stukje meer op Dahje, de volkse wijken ten zuiden van Beiroet. In de portieken, voor de deuren zitten de ontheemden uit het zuiden van het land, die in de leegstaande appartementen en scholen hun intrek hebben genomen, uit te blazen. Ze delen het solitaire genoegen van de waterpijp met een ander, man en vrouw. “Sommige van de vluchtelingen uit het zuiden hadden hun eigen waterpijp meegenomen,” zei een vrijwilliger tegen me in het park waar ze opgevangen werden.

Jonge dames in zwarte uit Iran geïmporteerde gewaden slenteren zij aan zij met hun wulpse leeftijdgenoten die de lokale Britney Spears representeren. Jongens keten met elkaar en een van hen gooit een ander tegen de rolluiken van een kledingzaak, ze lachen, lopen door en herhalen het kunststukje nog een keer. Zo gaan ze nog even door. Mensen bespreken de rede die Hezbollah-leider Hassan Nasrallah eerder op de avond hield, waarin hij Israël ervan beschuldigde geen oorlog te voeren maar een slachting van burgers aan te richten. Het is warmer dan het ooit is geweest deze zomer.

Ik denk aan een persfotograaf die ik een dag eerder in een café heb ontmoet. Voor het eerst zag ik de anatomie van een oorlogsfotograaf: buiten adem, pratend in een wonderlijk amalgaam van Engels met een suikerlicht Frans accent, door de wol geverfd maar met respect voor zijn angst en niet te beroerd om zijn verbazing over de oorlog en wat hij heeft gezien met ons te delen. Doden heeft hij gefotografeerd in het zuiden. Lijken die in een wagen lagen en een journalist die hem vroeg of hij om hun identiteit kon vragen. “Ze zijn dood. Wat voor antwoord verwacht je?” Dan gooit hij, vlak voor het weekend, zijn grootste voorgevoel eruit: “Ze gaan nog iets groots doen. Iets ergs. Zoiets als in Qana.” In het plaatsje Qana bombardeerde tien jaar geleden de Israëlische luchtmacht in een operatie tegen Hezbollah een gebouw van de Verenigde Naties. Daarbij vielen honderden onschuldige doden. “Er komt zoiets aan. Ik voel het,” zei hij en liep naar binnen. Wie de oorlog kan voorspellen, slaapt rustig. Op zondag wordt bekend dat in Qana 57 slachtoffers zijn gevallen bij een bombardement, onder wie meer dan vijfentwintig kinderen.

Qana waar volgens de overlevering Jezus met zijn discipelen naartoe vluchtte, las ik in een reisgids, toen ik het in april bezocht, waar ik uitkeek over de vallei van Kanaan en de zangerige klanken van de sjiitische muezzin hoorde, waar ik voor het eerst kennis maakte met de dictie en toon van de sjieten, die andere kant van het islamitische huis – mij op een paar beelden na onbekend – met hun Asjoera waarin ze de dood van hun heilige Hoessein beweenden door zich in een processie te mutileren, waar ik langs velden reed met citroenbomen, zoveel dat ze je het zicht ontnamen op de zee en op de Palestijnse vluchtelingenkampen, waar ik langs het strand liep vergezeld door een paar koeien die daar door hun veehoeder werden losgelaten om te grazen, in dat Qana was ik geweest en niet het Qana van vandaag.

De fotograaf heeft het goed voorvoeld, besef ik als naar de benedenstad hol om de demonstratie te zien van Hezbollah-aanhangers en symphatisanten en al die mensen die hun afschuw laten blijken over wat er een paar uur terug is gebeurd. Mensen dragen Libanese vlaggen, Hezbollah-vlaggen, vlaggen met het gezicht van Che Guevara erop – de geest van het gewapend verzet waart hier. De eerste agressie van het begin, toen het gebouw van de Verenigde Naties werd aangevallen, is weggeëbd. Spreekkoren hebben het overgenomen van het geweld en journalisten kunnen kiezen met wie ze willen spreken.

“Mensen blazen zo wat stoom af,” zegt iemand. Je hoeft niet te springen en te schreeuwen en te zingen om stoom af te blazen, het gaat vanzelf wel met deze hitte van meer dan 35 graden. Veel demonstranten beginnen weg te lopen, het is het begin van de middag en de zon heeft alles in brand gezet, de mensen, de gezichten, de voeten en de zon die deze ochtend in het westen is opgegaan en in het oosten onderging. Staak-het-vuren, mompel ik tussen mijn zweetdruppels door, staakt-het-vuren. 

Zondag 30 juli: Oorlog en vuilnis

Abu Ali, 42 jaar oud en vader van vijf kinderen, wijst naar het kruispunt waar we op afrijden. “Ze hebben daar geschoten.” Een krater van een paar meter diep, met op elke hoek van de straat aan diggelen geblazen appartementen en winkels zijn het bewijs ervan. “En daar,” en hij wijst naar een ander dieper geslagen gat aan het einde van de weg.

Abu werkt al achttien jaar voor Sukleen, de vuilophaaldienst van Beiroet. De witte wagen keert in de richting van een kapotgeschoten brug. We passeren een ander kruispunt waar aan het begin van de oorlog op een steenworpafstand van een kerk een raket is ingeslagen.

“Verder dan dit mogen we niet gaan,” zegt hij. “Het is verboden.” Verderop beginnen de wijken van Beiroet waar de afgelopen dagen het zwaarst is gebombardeerd. De straten liggen er nu leeg en verlaten bij. Haar inwoners zijn naar het centrum van Beiroet gevlucht of daarbuiten. Zij die het kunnen betalen zitten in de appartementen die door de Golf-Arabieren zijn verlaten en zij die het niet kunnen betalen, de meerderheid, slaapt in parken of scholen.

”Naar binnen gaan is te gevaarlijk. Je weet nooit wanneer ze gaan bombarderen.” zegt Abu Ali en biedt me een sigaret aan. Ik rook niet. Omdat het schoonvegen van de stad even is uitgesteld (om veiligheidsredenen en doordat er een tekort aan mankracht is), neemt hij nu dit klusje voor zijn rekening: mij rondrijden. Hij wijst me aan waar nog niet is schoongeveegd en waar wel. We passeren een vuilniswagen waar vier mensen op rijden, ze halen de vuilcontainers leeg en de rotzooi die zich daaromheen heeft gevormd. Ze zouden nog een vuilniswagen kunnen gebruiken, maar die is er niet.

“We gaan langs de randen van de buitenwijken om vuil op te halen en soms heel even naar binnen en dat is het,” zegt hij.
“Waar woont u in Beiroet?”
“Hier zegt hij,” in de wijk Dahjie. We rijden door een winkelstraat waar foto´s van de martelaren van Hezbollah hangen en het portret van Hassan Nasrallah. Het gerucht gaat dat hij in Damascus is maar het wordt ontkend. De kranten vullen zich nu met berichten vol ontkenningen: soldaten die vrijgelaten worden, maar ontkend, een staak het vuren dat op komst is, maar ontkend. Ontkenningen die ver af staan van Abu Ali. Hij is een van de weinige werknemers van Sukleen die is gebleven sinds het uitbreken van de oorlog.

“Al onze Syrische en Indiase werknemers vertrokken op de eerste dag van de oorlog. De Indiase ambassade was de snelste van allemaal,” vertelt de manager bij Sukleen, Walid Chaar. Op zijn bureau staat een foto van zijn kinderen. Zijn haar is kortgeknipt en hij draagt een modieuze bril. Af en toe gaat de telefoon die hij aanneemt en snel afwimpelt. “Van de ene op de andere dag zaten we zonder werknemers en vrachtwagenrijders.” zegt hij. ‘Met het uitbreken van de oorlog kozen ze eieren voor hun geld en vertrokken.” Ik vertel hem dat mijn oog was gevallen op de advertentie van een halve pagina in de krant Al-Safir, waarin Sukleen opriep voor werknemers.
“Heeft u geen Libanese vuilophalers?”
”Libanezen kijken op dit werk neer. Breng een Libanees naar Cyprus en hij zal het nog niet doen, laat staan hier. Hij wil niet gezien worden als vuilnisophaler.”
”Maar plotseling moest u ze op de een of andere manier aanwerven?”
”We besloten ze te lokken met extra´s en het salaris bijna te verdubbelen.” Een vuilophaler verdient 1 dollar per uur. “We besloten nu bijna 2 dollar te bieden.” Een brood kost in Beiroet 1 dollar.
“Waarom willen de Libanezen nu wel dit werk doen?”
”Vanwege de beloning en omdat ze niet weten niet wat de toekomst brengen zal. Maar ze hebben ook het gevoel dat zij deze verantwoordelijkheid op zich moeten nemen nu de buitenlanders zijn gevlucht.”
”En wat als er straks een staakt het vuren is en de buitenlandse werknemers weer teruggekomen?”
”Dan hebben we een probleem waar we hoe dan ook als verliezer uitkomen. De buitenlanders zijn een onzekere factor maar hoeveel Libanezen kunnen we behouden?”

Ik vraag of de situatie de vuilverwerking heeft veranderd.
“Het vuil heeft zich natuurlijk verplaats. Naar het centrum, waar de vluchtelingen zitten en in de bergen van de stad waar de rijkere inwoners van deze stad een huis hebben. In een normale zomer verwerken we 3800 ton per dag. Nu is dat tussen de 2000 en 2300 ton.”

Het management van de vuilophaaldienst is in een gebaar van solidariteit zelf de straat opgegaan om te bezemen. Het was op televisie en is opgepikt door vrijwilligers die nu zelf hun straatje schoonvegen. De straat vegen is ook een vorm van verzet, laat een medewerker van de American University optekenen. 

Vegen is het werk van Abu Ali. Hij heeft besloten na een paar dagen zijn wijk te verlaten. “Ik woon in de buurt van het vliegveld. Ik zag de vliegtuigen komen. Het was verschrikkelijk. Mijn kinderen begonnen te huilen en ik moest ze troosten. Ik heb ze weggebracht naar Baalbek in het noorden.” Zelf heeft hij zijn huis verlaten voor een bed in een van de barakken waar Sukleen haar werknemers herbergt.

De arbeidscapaciteit van Sukleen  is middels de advertenties teruggebracht tot tussen de 300 en 600 man. Men recruteert stug verder want het tekort is nog lang niet aangevuld. Om het vuil op straat weg te halen is  men 24 uur per dag operationeel geworden. Maar zelfs met die inzet zal het nog weken duren voordat de toestand terug naar normaal is.
“De eerste drie dagen waren onmogelijk, maar daarna hebben we met man en macht geprobeerd en nog steeds de verdeling zo te maken dat we elke wijk de service kunnen geven die het verdient,” zegt Walid. “Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen wijken of straten, ze verdienen allemaal dezelfde behandeling.” 

In de barak staan in een kamer van dertig vierkante meter twintig stalen stapelbedden. Elke vuilophaler heeft een kluisje. Sommigen hebben een tekst uit de Koran of een afbeelding van de Kaaba in Mekka boven hun bed geplakt. In een provisorisch ingerichte kamer in het gebouw van de directie liggen twaalf chauffeurs op een kunsstof matrasje te slapen, terwijl de televisie geluidloos vanuit de hoogte op ze neerkijkt.

Als ik terugkom in Hamra zijn de vuilnisbakken halfleeg en de straten nog altijd vuil.

 

Zondag 30 juli: Als deze toestand geen toestand was

De hoogst onaangename gedachte dat een 23 jarige overmoedige fotografe door een precisie raket is geraakt terwijl ze haar werk deed in het zuiden van Libanon, drijft even weg als Bouchra het internetcafé binnenkomt. Al doet de jongen die hier werkt en die altijd vreselijk sikkeneurig is, alsof hij naar een aangebrande plak speculaas kijkt, toch weten hij en ik dat dit niet de eerste de beste is onder de journalisten. Bouchra. Met haar slordige rossige lokken links en rechts, de bleke tint van haar hoofd met hier en daar een sproet, doet ze meer denken aan een Montessori meisje dat in het vierde jaar van de Toneel School in Amsterdam zit, bijna klaar met de regie-opleiding en vast van plan om een dezer dagen of maanden eens een begin te maken met een grote voorstelling, iets voor drie of vier acteurs, een Pinter of Tjechov om jezelf mee te bewijzen in de ogen van de altijd vermoeide en altijd in staat van opwinding verkerende toneelgangers. Een gezicht dat zich onder de beste omstandigheden feilloos staande weet te houden, kien en zachtaardig, bereid om naar je te luisteren als je wat te melden hebt, maar zo niet dan is het ook goed. Daarna stapt ze op haar fiets en verlaat Weber of Lux of de Balie of de Smoeshaan om thuis nog wat na te hijgen en met een tekst van een Franse filosoof in de hand richting dromenland te glijden. Amsterdam koestert haar en aait haar rug.

Maar regie-assistente is ze niet.

Ze heeft het verhaal van de oorlog becommentarieerd voor Al Jazira, de pan-Arabische zender. Zij komt elke avond bij miljoenen binnen en staat bijna op het punt uit mijn blikveld te verdwijnen. Ik kan geen genoeg van haar krijgen, zoals ze daar staat, twee pakjes Gauloises Blauw afrekent en onderwijl, zonder dat het ook maar een seconde aanmatigend, arrogant of misplaatst is, in een kleine microfoon praat, een witte luis, die verbonden is met haar mobiel. Ze is van mijn leeftijd en ik zou, als deze toestand geen toestand was geweest, haar onvermijdelijk tegen het lijf zijn aangelopen in Café Prague of een andere tent in Hamra en met haar woorden hebben uitgewisseld over haar werk als journaliste en de sores die daarbij komt kijken.

Ik zou vast gekscherend hebben gezegd dat ik altijd te bereiken was mocht ze een verhaal voor me hebben, maar van die grappen is niets terecht gekomen. Midden in de nacht vult ze de buis met haar Libanese stem die in toom wordt gehouden door de strakke hoog Arabische dictie zodat ook een jongeman in Agadir of een Irakees ergens in Purmerend en in bezit van schotel haar kan volgen over de laatste ontwikkelingen aan het front met Noord-Israël. Ze draait zich om en blikt in de bek van de nacht waar niets te zien is, ze ontcijfert voor ons haar duistere formules van de dood die eraan staat te komen, als de berekening klopt tenminste. Ze spreekt klare taal maar het oor vertaalt ze als statistiek, getallen van wat ons nog te wachten staat.

Daar stond ze met de blauwe helm op van de VN en op haar borst Press geschreven, alsof de raketten een cursus Engelse letterkunde hebben meegekregen en haar om die reden buiten het dodental zullen laten. Ze draait zich om en voor het eerst zie ik haar hele lichaam en dan is ze verdwenen. Nu is ze in Beiroet waar ze vredesdemonstraties doet en interviews leidt, weg uit het zuiden waar je als oorlogscorrespondent niet te lang moet blijven wil je niet voor de rest van je leven als een bij elkaar geveegde hoop herfstbladeren door het leven gaan. Nee, denk ik, ze is gehard, ze lacht erom. Toch niet en zie ik daar niet leven rond die mond van haar, leven dat uit haar buik komt? Bouchra. Het ga je goed, waar je ook gaat en wat je ook doet.

Donderdag 27 juli: Vrede met de duivel

Met onze benen takelen we de zon die boven de Corniche hangt naar beneden.
Zij heeft voor het eerst in dagen vrij, vrij van haar werk voor een Franse journalist die haar in dienst heeft genomen als fixer (iemand die interviews, taxi’s, quotes en koffie regelt) en ze heeft geen zin om aan deze oorlog te denken. We lopen langs de boulevard aan zee waar voor het eerst in dagen de boel wat volstroomt, maar nergens zoals een paar weken geleden toen je over de kinderen, de waterpijpverkopers en skaters struikelde, of zij over jou. De mensen uit het zuiden en uit de buitenwijken zijn er.

Ik zeg dat ik sommige gehoofddoekte meisjes sexy vind.
‘Wil je daarmee zeggen dat iemand als ik, zonder hoofddoek, minder sexy is dan zij?’ Ze heeft zwart haar tot op haar blote armen.
‘Nee,’ zeg ik, ‘ik bedoel dat sommige van hen een spel lijken te spelen met die hoofddoek, vooral als ze hakjes dragen en ze zich opgemaakt hebben.’
‘Je bent een verderfelijke macho. Wat heeft een hoofddoek met sexy te maken?’
We komen een vriend tegen. Ze briest tegen hem: ‘Hij zegt dat meisjes met hoofddoekjes sexier zijn.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Hij heeft gelijk.’ De vriend van middelbare leeftijd krijgt grote pretogen, nog groter dan ze al waren. We passeren een sjiitische hoofddoek op hakjes. De sjiittische hoofddoek is anders gehoofddoekt dan de soennitische. De soennitische is wat strakker rond het hoofd en laat veel ruimte vrij voor het gezicht – onder deze omstandigheden. Er lijken ook meer variaties te zijn bij soennitische hoofddoeken. De sjiitsche hoofddoek straalt saaiheid en dogma uit. Vaak wordt zo’n hoofddoek begeleid door een lange overjas die tot aan de enkels komt. Hier valt moeilijk seks mee uit te stralen. Toch lukt het sommigen.
‘Ik ben dol op hoofddoekjes,’ zegt haar vriend. ‘Toen ik studeerde kwam er eentje uit een buitenwijk naar onze campus en pakte elke jongen die ze kon krijgen. Aan het einde van de avond knoopte ze haar hoofddoek dicht en ging weer netjes terug naar huis.’
‘Jullie zijn gek,’ zegt de vriendin.
‘En ik vind het juist spannender om een meisje met een hoofddoek te versieren, want als je eenmaal elkaar hebt gevonden dan heb je het gevoel dat je een dikke vinger naar het systeem opsteekt.’ Aan de horizon drijven drie fregatten heen en weer, ze staan klaar om een nieuwe stroom vluchtelingen op te halen. De avond valt, we drinken uit onze te warme fles water en nemen afscheid van de vriend.
‘Tot hoofddoek,’ zeg ik in het Nederlands maar hij begrijpt het niet.

Ik nodig haar uit om wat te gaan eten. Ze heeft niet echt honger. ‘Maar laten we eerst een restaurant vinden.’ Fennel, Casablanca en alle restaurants in de benedenstad zijn dicht. Bread is open. Zij bestelt de zwaardvis en ik lamskoteletten. We drinken en eten en praten. Ik bestel er aardappelen en witte wijn bij. Terug naar huis zijn er maar een paar taxi’s, die allemaal de andere kant op gaan. Meestal neemt een taxi meerdere passagiers mee en zet ze een voor een af op de gewenste locatie. Normaliter rijden er honderden van die taxi’s, nu niets.
‘We moeten maar gaan liften.’ Ik steek jolig mijn duim in de lucht. Een Mercedes stopt voor ons en laat de getinte ruit naar beneden komen. ‘Waar moeten jullie naartoe,’ zegt de man met twee vermoeide maar intens melancholieke ogen.
‘Hamra!’
‘Stap in.’ In de wagen klinkt de muziek van Fayrouz, maar hij verandert de hele tijd van station.
‘Ik ben op weg naar de Blue Note.’ Het is een van de bekendste jazzcafés in de stad en een monument uit de burgeroorlog, toen er veel journalisten kwamen. Het café is in mijn straat. Je kan er goed eten en toen de oorlog uitbrak deed de keuken gewoon dienst. Hij vraagt wat we doen.
‘Schrijver,’ zeg ik.
‘Ik ben uitgever,’ zegt hij.
‘Literatuur?’
‘Een beetje.’ Een beetje is meer dan genoeg, lijkt me. Ik vertel hem dat een uitgever mijn boek in het Arabisch wil uitgeven. Hij kent de uitgever. Hij zet ons af voor de deur terwijl we boven ons hoofd de gevechtsvliegtuigen horen. Ze vliegen laag, als een zwerm bijen boven een bloemenveld. Laten we naar binnen gaan, zeg ik.
‘Nee,’ zegt ze, ‘ik kan er niet tegen. Ik ga naar huis.’
‘De rust zal terugkeren.’ Ze gelooft er niets van.
‘Ik ga naar mijn familie.’ Ze bellen haar net op de mobiel.
‘Ja, ik kom eraan,’ zegt ze ongerust en hangt op.
‘Ga met me mee,’ zegt ze.
‘Ik kan er de energie niet voor opbrengen.’
‘Doe het voor mij. Blijf slapen.’
‘Ik slaap liever hier.’
‘Doe het voor mij?’ Ik pak mijn boxershort en T-shirt en sta weer buiten.
Als we aankomen zijn de vlieggeluiden verdwenen. We kijken bij haar familie televisie. Er is een kringgesprek aan de gang met jongeren van allerlei gezindten en etnische achtergronden. Sjiitisch, soennitisch, Druze, Maroniet en ga zo maar door. De sjiitische jongen heeft donkere kringen rond de ogen en laat een pamflet zien met het gezicht van Hassan Nasrallah erop.
Een meisje met lange lokken roept het uit: ‘Ik wil vrede. Ik wil vrede sluiten met Israël. Ja, ik wil vrede sluiten met de duivel.’ Ze zegt dit niet omdat ze zulke warme gevoelens koestert voor Israël, maar omdat ze vooruit wil met haar land, Libanon, omdat alleen stabiliteit en rust dit land goed doet en zo de interne spanning overstegen kan worden. Vrede met de buurman in het zuiden zal daar aan bijdragen. Het is uiteindelijke de enige oplossing voor het dilemma waar zij en haar generatiegenoten in verkeren. De Hezbollah-jongen gaat niet direct op haar in, sputtert slechts. Militantisme holt uit. Vrede, vrede, godverdomme, vrede, mompel ik de regel van Vroman. Helaas heb ik maar tien minuten van het programma meegekregen. Ik kan niet bij deze aardige lieve mensen blijven slapen.
‘Ik ga terug naar huis.’ In de straat hangt zo’n zware lucht van jasmijn dat ik ervan moet niezen.

Dinsdag 25 juli: De Pest

Het verrassingsbezoek van Condoleezza Rice aan Beiroet gistermiddag lijkt de Beiroeti’s nog onverschilliger te maken voor de rol van de Verenigde Staten in dit conflict dan ze al waren. De kranten schrijven erover maar wie ik ernaar vraag, vertelt dat de voorwaarden van Rice regelrecht ingaan tegen wat de Libanezen zelf willen: een onmiddellijk staakt-het-vuren en daarna onderhandelen, via deze regering, over de gekidnapte Israëlische soldaten. De voorstellen van Rice klinken als een dictaat, gedicteerd door de buurman in het zuiden. Een foto in de Daily Star, de Engelstalige krant hier, waarop Rice de hand schudt van Siniora, heeft een penkrabbel van een klant: Fuck Rice.

Fadi Toufic spreekt voor mij iets te snel Arabisch om zijn uiteenzetting over Rice helemaal te kunnen volgen, maar de portee is me vanochtend wel duidelijk geworden: er gaat weinig hoop van haar bezoek uit. Misschien is er morgen in Rome, waar de conferentie met de Arabische landen is belegd, meer te verwachten.

Het is de eerste keer dat ik met Fadi praat sinds ik hem nu al bijna een half jaar terug heb ontmoet. Ik weet dat hij een zeer kritische Hezbollah-specialist is die de afgelopen dagen continu is ondervraagd door de wereldmedia, ik heb zijn boek in het Arabisch gekocht (‘Bilad Allah AlThayqa’, ‘Het Benauwde Land van God’ – met het marginale, benauwde land is de wijk Dahjie bedoeld waar Hezbollah haar aanhangers en gezag heeft). Maar tot nu toe knikten we alleen maar elke ochtend naar elkaar in café Prague waar hij en ik vaak tot de eerste klanten behoorden die daar zaten om koffie te drinken en het internet op te zoeken. Meestal was hij een krant aan het lezen of geconcentreerd op zijn laptop aan het werk. Soms trof ik hem met zijn goede vriendin Christine met wie hij een soort boezemvriendschap onderhoudt die de resistentie heeft van een nijlpaard tegen de buitenwereld. Zij praat, haar zonnebril ophoudend, een sigaret in de rechterhand en hij luistert, twee handen op de stoelleuningen geklemd. Een uitroepteken tegenover een puntkomma.

Volgens een vriendin zou ik niet zomaar lukraak alles wat mensen mij vertellen, of wat ik observeer in mensen, op mijn blog moeten zetten. Maar het is juist het onmiddellijke dat me treft en het eerste de tekst bereikt. Spontaniteit gaat hier sneller dan het licht. Al het gestudeerde en vooraf afgewogene neigt naar zelfcensuur en overdreven preutsheid. De vriendin is boos op mij. Mijn portretten van mensen hebben haar in verwarring gebracht. ‘Kan je wel over die mensen schrijven, in al hun pijnlijke situaties, zonder dat ze dit weten? Je loopt bij ze binnen, ze laten je toe en zonder dat ze het weten worden ze afgebeeld.’

Ik begin aan een verdediging van de autonomie van de schrijver, maar voel vooral diezelfde verwarring. Waar ben ik mee bezig? Nee, het is goed. Dit is precies wat je moet doen. Zou je hetzelfde schrijven als je in het Engels schreef? Ik staak mijn verdediging. De autonomie zit hem misschien in het verlies. Ze zal nog bozer worden als ze dit leest. Ze leest een beetje Nederlands, maar pikt er precies die zaken uit die haar irriteren. Ik beschouw dat als een triomf en als voortzetting van wat ik altijd als schrijver heb geprobeerd: prikkelen zonder te steken, ook voor diegenen die nog aan de Delftse methode moeten beginnen.

Als ik thuiskom, open ik een luik naar de gesprekken en ontmoetingen en laat de beelden voor zichzelf spreken. Ik hoop dat ze me, als ze straks perfect Nederlands kan lezen, vergeeft voor mijn openhartigheid. Misschien doe ik ze wel pijn, besef ik ineens, deze openhartige mensen hier die van hun hart geen moordkuil maken, die zichzelf opengooien als Romeinse vensters in september zodat je naar binnen mag kijken. Volmaakte onschuld gestolen door een inbreker.

Fadi heeft geen moeite met antwoorden. Hij is ter zake kundig en open, maar ik heb hem nooit gevraagd naar Hezbollah. Zijn mening is dat het na dit onbezonnen avontuur van Hezbollah met de twee Israëlische soldaten snel afgelopen zal zijn met de Partij van God. Hun gevecht leidt tot nog meer isolement. Ik durf geen weddenschap af te leggen met hem over het tijdsbestek. Plotseling schiet me te binnen dat ik absoluut een dezer dagen het casino van Beiroet moet bezoeken, als het open is tenminste.

In boekhandel Antoine rekent een moeder een stapel leerboeken voor jonge kinderen af. De man bij wie ik naar het boek van Fadi vraag, vertelt dat hij sinds het begin van de oorlog nauwelijks boeken verkoopt. ‘De enige lectuur die mensen halen, zijn boeken voor kinderen.’ De meeste hebben een educatieve inslag.

De dame van de Franse sectie (‘Ik spreek alleen Frans’) beaamt dat voor haar afdeling. De boekopruiming die er een paar weken geleden was, is ook afgelopen. Alles is weer terug naar de oude prijs. Ik koop ‘De Pest’ van Camus en de brieven van Tsjechov en het boek van Fadi. Arabische boeken zijn beduidend goedkoper dan de Engelse en Franse import.

Mijn lakmoesproef om te zien of ik een boek echt wil hebben, is door lukraak het boek open te slaan en een zin te lezen. Het werkt altijd, ook in deze verlaten boekwinkel. Met Camus is het niet moeilijk, want Oran, de stad waar de pest is uitgebroken, is Beiroet geworden voor mij. En zoals de ratten in Oran zich tegoed doen aan het vuil van de mensen, zo zal dat hier ook snel gaan gebeuren als de straten niet worden schoongeveegd door het plaatselijke reinigingsbedrijf Sukleen.

De eerste en laatste keer dat ik ‘De Pest’ las, was rond mijn zestiende, het boek geleend uit de buurtbibliotheek in Schiebroek. Ik leende het boek niet omdat ik iets van Camus afwist, maar omdat mijn vader geboren was in Oran. Nu ben ik dertig en op een plek aangekomen waar Oran en Beiroet inwisselbaar zijn geworden – ook ik ben geboren in Beiroet. Het vuil heeft nu mijn volste aandacht. Oorlog creëert vuil op massaschaal.

Omdat de Hezbollah-man heeft afgebeld voor een rondleiding in Dahjie vandaag, probeer ik nu op een vuilniswagen van Sukleen terecht te komen. Dat moet toch een stuk makkelijker te regelen zijn. De Hezbollah organiseert voor journalisten rondleidingen in de getroffen gebieden. Ze bewaken de wijken tegen plunderaars en inbrekers, want zo’n verlaten appartement is natuurlijk goud waard, en ze schermen de getroffen gebieden af tegen pottenkijkers en al te lastige vragen. Maar Hezbollah heeft vandaag niets te melden.

Sukleen lijkt me een uitstekend alternatief: van militante beweging naar reinigingsdienst is een kleine stap. Ik wil zien welke route ze rijden en hoe ze de flinke toename van huisvuil en afval gaan verwerken dat overal ligt, puilend uit de afvalbakken en langs de stoep, plastic, papier en andere rotzooi. Maar ook de manager van Sukleen heeft nog niet teruggebeld. Zijn assistente zegt dat de manager het druk heeft maar dat ze zeker zal bellen. Ik heb doorgegeven dat ik zelfs mijn handen uit de mouwen wil steken om iets bij te dragen aan een schoner Beiroet. Misschien dat hem dat doet inzien dat ik het beste voorheb met deze organisatie die overuren moet draaien. Als dat hem niet overtuigt, dan is de halve pagina advertentie die ze in de kranten hebben geplaatst voor vuilophalers louter op fictie gebaseerd.

Ook dat is weer reden om te blijven schrijven.

Maandag 24 juli: De zotte schrijver

Gedisciplineerd en zonder te morren pakt de Libanese man de bezem in het Internetcafé en begint aan de eerste veegronde van de dag. Naar alle waarschijnlijkheid zal ik hem nog een paar keer zien deze week, elke keer dat ik deze plek bezoek. Tot vorige week stond hier een man van het Indiase subcontinent, Bangladesh misschien, had mijn buurman een Fillipijnse werkster, werkte er in cafe Barometer een Syrische jongen, was de sleutelbewaarder van mijn vorige behuizing ook een Syriër, een Sudanees beheerde het luxe appartement ernaast. Ze zijn nu naar alle waarschijnlijkheid thuis of op weg naar huis. De gastarbeider heeft niet alleen in West-Europa opgang gemaakt, hij is een geglobaliseerd merkartikel, overal vierentwintig uur per dag inzetbaar totdat de kanonnen over zijn hoofd beginnen te vliegen. Toen de Juli-oorlog uitbrak, een oorlog die voor mijn gevoel alweer bijna voorbij is, dacht ik dat ze niet weg zouden gaan, dat ze het onmogelijk gemaakt zou worden, maar niets is minder waar.Teruglopend van een lange wandeling door een verlaten benedenstad en een Hamra zonder enige franje, zie ik een groep Filippijnen staan. Tas in de hand of rugzak op de schouder, allen mannen die de zomereconomie van Libanon – en die duurt lang – van smeerolie voorzagen. Nu zijn ze overbodig. En een groot deel van hen wil overbodig worden want de schrik is in ze gevaren. Misschien calculeren ze vooruit: deze toestand gaat nog even duren, de inwoners van deze stad die graag wat overhebben voor een kok, een serveerster of een schoonmaakster, gaan bezuinigen. De eerste die dan afvalt is diezelfde schoonmaakster. De mensen gaan zelf koken, boodschappen doen of nemen een lokaal iemand in dienst.

Je kon ze altijd zien, de schaduwzijde van deze oververhitte economie, de buitenlandse krachten, die meegingen met hun werkgever in de grote jeeps. Vader en moeder voorin, kinderen op de achterbank en daarnaast de Fillijpijnse of Etiophische. Soms in gevecht met een van de kinderen want het kroost wil graag spelen of soms zomaar voor zich uit starend. Hoewel er een grote sjitische onderklasse is, vervult die niet de rol die deze mensen vervullen. Het is alsof de etnische scheidslijn daar geen ruimte voor laat. Of misschien is het gewoon niet chique om iemand uit je eigen samenleving aan het werk te zetten.

Ik denk dat het een combinatie van die twee is: het voelt minder neutraal, de etnische verhoudingen lopen door in die heer-bediende verhouding en dat werkt, voelt niet lekker. Dus doen ze het maar zo. Een bediende is per definitie de ideale vreemdeling: iemand die je nog iets kan leren, de taal en lokale omgangsvormen en zijn plaats kent. Dat is met een lokale kracht anders. En misschien neemt een lokale kracht minder genoegen met sommige aberraties van zo´n verhouding, weet hij slechter een geheim te bewaren en verliest sneller zijn ongeduld met de nukken en kuren van de kinderen, de heer des huizes en de opgepoetste lippen van de dame.

Nu doen de mensen zelf boodschappen. Het groentewinkeltje van de altijd opgewekte man, een sjiet, is bomvol klanten uit de buurt. Er lijkt niemand over straat te lopen zonder onder zijn arm of in de hand een boodschapje geklemd te hebben. Wat opvalt na dit magere weekend is dat overal de grote platte verse broden liggen die, neem ik aan, over een paar uur verdwenen zullen zijn in die grote opslagruimtes die deze huizen lijken te herbergen.

Er is een man die dit alles langs zich heen leek te laten gaan en dat is de schilder Madi. Hij woont twee huizen verder en heeft een balkon van twaalf meter dat over de zee van Beiroet uitkijkt. Hij is in de zestig, en zegt dat hij niet aan werken toekomt. Zijn familie komt uit de Shebaa vallei en daar was gedonder dit weekend. “Beschieting.” Zijn appartement is veranderd in een groot atelier. Zijn gezicht is bruin en heeft iets weg van Picasso, maar misschien is dat maar inbeelding van een geest die overal gelijkenissen ziet bij gebrek aan beter. In het huis dat ik bewoon hangen zijn etsen en schilderijen, voluptueze vrouwen getekend in ogenschijnlijk simpele penseelstreken en tekeningen van paarden en andere dierlijke vormen.

Hij zit tegenover me in een gescheurd T-shirt en zo´n witte onderbroek die alleen schilders en ziellozen dragen. Hij biedt ons koffie aan maar we willen niet te lang blijven. Hij lijkt graag bezoek te ontvangen. Er is niets te doen. Of je nu wel of geen inspiratie hebt, de schildersezel ontvangt het niet.

Misschien dat Madi vandaag naar buiten zal gaan om de vaste grond te proeven. Waarschijnlijker is dat hij de zoon van de concierge een boodschappenlijstje meegeeft. En als hij thuisblijft dan zal dat niets voor hem veranderen noch voor het land. En als zijn kunst daar wel bij vaart, dan zien we dat na de oorlog pas. Alleen de zotte schrijver onder deze omstandigheden wint.

Plannen die ik heb gemaakt voor deze week en ter bewering op een blaadje heb geschreven waarna meteen verbrand: Demonen van Fjodor Dostjoveski kopen en lezen, hardlopen langs de Corniche, proberen een kort verhaal te schrijven om te laten zien dat ik het ook nu kan, een fles Johnny Walker Black Label in huis halen want daar slaap ik beter op, af en toe een waardeloze film bekijken, proberen te praten over ditjes en datjes zelfs als ik er eigenlijk geen energie voor heb, bezigheden verzinnen die me afleiden van de situatie waarin ik me bevind, de verveling een kans geven om van mijn geest een slagveld te maken, mijn roman die ik nu binnen moet krijgen via de mail verder redigeren, het neefje van een vriendin verslaan met het voetbalspelletje Fifa 2006, dezer dagen de zuidelijke wijken van Beiroet bezoeken om te zien met eigen ogen wat er is aangericht, een boek over Hezbollah lezen, kijken of het electriciteitssysteem zowel de koelkast, als de televisie als mijn laptop als het licht op het nachtkastje aankan, kijken of het slimmer is via Amman of Damascus weg te gaan als de tijd daar rijp voor is, vakanties verzinnen in het hoofd voor als ik straks als uit deze toestand ben, mijn ouders bellen, mijn horloge op de juiste dag laten lopen, lange mails sturen naar vrienden die nu op campings bivakkeren, uit deze blog de onvermijdelijke foutjes zeven, een groot stuk schrijven over hoe het literaire leven hier verder gaat, een extra boxershort kopen, water inslaan, melk inslaan, brood inslaan, de tijd nemen om de afgelopen anderhalve week rustig en zonder haast te maken als een slak over mijn geest te laten lopen, te zien wat het slijmspoor heeft aangericht. Voldongen feiten, grote gebaren, dagen klein als dwergen.

Zondag 23 juli: Mijn bezoek aan Hreik

Onder de douche zegt een klein stemmetje dat ik moet gaan. Het is de tweede douche van vandaag om mezelf te ontdoen van het stof, zweet en de zenuwen, maar het stemmetje krijg ik er niet mee weg. Ik moet naar Haret Hreik en Dajihe om te zien wat de bombardementen hebben aangericht. Een paar maanden terug, toen de zon net zo fel scheen alleen er nog niets uit de lucht viel, ben ik in Haret Hreik geweest voor een symposium naar aanleiding van Srebrenica, in voormalige Joegoslavie. Ik kon het adres eerst niet vinden maar werd door Jan en alleman op weg geholpen. De mensen waren aardig en zelfs als ze niet wisten waar ik wezen moest – vermoedelijk door mijn verkeerde uitspraak van de plek – werd er iemand anders bij gehaald.

Die wijk deed me toen in zijn rommeligheid, overbevolking en alledaagsheid heel erg veel denken aan Marokko. Het was daar dat ik in die geuren en half vergane gebitten van de mannen en de hoofddoeken van de meisjes een spiegeling kreeg met Nador en andere plaatsen in Marokko die ik in de rest van de Beiroet niet had. Natuurlijk was ik me ook van de politieke realiteit bewust, zeer terdege zelf, maar toen was er geen reden om die erbij te betrekken. Het was een van de plekken in Beiroet waar je zomaar naar toe kon op een namiddag voor een conferentie die op een paar sprekers na niet veel om het lijf had.

Ik droog mezelf af en trek verse kleding aan. Ik weet nog niet hoe in dit huis de wasmachine werkt. In de tussentijd heb ik een mail binnengekregen van een zeer intelligente vriendin die op hysterische wijze en in gebroken Nederlands me duidelijk maakt dat ik nu onmiddellijk daar weg moet. Haar Turkse familie, woonachtig in Beiroet, is al vertrokken en die gaan niet zomaar weg. Als de Israeli´s eenmaal de wegen hebben afgesloten zit ik als een rat in de val, volgens haar. Ik wil geen rat zijn, maar een muis ben ik ook niet. Ik delete haar bericht, niet omdat ik het me niet aantrek maar omdat het laatste wat ik nu kan gebruiken goed bedoelde maar oververhitte berichten zijn uit een voor mij op dit moment heel ver land, Nederland.

Reden om naar Hreik te gaan is niet alleen om te zien wat ik daar is gebeurd en misschien nog gaat gebeuren maar ook om weg te komen uit Hamra. Met sommige vrienden ben ik even uitgepraat. Kon je tot een tijdje terug over nog van alles en nog wat kletsen, nu zijn de thema´s aanzijdig.
Kifek? Hoe gaat het met je?
Blijf je?
Waar woon je? Sommige vrienden of kennissen woonden tot voor kort in het goedkope Dahjie of in de buurt. Ze bivakkeren nu bij vrienden of familie.
Wat verwacht je? Hier heeft iedereen wel een mening. Het wordt erger of er komt een staakt het vuur of iemand die zegt: het is goed dat ze het zuiden binnentrekken, want nu komt er een confrontatie en dat leidt tenminste tot iets!

Ze rennen van hot naar her of zitten juist wat voor zich uit te kijken totdat zich een telefoontje aandient. Het weekend is begonnen en de Israelische grondtroepen gaan naar alle waarschijnlijkheid binnenkomen. In vredestijd zou ik vanavond naar een Italiaans restaurant zijn gegaan, een fles Montepulciano hebben besteld en me hebben verwonderd dat er buiten Rome geen perfectie in de pasta bestaat. Toch zou ik die pasta met smaak hebben opgegeten omdat het gezelschap en de stad veel vergoedt.

Daarna zou ik naar huis gaan, wat lezen of televisie kijken en vooruit denken aan mijn stuk voor Vrij Nederland over de Arabische Renaissance van dit moment – zo´n mooie gedachte die nu helemaal niets te betekenen heeft. Met de DHL is, en ik beschouw het als een klein wonder waarvoor de ontvanger 15 dollar moet betalen, mijn net uitgekomen dichtbundel Panacee en de eerste Vrij Nederland waar mijn stuk instond binnengekomen. Ik ga door de dichtbundel op zoek naar een gedicht dat me kan inspireren. Ik snap niet zo goed waarom ik dit doe. Een vriendin vindt het omslag prachtig. Ze kan helaas de gedichten niet beoordelen.

Op zaterdag zou ik overwegen naar het strand te gaan, in het zuiden, waar nu op vrij ruwe wijze de streek wordt uitgekamd en plat gelegd om die naarstig gezochte terroristen te vinden die Haifa en Nazareth torpederen. Tyre en omstreken is door Israel veranderd in een graf, gisteren was er een massabegrafenis. Een vriendin vroeg de televisie uit te zetten maar ik was te laat. Ze huilde tranen met tuiten en nog meer tuiten en nog meer tuiten.

Twee weken terug was ik op een strand niet ver van Tyre. Ik bestelde er limonade en bracht er een middag door, ik had me toen voorgenomen zo lang mogelijk te blijven want het zou weer een paar dagen duren voordat ik naar het strand kon. In zee gaan was wel mogelijk, alleen werd ik geprikt door kwallen. Datzelfde strand en het gevoel dat ermee komt is nu weg.
Op zondag zou ik bijkomen van de zonnesteek.
Nu ben ik gekleed.
Ik beloof mezelf twee dagen te wachten, totdat het weekend voorbij is en dan de knoop door te hakken over mijn bezoek aan Hreik.

Â