Sayed Kashua – Tweede persoon enkelvoud
door Jeroen Vullings
Bijna achteloos speelt de Israëlische schrijver van Palestijnse komaf Sayed Kashua met zware thema’s als assimilatie en identiteit. Een boek dat je verrijkt.
Onlangs was de Israëlische schrijver Sayed Kashua in Nederland om de vertaling van zijn laatste roman Goef sjenie jachied (uit 2010) luister bij te zetten. Tweede persoon enkelvoud heet het boek hier. Het gebruikelijke circus voltrok zich: hij werd ondergebracht in het zogeheten ‘schrijvershotel’ aan een Amsterdamse gracht; wat interviewers dienden zich aan, hij moest ergens op een podium staan en zelfs mocht hij even op de Nederlandse televisie komen, in het enige boekenprogramma dat Nederland rijk is. Niks bijzonders. Een ‘rondje Ambassade Hotel’ heet zoiets in kringen van media- en uitgeversvolk. Ze komen, ze gaan.
Bijzonder is dat Kashua in de Israëlische krant Ha’aretz een impressie schreef van zijn Amsterdams bezoek. Hoogtepunt, schrijft hij, vormde zijn optreden voor de televisie met zijn literaire idool Paul Auster. Dan heb je als schrijver wat bereikt, beseft hij.
Bij Auster ging het hooggestemde gesprek over ‘het schrijven als het je herinneren van dingen die nooit gebeurd zijn’. Daarna was het de beurt aan Kashua. Hij kreeg alleen vragen over zijn dorpse jeugd en zijn leven als lid van de Palestijnse minderheid in Israël. Vragen die niks met het boek van doen hebben, maar die erop gericht zijn te tonen dat een miserabel Arabisch jochie best aardig heeft leren lezen en schrijven. In het Hebreeuws nog wel. Het deed hem denken aan interviews die hij twintig jaar geleden in Israël kreeg. Niks over literatuur, geen literaire vragen zoals die aan Auster werden gesteld, maar alleen ‘antropologische kletspraat voortgekomen uit de fraaiste koloniale traditie’.
Verteerd door jaloezie
Hoezeer het Kashua ernst is met die klacht, blijkt uit Tweede persoon enkelvoud, een intelligente roman over culturele botsingen, assimilatie en de eeuwige vraag naar identiteit. Kashua’s roman is veel – van het goede. Eerst toont hij ons een wereld van binnenuit, die weinigen kennen: gestudeerde Palestijnen met een Israëlisch paspoort.
Hij vervlecht daartoe twee verhaallijnen, een hij-vertelling over ‘de advocaat’ en een in de ikpersoon gesteld relaas van de (voormalig) maatschappelijk werker Amier – beiden Palestijnen in het bezit van de Israëlische nationaliteit, woonachtig in Jeruzalem. De naamloze advocaat is een nouveau riche die in een beter deel van Jeruzalem woont, dus niet in Oost-Jeruzalem waar de Arabieren huizen. Hij wil hogerop in het bestaan. Amier is door een krankzinnig toeval in de gelegenheid tot identiteitsverwisseling. Een van zijn bijbanen is het verzorgen van een Joodse leeftijdgenoot die na een zelfmoordpoging in coma is geraakt. Gaandeweg draait hij niet alleen de cd’s van deze Jonatan, leest hij niet alleen zijn boeken, draagt hij niet alleen zijn modieuze, dure kleren, maakt hij niet alleen foto’s met zijn camera, maar gebruikt hij ook diens identiteitskaart. Ook is Tweede persoon enkelvoud de Palestijnse Kreutzersonate. Net als in Tolstojs novelle wordt een hoofdpersoon (de advocaat) verteerd door (seksuele) jaloezie, gericht op (het verleden van) zijn vrouw. Kashua’s verhaallijnen en vertelperspectieven grijpen door het Kreutzersonate-motief ingenieus in elkaar. Ooit heeft de echtgenote van de advocaat, nu een tuttige huismoeder die zorg draagt voor de gewenste statusverhogende lifestyle, een vrijpostig briefje gestuurd aan een medestudent, en dat briefje valt uit het boek dat de advocaat van zijn geliefde tweedehandsboekhandel betrokken heeft: De Kreutzersonate. De naam van de vorige eigenaar staat er nog in: Jonatan. In Kashua’s spannende, plotgedreven roman leidt deze vondst tot onleefbare hersenspinsels bij de advocaat.
Salondebatjes
Dat Kashua een vernuftig en strategisch verteller is, blijkt aan het slot van het eerste hoofdstuk, wanneer dat briefje gevonden is. In de voorgaande beschrijving van het leven van de advocaat blijft Kashua zijn personage dicht op de huid zitten, gedetailleerd en beschrijvend. Die stijl heeft hij nodig omdat de assimilatie van een minderheid in een dominante cultuur – ambitieuze Palestijnen in Israël – zich juist via dat microperspectief openbaart. De advocaat wil leven als de Joodse burgers van Israël, dus eet hij sushi en drinkt hij whisky. Maar tegelijk wil hij niet onderdoen voor zijn Palestijnse vriendenkring, bestaande uit economen, advocaten, accountants, universitair docenten. Dús moet hij een nog zwaardere Mercedes kopen, terwijl hij eigenlijk verlangt naar een Mazda-middenklasser, een auto die Joodse Israëli’s kopen; die hebben anders dan hij niks te bewijzen. Zelden is de struggle for the high life schuimender verbeeld.
Kashua’s inzet van ironie is in vergelijking daarmee geraffineerder. Hij portretteert deze kring van Palestijnen die het gemaakt hebben als pummels met poen, voor wie onderwerpen als de Arabische identiteit en achterstelling van Palestijnen als tweederangsburgers door Israëlische instanties, tot salondebatjes zijn verworden. Met de mond belijden ze fel hun engagement, maar het moet niet langer duren dan vijf minuten.
Oprechter is de leesdrang van de advocaat. Hij beseft dat het hem als eerste-generatie-academicus aan beschaving schort en hij probeert zich te ontwikkelen door te lezen. Valt nu juist uit een boek dat briefje, dat in één haal het vernis schraapt van de barbaar in hem. Zo geassimileerd blijkt hij niet. Opeens ziet hij zijn vrouw in een ander licht; ze is een ‘hoer’ en hij staat direct met een mes naast haar bed. Daarmee belichaamt hij wat Amier op de kunstacademie – waar hij (onder de naam Jonatan) wordt toegelaten – van zijn Israëlische medestudenten hoort over Arabieren: ‘Hun eer was heel belangrijk voor ze en in feite waren ze nergens anders mee bezig. Eer van alle mogelijke soort. Hun persoonlijke eer, hun nationale eer, de eer van hun godsdienst, hun familie-eer. Respecteerde je hun eer, dan was je redelijk safe. Ze waren middeleeuws, ook degenen die zichzelf voor verlicht hielden.’
Het verfrissende is dat Kashua zich nergens in deze roman over problematiek waarbij de gestolde denkbeelden voor het oprapen liggen, bezondigt aan zulke amuzische, schreeuwerige gemeenplaatsen. Zo komt Amier erachter dat hij juist op die politiek-correcte kunstacademie geen voorkeursbehandeling geniet als hij zich inschrijft met Jonatans Joodse, Asjkenazische achternaam. Daarentegen worden Arabieren daar omwille van positieve discriminatie direct aangenomen.
De kracht van Kashua’s roman is de achteloosheid waarmee verteld lijkt. Door die lichte blik op het menselijk, al te menselijk gewoel dat zijn personages gijzelt, brengt hij al die zware, goedbedoelde maar vaak versleten onderwerpen als assimilatie en identiteit, waarvoor je gewoonlijk een straatje om zou gaan, spelenderwijs en onderhoudend voor het voetlicht. Neem de verborgen symboliek in de identiteitsverwisseling tussen Jonatan en Amier. Het is natuurlijk saillant dat Jonatan, een jongen die alles mee had, ontwikkeld was, gezien werd als de bloem der natie, klaar om zijn dienstplicht te gaan vervullen, zichzelf ophangt. De echte vitaliteit schuilt in Amier die zich na het beluisteren van Jonatans Sonic Youth-cd’s verliest in Het dikke schrift van Agota Kristof. Via de literatuur komt hij niet alleen andermans leven, geschiedenis, identiteit binnen, zelfs kan hij zich die daardoor toe-eigenen en een bestaan naar zijn keuze leiden. Zoals de lezer door Kashua’s roman verrijkt wordt.
Sayed Kashua, ‘Tweede persoon enkelvoud’, vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt, Anthos, 304 p., € 20,95




Pingback: Onbarmhartig Jaar (Boekenlijst deel 3) | jezzebel