Liefde heeft geen hersens- Mensje van Keulen
door Jeroen Vullings
Feilloos weet Mensje van Keulen in haar nieuwe roman weer het geweld en het stil verdriet achter het zogenaamde gewone leven te vangen.
Het enige dat expliciet is in Mensje van Keulens nieuwe roman is de titel. Die staat al in de eerste zin: ‘Liefde heeft geen hersens’. Een uitdrukking die fiks herhaald zal worden in het verhaal, opdat we blijven beseffen door welke animale driften de mens gestuurd wordt in Van Keulens alledaagse horrorwereld.
Direct brengt Van Keulen ons na die eerste zin, met een paar elegante pennenstreken, in de sfeer van Maria Callas, vergane glorie, boudoir en Puccini’s vissi d’arte. We bevinden ons in het Haagse appartement van de hoogbejaarde ballerina Irma. Den Haag, weten we van de literair verwante schrijver Helga Ruebsamen, is niet alleen schone schittering, betere klassen, parelkettingen om de rimpelnekjes en tempo doeloe, maar ook de heffe des volks en kleine lieden met dienende, uitvoerende beroepen. Misdaad loert er, iele laaghartigheid. Illusies stranden er op prozaïsche realiteit. Dat zit al in de voornaam van de jonge weduwe die in de eerste scène haar opwachting maakt in het appartement van buurvrouw Irma. ‘Romy’ heet ze, naar Romy Schneider. Inderdaad, de filmdiva ‘Sissy’ met het akelige levenseinde: eerst haar op een hek gespietste zoontje, daarna de zelfmoord met slaapmiddelen. Dat lot wordt gememoreerd in Liefde heeft geen hersens, maar eigenlijk hoeft dat niet. Want Van Keulens gave is juist dat ze omspelend kan schrijven, via een detail dat een wereld oproept.
Neiging tot stalken
Romy werkt bij een uitvaartcentrum als juffrouw van de koffie en cake, maar ook heeft ze als bijbeunende werkster wat ‘adresjes’, zoals bij Irma. Irma zal de hele roman geen kik geven, want ze is morsdood. Wat doet een normaal geacht mens bij het aantreffen van zo’n ontslapene? Naaste familie en de huisarts bellen. Romy niet. Ze schrikt van de uitdrukking van de dode en vermoedt moord. ‘Ik kijk niet in een rustig gezicht met oude, vertrouwde trekken. Het is niet eens een leeg gezicht, het is een gezicht waarop, als in een kramp, ontzetting is achtergebleven.’ Romy herinnert zich dat Irma eerder klaagde over waardeobjecten die uit haar huis verdwenen en verdenkt direct haar eigen zoon. Dus gaat ze het lijk wat opkalefateren (‘Het akelige zit hem vooral in de tong die achter de tanden bolt’) en na haar handelingen lijkt het of Irma is gestikt in een boterham.
Beetje raar, op zijn minst. Maar er komt nu eenmaal geen normaal mens voor bij Van Keulen. De grand guignol is bij haar juist verankerd in dat wat als ‘het gewone leven’ aangeduid wordt. Niemand, krijgen we onnadrukkelijk ingeprent, is helemaal te doorzien, aan iedereen is wel een (vaak grote) steek los. Dat is een rode draad in haar heerlijke oeuvre, dat inzet met een snackbargast die een pan kokend frituurvet over zich gestort krijgt en in Liefde heeft geen hersens verrijkt wordt met een stel kleurrijke gestoorden en zonderlingen.
Zo is er een huismeester Harro, die nog bij zijn oude moeder woont en ook verder erg lijkt op Norman Bates uit Hitchcocks Psycho. Er is behoorlijk wat met hem mis, krijgen we snel door. Maar wat precies horen we niet. Het blijft bij suggestie, ontvlamd door een welgekozen detail, een losse halve opmerking. Er was een eerdere vrouw in Harro’s bestaan, horen we. Die heeft als aandenken aan hem een litteken bij haar sleutelbeen, vernemen we. Hoe dat precies zat, blijft in het ongewisse. Maar genoeg om door te hebben dat Harro een engerd is, die al die zelfgestelde regels en rituelen in zijn bestaan vermoedelijk nodig heeft om zich in toom te houden. Dan zwijg ik nog over zijn neiging tot stalken van zijn liefdesobject.
Zo suggestief gaat Van Keulen over de gehele linie te werk in Liefde heeft geen hersens – en dat werkt. De spanning neemt daardoor almaar toe. Daar blijft het niet bij. Want doordat we, door het gebruik van virtuoos geschreven gedachtestromen en monologen, in de levens van haar personages gezogen worden, wordt die spanning zo algeheel dat ze de vorm krijgt van extreme geladenheid. Alles gaat er dan toe doen, alles en iedereen wordt van belang. Het doet er op een gegeven ogenblik niet meer toe of en door wie Irma aan haar eind geholpen is, want tegelijkertijd volgen we die griezel Harro in zijn toenadering tot Romy; willen we weten hoe het zit met Romy’s dochter en haar groezelige obese vriend; zijn we benieuwd wat Romy’s gekwelde, biseksuele zoon van zijn leven maakt. Bovendien: waar is Irma’s kat Freddie gebleven? En is Romy’s nieuwe vlam Eric niet iets té perfect?
Bruine botten
Over de kracht van Van Keulens details moeten we niet te licht denken. Daaruit blijkt haar messcherpe oog voor de gruwel van het kleinburgerlijke bestaan. Zelfs in een onschuldige alinea blijft mijn blik haken aan een bankstel dat met plastic afgedekt gehouden werd, ‘waardoor je blote benen zich in de zomer met een zuigend geluid moesten lostrekken’. De lucht van te gare spruitjes bereikt ons direct.
Van Keulen wendt haar details ook aan om de twee andere pijlers in haar proza gestalte te geven: haar carveriaanse psychologisch inzicht in menselijke verhoudingen en haar fascinatie voor gothic morbiditeiten. Eerst over dat laatste: als een decor dan ook nog een begrafenisonderneming is, weet je: Van Keulen gaat los. Helemáál. We lezen over een lichaam dat bij het cremeren omhoog springt, ‘toen de oven van 800 naar 1000 graden werd opgestookt’. We komen te weten dat bij het ruimen van de graven de restanten in de ‘bottenkuil’ belanden: ‘Bruine botten, flarden kleding er nog om.’ Ook komen we op het uitvaartcentrum uiteraard nog een necrofiele werknemer tegen – in Herodotus’ Historiën komt op zo’n plek al zo’n liefhebber voor.
De roes van het lezen
Ik verwees net naar Raymond Carver, een auteur die in Van Keulens proza bij uitstek goedkeurend meekijkt als ze stil verdriet voor het voetlicht brengt. In haar nieuwe roman blijkt dat vooral uit de herinneringen aan het huiselijk geweld dat Romy ondervond. Weer doet een enkel detail het ware gruwelwerk: ‘een pannenlap in mijn mond gepropt’.
Als gezegd: normale mensen tref je niet aan bij Van Keulen. Op zich is dat niet bijzonder. Het afwijkende, het ongewone en het ongeluk vullen de reageerbuis waaruit literatuur opborrelt. Bijzonder is wel dat Van Keulen van haar beschadigde en/of krankzinnige personages zulke wezens van vlees en bloed weet te maken dat we ze tijdens de roes van het lezen voor alleszins normaal verslijten. Die illusie roept Van Keulen bewust op: haar proza leest als een groot nee tegen het veroordelen van de medemens.
Met die schrijversbril op is de wereld een zee om uit te drinken, een onuitputtelijke bron. Elk detail telt, zo bezien. Zoals die op de begrafenis van een beroemde acteur: ‘Bier’, roept een zware stem. ‘Waar is het bier? Waarom is er geen bier?’ Wie elk detail zo belaadt, maakt van het schrijven een waagstuk, een avontuur met een hoge risicofactor: zit je er eens een keertje naast, is een uitdrukking niet in character genoeg, dan valt dat opeens nadrukkelijk op. Perfectie is zo vrijwel onhaalbaar. Maar wel bewonderenswaardige bijna-perfectie, zoals Van Keulen weer zo achteloos laat zien in deze prachtige roman.




Pingback: en de AKO 2012 goes to … to … M | The Sausage Machine
Pingback: Recensie: Mensje van Keulen - Liefde heeft geen hersens | Ranking the Books