Schrijver Peter Terrin: ‘Zulk verdriet knauwt aan je’

door

Aan de voet van de Ardennen vertelt Peter Terrin over het noodlot dat zijn dochtertje trof en de kracht van het schrijven.

‘Wat er gebeurd is met mijn dochter heeft me totaal veranderd’. Foto: Wouter Vandenbrink

Het regent en de eerste glimpen van Herzele, aan de voet van de Vlaamse Ardennen, doen mistroostig aan. Zo’n half uur rijden van Brussel en twintig minuten van Gent oogt het als een slaapstadje waar de forensen ‘s avonds naar terugkeren. In de lange Stationsstraat is Judoclub Herzele gevestigd, met naast de deur een Stella Artois-vignet. Dicht, uiteraard. Niemand op straat. Uitgestorven, lijkt het.

Schijn bedriegt, want opeens is daar een kleine straat met half vrijstaande villa’s. In een daarvan staat iemand achter het raam: Peter Terrin (1968), de schrijver van twee verhalenbundels en vier romans die geleidelijk aan erkenning winnen. Zijn voorlaatste roman De bewaker werd genomineerd voor de Libris Literatuur­prijs 2010. De drukproeven van zijn nieuwste, Post mortem, heb ik in de tas.

Terrin is alleen thuis. Zijn vrouw is naar haar werk (‘iets belangrijks en ingewikkelds in human resources‘), en vrolijk verspreid speelgoed herinnert aan zijn eveneens afwezige dochter en zoontje. De bebrilde schrijver combineert een corduroy jasje met das. Hier en daar is een typemachine opgesteld, uit Terrins collectie antieke maar functionerende exemplaren. ‘Hermansiaan in Herzele,’ zeg ik hardop, want de geest van W.F. Hermans is vaardig over Terrins proza en zijn uiterlijk en parafernalia reminisceren vervlogen jaren.

Er staan veertig mechanische typemachines verspreid door het huis, vertelt Terrin. Ook van het model en merk dat Hermans gebruikte: Underwood. Een verzamelaar mag ik hem desondanks niet noemen. Voorwaarde is dat de machines het nog doen, zegt hij. Er blijkt terdege nagedacht over de keuze voor zulke archaïsche apparatuur in deze tijden van internet en steeds nieuwere media. ‘Het internet is de sigaret van vroeger,’ verklaart Terrin. ‘Dan had je twee zinnen geschreven en mocht je een sigaret. Nu surf je na een paar zinnen naar een ontspannende site. Dat kost veel te veel tijd. Er komt geen computer in mijn werkkamer. Niet meer.’

Een ‘wandelinterview’ had Terrin voorgesteld in het emailverkeer dat tot deze afspraak deepdown Herzele leidde. Via zijn grote achtertuin stap je daar tenslotte direct in de natuur. ‘Heb je nog ander schoeisel bij je?’ vraagt hij, met een blik op mijn stadse cowboylaarzen, die mij die ochtend nog expeditiebestendig voorkwamen. Zelf stapt hij in zware bergschoenen met enorme profielzolen. Een lederen jack en vooral een verrekijker voltooien de uitmonstering. Terrin is een vogelaar. Uren achtereen brengt hij gewoonlijk wandelend door. En denkend. Alle problemen die hij ondervindt bij het schrijven, of het nu gaat om technische kwesties of hele verhaallijnen, verdwijnen tijdens die eenzame tochten. Je komt hier nooit iemand tegen, zegt hij. De natuur was de reden om naar Herzele te verhuizen. ‘Ik ben opgegroeid in de West-Vlaamse polder. Na vijftien jaar in Gent was ik klaar met het stadsleven, van de ene op de andere dag. In 2006 verhuisden we hiernaartoe.’

Daar lopen we dan, door een weiland. Een route voor beginners, tamelijk kort en niet door het ruigste terrein, deelt hij geruststellend mee.

Epifanie

Mijn opmerking over W.F. Hermans heeft iets aangeboord bij Terrin. ‘Ik heb veel te danken aan Hermans. Eigenlijk alles. Ik zat in Engeland, op een hotelkamer in Londen, ik was drieëntwintig en ik verkocht in dienst van een Kortrijkse firma marmer aan Engelse architecten. Ik kon me ‘s avonds niet blijven bezatten op die hotelkamer, dus greep ik naar een boek dat ik van een vriend had gekregen. Een boek lezen deed ik voor het laatst toen ik een jaar of veertien, vijftien was. Je hebt jongens die als puber al weten dat ze dokter willen worden of architect. Ik wist helemaal niks. Mijn ouders zijn bescheiden mensen. Ze hebben altijd in de fabriek gewerkt en ze lieten mij, omdat ze het ook niet wisten, mijn eigen keuzes maken. Op school was ik goed in wiskunde en scheikunde, dus was ik in de ogen van anderen voorbestemd om ingenieur te worden.

Op mijn achttiende ging ik studeren in Kortrijk. Dat was toen een grauwe stad en daar ben ik door drank en liefdesperikelen het spoor bijster geraakt. Mijn leven was een rommeltje, ik was letterlijk de weg kwijt. Ik brak die ingenieursstudie af en omdat mijn ouders vonden dat ik een diploma moest hebben, ging ik aan de Hogeschool van Gent toegepaste communicatie studeren. Daar kon je, wist ik van een vriend, in twee jaar een diploma halen zonder iets noemenswaardig uit te voeren. Dat lukte. Daarna deed ik van alles: verzekeringen verkocht; in de reclame gezeten; bij een juwelier gewerkt. Ik was doodongelukkig, dat was de slotsom. Niet op mijn plaats.

Ik begon die avond in mijn hotelkamer aan De donkere kamer van Damokles en ik kon niet meer ophouden. De volgende ochtend om zes uur belde ik mijn werkgever uit bed om ontslag te nemen. Dat boek heeft mijn leven veranderd. Het was de eerste keer dat ik voelde dat er nog iemand op aarde rondliep – Hermans leefde nog in 1991 – die de wereld op dezelfde manier ervaart als ik. Het was een epifanie. Ik kwam thuis in de literatuur, door Hermans’ proza. Schrijven wilde ik. En ja, ik schreef een boek, getiteld Wachten op de vorst. In twee maanden tijd. Op luchtpostpapier, met een potloodje. Het ging over mijn leven, ik dacht dat dat interessant zou zijn. Na drie maanden wist ik beter, ik heb het vernietigd, verbrand. Het was zo onwaarschijnlijk slecht.’

Het is gaan motregenen. We betreden een golvend bospad. Terrin zet de kijker aan zijn ogen en tuurt nog even achterom, ver over de akkers. Geen vogel te zien. Hij vertelt verder: ‘Ik zag in dat ik

‘Ik kwam thuis in de literatuur, door Hermans’ proza’. Foto: Wouter Vandenbrink

bescheiden moest beginnen. Met korte verhalen. Hermans’ voorbeeld was onhaalbaar voor me. Hij was, bij wijze van spreken, honderd keer slimmer dan ik en kon duizend keer beter schrijven. Hoe kon ik mij in godsnaam aan hem spiegelen? Dus las ik verhalen, van Tsjechov, en vooral van de Amerikanen, Raymond Carver voorop. In de loop van vijf jaar heb ik zo’n vijftig verhalen geschreven. Ik won een verhalenwedstrijd en op grond daarvan diende een uitgever zich aan. In totaal heb ik dertien jaar in de horeca gewerkt om te kunnen schrijven – tot 2005. Ik wou geen serieus werk, ik wou werken, thuiskomen en alles vergeten. Ik werkte als barman van vrijdagavond tot en met zondagavond, non-stop. De maandag moest ik daar dan van bijkomen, maar daarna had ik vier dagen om te schrijven.’

Het is harder gaan regenen en de grond neemt de kleur aan van de grijze lucht. Terrin lijkt in zijn element. Met geoefende tred omzeilt hij in het almaar zompiger wordende bos kuilen en ander ongerief. Een gezonde berggeit doet het hem niet na. Ik daarentegen dreig dramatisch achterop te raken en probeer mij gekromd als een kobold staande te houden in die drassigheid. Hoogste tijd dus voor een vraag over zijn ingenieuze roman Post Mortem. Daarin schrijft een onbekende schrijver over een op hem lijkende beroemde schrijver, om het werk van een latere biograaf te bemoeilijken. Maar dat plan wordt gesaboteerd door de rauwe realiteit die zich aandient: zijn dochtertje van bijna vier valt ten prooi aan een mysterieuze ziekte.

Uw nieuwe roman verschilt hemelsbreed van uw vorige roman De bewaker, over twee mannen in een claustrofobische ondergrondse ruimte waar bijna niks voorvalt. Was De bewaker een eindpunt?

‘Thematisch wel,’ beaamt Terrin. ‘Maar ik kreeg het idee voor Post Mortem halverwege het schrijven van De bewaker. Op 20 mei 2008, om precies te zijn. Een blikseminslag, in enkele minuten tijd zag ik de hele roman voor mij. Net als mijn hoofdpersoon, de schrijver Emiel Steegman, kreeg ik dat idee onder de douche. Ik had daarvoor een mailtje gestuurd om mij af te melden voor een literaire bijeenkomst en ik had daarin het suggestieve zinnetje gebruikt: “Wegens nogal moeilijke tijden in de familie”.

Tijdens het douchen dacht ik: stel dat ooit een biograaf dat leest, dan gaat hij op zoek naar wat er in die periode gebeurd moet zijn. Biografieën moeten tegenwoordig iets onthullen, dus komt hij aan met een verhaal dat niet de waarheid is, want er ís helemaal niks gebeurd. Toen dacht ik: stel dat ik morgen sterf, welk verhaal zal mijn dochter van vier, die nauwelijks herinneringen aan haar vader zal hebben, later te horen krijgen? Datzelfde laat ik in Post Mortem de schrijver Steegman allemaal overkomen. Hij op zijn beurt bedenkt daarop een existentiële thriller – mijn oorspronkelijke idee – over een veel beroemdere schrijver die een fobie voor zijn eigen biografie ontwikkelt. Omdat die biografie tot zijn oeuvre zal gaan behoren en het enige boek zal zijn waar hij geen controle over heeft. Daarom probeert hij invloed uit te oefenen op hoe er later over hem gedacht zal worden, hoe hij herinnerd zal worden.’

Het hoost. Omdat ik daarnet een doodsmak maakte die ternauwernood gestopt werd door Terrin, houden we aan de bosrand stil onder een poreus bladerdek. Terrin stopt zijn bril in zijn binnenzak. We wachten en hij spreekt. Zich bijna verexcuserend: ‘Voor Post Mortem paste het nu eenmaal om gegevens te gebruiken uit mijn persoonlijke leven. Terwijl ik mij voorstelde hoe het was om voortijdig te sterven, voltrok zich, volkomen onverwacht, het noodlot thuis – met Renée, mijn dochtertje van bijna vier. Wat er gebeurd is met mijn dochter heeft me totaal veranderd.’

Dat bijna documentair opgetekende verhaal staat in het tweede, uiterst aangrijpende deel van Post Mortem. Terrin verwijst ernaar met een zekere terughoudendheid. In zijn roman wordt dat verhaal over zijn dochter door een andere schrijver verteld en af en toe vergist Terrin zich tijdens het spreken in ‘hij’ en ‘ik’. De feiten: het meisje raakt op een partijtje, waar haar vader haar ophaalt, in trance. Ze wordt niet meer wakker. Ze kreunt wel. Een arts wordt gebeld, die verklaart: ik denk dat er weinig aan de hand is. Haar moeder arriveert, ze bestelt direct een ambulance. Een verlaagd bewustzijn wordt geconstateerd, verlammingsverschijnselen. Een MRI-scan toont dat Renée een zwaar infarct had. Wellicht veroorzaakt door een ontsteking op het belangrijkste bloedvat in het middengedeelte van haar linkerhersenhelft, waardoor de toevoer van bloed en daarmee zuurstof geblokkeerd werd. Ze wordt in een kunstmatige coma gebracht om alle hersenactiviteit stil te leggen, ze krijgt een sonde in haar schedel aangebracht. Ze verliest haar spraak en de rechterkant van haar lichaam blijft verlamd.

Ze heeft een zeldzame aandoening: in Europa zijn zestien gevallen bekend, in Canada en de Verenigde Staten samen drieëntwintig. Een auto-immuunziekte die in haar hersenen toesloeg. Bij een nieuw infarct, of dat nu is of over vijftien jaar, is het over en uit, stelt de specialist.

Inktzwart verdriet

In Post Mortem volgen we de ramp die Renée treft op de voet en leven we van moment tot moment mee met haar ouders. Terrin rept in dat verband van ‘de knauw van inktzwart verdriet’.

Hij zegt: ‘Dat schrijf ik in een scène twee dagen na aankomst in het ziekenhuis. Het verlies overvalt je, telkens opnieuw, het knauwt je: ik kreeg ‘s nachts een paniekaanval en toen heeft mijn vrouw mij niet doen stoppen met huilen. Ze heeft mij laten huilen. Pas toen besefte ik dat ik nooit voluit gehuild had, altijd was ik bezig dat gehuil terug te dringen, te stoppen. Ik liet mezelf gaan, ik verloor me in mijn verlies en dat voelde kort als winst. Zulke momenten op de rand van een gammel logeerbedje definiëren je als koppel. Je ziet het dikwijls: er overkomt mensen iets ergs en plotsklaps beseffen ze dat ze leven. Het is bijna een religieuze ervaring. Na wat er allemaal gebeurd is, gelet op hoe Renée revalideert en hoe we nu leven, ben ik een dankbaar mens geworden. En leef ik bewuster. De eerste periode ben je murw, maar wat helpt is tijd, tijd, en nog meer tijd. Ook voor haar, ze is langzaam aan weer ons meisje geworden. Mijn vrouw verdient een standbeeld, zij is de beste moeder die ik ooit heb meegemaakt. Klaar. Koppels groeien uit elkaar omdat ze anders omgaan met het verdriet. Bij ons is het omgekeerde gebeurd. Wij zijn vanaf het eerste ogenblik naar elkaar toegegroeid, we hebben ons aan elkaar vastgeklampt. Omdat we geen verdriet aan elkaar opdrongen, omdat we elkaar ruimte gaven. We zijn er sterk uitgekomen. We beseffen hoeveel geluk we hebben gehad. We spreken er niet zo veel over. Er zijn momenten dat het nodig is. Het was pijnlijk voor haar om Post Mortem te lezen. Al die details, al die gevoelens – van toen.’

Liet u het haar lezen toen u het schreef?

‘Toen het af was. Dat doe ik altijd, ik mag haar niet opzadelen met bepaalde beslissingen. Je moet flink genoeg zijn om je boek alleen te schrijven.’

De schrijver schrijft in Post Mortem naast Renées bed op de intensive care: ‘Het is een geweldige illusie: hoe meer ik schrijf, hoe beter Renée wordt. Haar redden door woorden op papier te slaan.’

‘Ze kende het geluid van mijn typemachine. Er was de hoop dat ze door zoiets vertrouwds te horen eerder zou herstellen. Ik zat te tikken naast haar.’

‘Alles wat ik zelf kan doen, doe ik het liefst zelf’. Foto: Wouter Vandenbrink

Ging dat wel toen, schrijven?

‘Dankzij Kamagurka. Het land verkeerde, net als bij jullie nu, in politieke crisis. Ik las de krant en daar stond een interview in met Kamagurka. Het ging over verlies. Hij vertelde dat zijn ex-vrouw bij een auto-ongeluk overleden was. Op die dag zelf nog is hij een schilderij gaan maken. Hij moest wérken. Waarom zou je, nu je dat juist het meest nodig hebt, niet doen wat elke dag je leven bepaalt? Dankzij Kamagurka besloot ik: vanaf nu schrijf ik alles op.’ Hij zwijgt, zegt dan zacht: ‘Steegman schrijft dat op, niet ik. Steegman is een betere schrijver, want wat hij op dat moment schrijft, heb ik niet gekund. Ik heb wel notities gemaakt, maar zo mooi schrijven als hij nu doet, is mij niet gelukt.’

Hoe keek u in die periode naar de fictie die u juist aan het schrijven was?

‘Ik was midden in het laatste deel van De bewaker toen dit gebeurde. Dat boek moest af en dat was niet makkelijk. Die rituelen van die twee mannen in die kelder hebben een religieuze kant. Aan het eind van het boek komt Michel thuis, in zijn kelder waar alles bekend is. Voor hem is dat genoeg, hij is tevreden. Mijn boeken hebben altijd een gelukkig einde: voor de hoofdpersonen, misschien niet voor de lezers. Ik geef ze vrede, acceptatie van hun lot.’

Beschouwt u het einde van Post Mortem ook als gelukkig?

‘Helemaal in het begin van mijn roman laat ik mijn hoofdpersoon aan de uitspraak van een beroemde collega denken, een Mulisch-achtige auteur die zegt dat een schrijver iemand is die de wereld naar zijn hand zet. Dat is de ambitie. In het eerste, meer ironische deel toon ik het effect van de werkelijkheid op de fictie in het alledaagse bestaan van een marginale schrijver. Hij raakt begeesterd door zijn idee voor een nieuwe roman. Tot hij in het tweede deel, waarin het noodlot Renée treft, hardhandig uit zijn fictie gerukt wordt en ontregeld achterblijft. In het hoopgevende slotdeel toon ik dan omgekeerd het effect van fictie, van de roman die hij alsnog geschreven blijkt te hebben, op de realiteit.

Als een alchemist wilde ik in deze roman het onmogelijke doen: een toekomst scheppen waarin Renée haar vader overleeft, waarin zij alweer een stuk ouder is. Misschien heb ik daarmee een verzoek ingediend bij God. Als er iets gebeurt met je kind is je eerste gedachte: het had mij moeten overkomen. Ik ben bereid – het is iets vanzelfsprekends, dierlijks, intuïtiefs – om haar plaats in te nemen.’

Steegman legt zich op om in die wanhopige omstandigheden niet te bidden. Hoe zit dat?

‘Bidden is sjacheren, een ruilhandel voeren met God: als jij dit, dan ik dat. Maar ik denk dat Steegman dat niet volhoudt.’

Beschouwt u deze nadrukkelijk literaire vorm, het vernuftige spel met uw autobiografie en met de schrijver(s) in uw roman, als de enige manier waarop het verhaal van uw dochter ter perse mag gaan?

Stellig: ‘Er was geen andere manier, het diende zich zo aan. Ik besloot niet zelf de thriller te schrijven die ik al in mijn hoofd had, maar de laag Steegman toe te voegen. Alles klopte. Het had geen zin een tweede Schaduwkind te schrijven, P.F. Thoméses non-fictieverhaal over zijn jonggestorven dochtertje. Toch wou ik het vertellen. Als ik morgen sterf, dacht ik, dan heeft Renée tenminste dit boek dat ze later kan lezen. Over hoe groot mijn liefde voor haar is. Over mijn liefde voor de literatuur. Ik wil dat ze dat weet als ik verdwenen ben. Daarom ben ik zo opgelucht dat ik Post Mortem geschreven heb.’

We zijn doornat en lopen verder. ‘Vlaamser wordt het niet,’ zegt hij met een blik op de beregende, omgeploegde akkers tot in de verte, een vergezicht van grijze aardklonten. Lyrisch: ‘Hoe mooi: de lange, oplichtende regensluiers boven het golvende landschap. Lenteregen, bovendien, fris als een huis gepoetst door een beeldschone, frisse werkster…’ Hij kijkt of zijn verzopen interviewer reageert op deze tersluikse zinspeling op zijn roman, waarin zijn hoofdpersoon droomt van zo’n uitzonderlijke werkster. En zegt dan berustend: ‘Zo gaan we aan de koffie met cognac.’

De schrijver bleek een vooruitziende blik te hebben gehad. Twee handdoekjes, keurig opgevouwen, liggen reeds op de trap op ons te wachten. Terrin kijkt grondig naar buiten, richting buren. Er is niemand te zien. Toch kan ik het niet laten te denken aan omschrijvingen in Post Mortem als deze, over een buurman: ‘de verharde, maar vooral langwerpige tepels die bij elke beweging van François als lusteloze slurfjes aan zijn stoere borst bengelden’. En deze, over een andere buur: ‘een man, altijd mannen, met een slijmerig draadje van oud speeksel tussen boven- en onderlip, dat almaar afbreekt, zich viezig ophoopt in de vochtige bedding, tot de volgende b, p of m weer contact maakt met de overkant.’

Kunnen uw buren wel onderscheid maken tussen fictie en werkelijkheid in wat er in Post Mortem over hen gezegd wordt?

‘Ik hoop van wel. Maar ik geloof niet dat ze mijn boeken lezen. Hoe is het met je boek, vragen ze af en toe beleefd. Er is ook iets heel raars gaande tussen Vlaanderen en Peter Terrin. Ik pas hier niet in het plaatje, denk ik soms. In Nederland word ik doorgaans lovender gerecenseerd. Maar nog steeds is het geen vetpot en droom ik van de aanschaf van een Porsche uit de jaren zeventig, waarin ik met mijn bevallige vrouw tochtjes kan gaan maken.’ Lacht: ‘Ik heb nu stilaan de leeftijd voor zo’n burgerlijke droom.’ Dan: ‘Voor De bewaker is mij wel een belangrijke, maar bij het grote publiek betrekkelijk onbekende prijs toegekend: de European Union Prize for Literature 2010. Dat is een prijs van de Europese Unie die driejaarlijks door ieder unieland wordt uitgereikt. Ik heb dus, volgens de jury, de beste Belgische roman geschreven in die periode. Daar val ik de buren beter niet mee lastig.’

Terrins cognac, van een uitgelezen merk, doet zegenrijk werk voor het verkilde karkas. Onderzetters dragen de schone glazen, in meedogenloze symmetrie. Misschien komt het door de plotselinge warmte, of het weldadige besef dat de ontberingen geleden zijn, maar opeens floept er zo’n verschrikkelijke psychologiserende vraag uit.

Uw controledrift, waar komt die vandaan?

Snel antwoordt Terrin: ‘Geen idee.’

Altijd gehad?

‘Alles wat ik zelf kan doen, doe ik het liefst zelf.’ Terrin gaat er toch voor zitten: ‘Dat is ook een breed maatschappelijk fenomeen. Werksters, postbodes, artsen, nog maar weinigen zijn trots op hun werk. Waarom zou een postbode niet trots mogen zijn op zijn werk? Je ziet ze uitgeblust rondrijden op hun fiets. Zet ze een kepie op, steek ze weer in een mooi uniform dat ze iedere dag moeten afborstelen alvorens fier de post bij de mensen af te leveren. Belangrijk werk.’

Wat zou u ooit los willen laten?

‘Het is al beter dan het was. Mijn vrouw heeft me daarbij geholpen. Ze is in staat de hoofdzaken van de bijzaken te onderscheiden. Als ik iets zou willen leren, dan dat.’

We sluiten af met Hermans, die de boekenkasten in de voorkamer domineert. Terrin vindt het curieus dat Hermans’ brieven, die hij bij leven niet wilde publiceren, nu toch verschijnen. Natuurlijk leest hij ze, maar het verbijstert hem dat de wens van de schrijver postuum niet de doorslag geeft, zeker bij zo’n ‘scrupuleuze vakman als Hermans’. Ook vermoedt hij dat aan Hermans’ inktzwart nihilisme een romantische ziel ten grondslag lag. ‘Iemand die zo prachtig, diepmenselijk schreef kan niet alleen maar verbitterd zijn geweest.’

Heeft u bij zijn leven nog een poging gedaan hem te ontmoeten?

‘Dat durfde ik niet. Ik was te jong. Hij zou mij op de proef hebben gesteld.’

Welk eigen boek zou u, als hij nu d’outre tombe aan tafel verschijnt, aan Hermans geven?

‘Ik wil daar nog tien jaar mee wachten. Ik wil mijzelf nog verbazen, ik wil meer durven, ik ben nu mans genoeg om op mijn bek te gaan, ik heb de veiligheidsriem losgemaakt en ik voel de sensatie van vrijheid. Benieuwd waar dat mij heen gaat voeren.’

Hermans vraagt: wat doet u voor de kost, meneer?

‘Ik zou misschien wel liegen.’
Peter Terrin, ‘Post Mortem’, De Arbeiderspers, 285 p., 19,95

Gepubliceerd op: | 4 Comments


  • Pingback: Peter Terrin wint de AKO Literatuurprijs 2012 | Boekendingen…

  • Frank

    Zelden lees ik een artikel van a tot z. Dit was een uitzondering. Ik kijk uit naar Kerstmis, niet voor de kunstmatige door ledlampjes en plastic bomen gemaakte sfeer, maar om verrast te worden door “Post Mortem” onder de Kerstboom. Tenminste als ik ondertussen zelf geen boekhandel voorbij loop…

  • http://www.facebook.com/klaas24 Klaas de Vries

    Heerlijk om zo’n artikel te lezen.
    Ik heb eerst het boek gelezen en was onder de indruk.
    Nu waardeer ik het nog meer.
    Dank.

  • Pingback: Peter Terrin – Post Mortem | leesvoeder

© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.