Tonio. Een requiemroman – A.F.Th. van der Heijden
door Jeroen Vullings
Een jaar geleden verloor A.F.Th. van der Heijden zijn enige kind. Nu is er ‘Tonio. Een requiemroman’. Zelden kwam de noodzaak om te schrijven zo pregnant voor het voetlicht.
Een hamerslag. Zo ervoer ik, direct na lezing, A.F.Th. van der Heijdens ‘requiemroman’ Tonio. Een hamerslag, omdat bij het omslaan van de laatste pagina de tijdens het lezen opgehoopte ontzetting geen tegenwicht meer vindt.
Op de achterflap wordt gesproken van een ‘zoektocht’ en ‘een radeloze queeste’ en die termen zijn heel letterlijk – dus nu eens niet zozeer als literaire toop – van toepassing.
Al in het begin van dit overweldigende verhaal, dit ‘ongeautoriseerde requiem’, valt het zinnetje: ‘Als het maar eenmaal op papier stond.’ Dat heeft betrekking op de wens van het ouderstel om hun pasgeboren zoon bij de burgerlijke stand in te schrijven als: Tonio Rotenstreich van der Heijden. Rotenstreich is de tot uitsterven gedoemde achternaam van Tonio’s moeder Mirjam en op deze manier, halfillegaal, alsof het om een tweede voornaam gaat, kan die naam behoed worden voor de vergetelheid. Dat is de gedachte, maar bij het loket waar aangifte gedaan moet worden, loopt het direct mis: vader Adri laat zich overdonderen door een gehaaide baliemedewerkster en staat voor hij het weet weer buiten. De jongen zal Tonio van der Heijden heten.
In bredere zin is dat zinnetje eveneens van toepassing op het gehele boek. Zelden kwam de noodzaak om te schrijven, de noodzaak om te vereeuwigen wat anders voorbijgaat en voorgoed verzinkt, zo pregnant voor het voetlicht als in dit boek dat A.F.Th. van der Heijden nooit had willen schrijven.
Een rauw verslag
Tonio is geen bezonken terugblik op de tragedie die zich in het leven van Adri en Mirjam van der Heijden voltrok: op de vroege ochtend van 23 mei 2010 werd hun enige kind Tonio geschept door een auto. Operaties mochten niet baten, hij overleed. Tonio vertelt het verdriet van binnenuit: van het moment dat de politie aanbelde tot kort na het plaatsen van de grafsteen, waarop staat: Tonio Rotenstreich van der Heijden.
De moeder huilt en huilt, als een dier. De vader schreeuwt innerlijk en op een gegeven moment ook voluit.
Al snel besluit hij over zijn zoon te gaan schrijven, omdat hij niet anders kan. ‘Het is schrijven over Tonio of niet schrijven – dat is geen kwestie van kiezen.’ Je kunt je afvragen waarom hij er niet voor kiest om niet te schrijven. Zelf voert hij aan dat hij daarmee een vroegere belofte aan Tonio gestand doet: op zijn achttiende zou Tonio een boekje met dagboekfragmenten krijgen over hem. Daar kwam destijds niets van, ook omdat Tonio lauw reageerde op dat geschenk. Ook constateert Van der Heijden in een superieure, beschouwende passage over het geheugen, dat zijn vrouw en hij hun herinneringen aan Tonio niet kunnen koesteren, zoals de uitdrukking gebiedt. Die herinneringen zijn aangetast door de dood die zijn leven op ‘Zwarte Pinksterdag’ afsneed. ‘De dood vervalst en ontwaart elke herinnering.’ Juist daarom is het zaak om Tonio’s te korte leven vast te leggen, nu het nog kan.
Begrijpelijk dus dat Van der Heijden niet de roman afmaakt waaraan hij werkte tot het noodlot zich binnen zijn leven wrikte, begrijpelijk dat hij niet anders kan dan over Tonio schrijven – alleen Tonio doet er nog toe. Maar de lezer beleeft in Tonio op een andere manier waarom Van der Heijden moet schrijven, waarom er geen andere keuze is. Tonio is een rauw verslag, vanuit de gevoelsverwarring, dicht bij de situatie. Van der Heijden, die zegt dat zijn enige eigenwaarde gevormd werd door zijn zoon, valt ten prooi aan zelfverwijten, schuldgevoel en schaamte: ‘Ik schaam me, ja, omdat ik mijn zoon kwijt ben. Ik schaam me, tegenover jou en de hele wereld, omdat ik zijn dood niet heb kunnen voorkomen. Ik heb gefaald.’
Op een gegeven moment slaagt hij erin, dankzij de afstand die het schrijven hem biedt, dankzij het strohalmpje rationaliteit dat hij zo tegen de oprukkende chaos kan inzetten, de gevoelens die hem overweldigen te inventariseren: opgejaagdheid, nervositeit, pijn, opstandigheid, schuldgevoel, trots, woede, gelatenheid, angst en het gevoel van een totale nederlaag. Hij spaart zichzelf niet: ‘In godsnaam, wat was er de zin en de betekenis van dat Mirjam en ik ruim eenentwintig jaar lang zo’n prachtige jongen in ons midden hadden gehad, een kind dat door z’n pure levenslust ons gezond en in leven hield, en dat wij nu afscheid moesten nemen van de zwaarst denkbare gehandicapte, met levensverwachting nul en verstandelijke vermogens tot nul teruggebracht? Al die jaren van trots op het mooie en slimme wezen dat wij samen hadden voortgebracht… uiteindelijk was het toch dit opgegeven wrak dat ik bij haar verwekt en dat zij voor ons gebaard had.’
Blijven denken
Tonio ontvouwt een wereld van magisch denken, van bezweringen, dwanggedachten. Het schrijven, hoezeer ook ontsproten aan het irrationele, is het enige wat Van der Heijden tegenover die chaos kan stellen. Wat hij eigenlijk doet in Tonio is hardop denken. Malen. Vertwijfeld redeneren. Maar: blijven denken. Die gedachten opschrijven.
Tonio’s passie was fotograferen en het is niet minder dan een ‘nader tot hem’ hoe Van der Heijden in zijn eerbetoon, gedenkschrift en viering van dit jonge leven fotografische technieken inzet. Hij zoomt in, focust – om via de lens en daarmee via de technische afstand die het gereedschap (dus ook: het schrijven) hem biedt eerdere situaties, van geluk en ongeluk, te bezien. Als geheel biedt het boek Tonio ook een verzameling snapshots op een ongrijpbaar fenomeen als verdriet, dat telkens van kleur verschiet, van vorm verandert. Die ‘ijskoude hel van verlies en verdriet’, zoals hij het noemt. Hij schrijft dat het verdriet bij Mirjam als een zwarte wolk naar binnen sloeg. Bij hem manifesteert het verdriet zich als een ‘stille, koude ontzetting’: ‘Bloed, tranen, overig lijfsvocht – alles leek, aan de oppervlakte onttrokken, mijn verkilde binnenste in geleid te worden, om daar te bevriezen.’
Zal het verdriet na zo’n gruwelijk verlies voorbijgaan, draaglijk worden, ooit? Van der Heijden knakt elke illusie: ‘De pijn om het verlies zal niet minder worden. Bij Mirjam niet, bij mij niet. In de loop van de jaren, tot aan onze dood, zal de pijn alleen maar toenemen.’
Toch eindigt Tonio niet in mineur. De slotzin is van het meisje Jenny – Tonio was vol van haar in zijn laatste dagen. Ze zegt, nadat ze op de drempel van zijn kamer is blijven staan om afscheid te nemen: ‘Ja, ik geloof echt dat de doden een bepaalde energie voor ons achterlaten.’ Dat sluit aan op een eerdere opmerking van Tonio: ‘Het draait allemaal om energie, Adri.’
Energie als tegenwicht voor het verdriet. Energie die ervoor zal zorgen dat Van der Heijden doorgaat met schrijven. Energie die deze bittere woorden zal logenstraffen: ‘Die roman komt er niet. Ik schrijf mijn boek over Tonio, en dan is het gedaan.’ Van der Heijden, die juist als geen ander het schijnbaar betekenisloze symbolisch weet te duiden in zijn oeuvre, toont zich ditmaal afkerig van de literaire spiegelingen, motieven, symbolen die hem treffen bij het overzien van Tonio’s bestaan. Maar toch vermeldt hij ze. Hij wilde een Tonio ‘van vlees en bloed’ componeren en dat lukte hem. In de enige taal die daarvoor geschikt is: de literatuur.







Pingback: Bert Altena » tonio
Pingback: Het nieuwe lezen « Bieb Blog Vlissingen
Pingback: Tonio: een must voor rouwbegeleiders | levenendood
Pingback: Recensie: A. F. Th. van der Heijden – Tonio. Een Requiemroman | Ranking the Books
Pingback: Onbarmhartig jaar (Boekenlijst deel 1) | jezzebel
Pingback: Of A. F. Th. van der Heijdens “Tonio” ook De Inktaap 2013 wint? | The Sausage Machine