‘On the Road’ in Cannes: niet geschikt voor onder de zestig

door

Met veel bombarie ging in Cannes ‘On the Road’ in première. Helaas is de film precies dat waar schrijver Jack Kerouac zich zestig jaar geleden tegen afzette.

In de verfilming zitten we veel te kort op de weg.

Jack Kerouac schreef de eerste versie van On the Road in drie weken in 1951. 125.000 woorden op een rol papier, die hij had gemaakt door vellen aan elkaar te plakken. Zo kon hij spontaneous prose schrijven, zonder te stoppen voor een nieuw vel papier. ‘Ik rolde hem uit op de vloer en hij leek op een weg,’ schreef Kerouac.

De verfilming van deze bijbel van de beatgeneratie door de Braziliaan Walter Salles is gebaseerd op deze scroll van 36,5 meter (en niet op de gepubliceerde versie uit 1957, die was bewerkt en gecensureerd). Als e-boek zou je hem zo kunnen uitgeven: zonder pagina’s, één doorlopende tekst, die je leest door te scrollen.

Dat zou de film ook moeten doen, scrollen: bewegen, vaart maken, onderweg zijn zonder te stoppen. Op papier was dit de roadmovie aller roadmovies. Op het scherm is daar bijna niets van over. Het was misschien al een veeg teken dat hij in première ging op het filmfestival van Cannes – waar auto’s stapvoets rijden; niet om ergens heen te gaan, maar om te laten zien dat je gearriveerd bent.

Gehakt

Dit is geen Easy Rider, geen ontdekking van het heilige Amerikaanse landschap, geen spirituele terugkeer naar de roots van natuur en vrijheid. Salles heeft alles in stukken gehakt. We zitten steeds veel te kort op de weg. We zitten in New York, in San Francisco, in New Orleans, in Mexico. En wéér zien we de blije hereniging aan de voordeur. Op die manier ondermijnt Salles de flow van het boek – een dodelijke benadering.

Een shot door de voorruit (zoals Kerouac de hele film voor zich zag, schreef hij in 1957 aan Marlon Brando) geeft soms even dat energieke gevoel on the road te zijn, op weg naar dat onbereikbare verdwijnpunt. Maar Salles snijdt ogenblikkelijk weer weg. Liever staat hij langs de kant van de weg voor een statisch plaatje, waar de auto doorheen rijdt. Zo gaat de roadmovie letterlijk aan hem voorbij. Wat rest, is een ansichtkaart, schilderachtige opnamen van een afstandelijk landschap. Geen onderdompeling.

Geen enkel personage komt intussen tot leven. Noch het magnetisme van Dean Moriarty (voor wie Kerouacs vriend Neal Cassady model stond) noch de chemie tussen hem en Sal Paradise (alter ego van Kerouac zelf) is voelbaar. Acteur Sam Riley, zo indrukwekkend in Anton Corbijns Control, doet nu weinig anders dan met grote ogen observeren. Kristen Stewart en Kirsten Dunst zijn weinig meer dan wilszwakke aanhangsels van Dean. De film schenkt veel aandacht aan diens lullige behandeling van vrouwen, die hij verleidt, bezwangert en verlaat. Old Bull Lee (gemodelleerd naar de schrijver William Burroughs) zegt tegen Sal: ‘Dean voelt zich tegenover niemand verantwoordelijk, maar vindt wel dat anderen hem wat verschuldigd zijn. Ik vind dat onnoemelijk onsmakelijk.’ En dat klopt: Dean is altijd in voor een feestje en dat is prettig als je, zoals Sal, uit jezelf weinig fut hebt. Maar hij is een vriend van niks. Als iemand hulp of steun nodig heeft, is Dean vertrokken. En Sal hobbelt achter hem aan. Pas als Sal zelf hulp nodig heeft en door Dean wordt verlaten, vindt hij het niet leuk meer. Het maakt ook Sal, op een passieve manier, ergerlijk egoïstisch. Terwijl het verhaal ook diepere, zinvoller vormen laat zien van de Zoektocht naar Waarheid en Vrijheid, in de personen van Old Bull Lee en Carlo Marx (schrijver Allen Ginsberg). Maar die volgt Sal niet. Sal volgt Dean.

Tamme uitspattingen

Los van Kerouacs prima idee van een roadmovie door de voorruit, had Salles meer mogelijkheden gehad voor een geslaagde verfilming. Hij had zich kunnen onderdompelen in de drank, drugs en feesten van het boek. Maar op een paar momenten na, zoals wanneer Marylou (Kristen Stewart) Dean en Sal tegelijk aftrekt, zijn de uitspattingen in de film nogal tam. Oké, ze nemen benzedrine, maar je merkt er weinig van: ze lachen wat, ze drinken, iemand heeft seks en dat is het dan. Dat soort feesten heb ik zelfs!

Beat Generation-feestje: regisseur Salles had zich ook hierin kunnen onderdompelen. Foto: John Cohen/Getty Images

Misschien dat een feestje dat in 2011 normaal lijkt, iets heel bijzonders was in 1949. Dat had Salles ook kunnen doen: zich concentreren op het verstikkende milieu van de jaren veertig waaraan de beatdichters wilden ontsnappen. Maar hij stipt het alleen maar aan: een flard op de radio over het Rode Gevaar, een enkele keer dat ze worden aangehouden en onterecht beboet, een brave burger die verbaasd opkijkt.

In plaats daarvan legt Salles de nadruk op hun gemis van een vader: die van Dean zwerft ergens door Denver en die van Sal sterft aan het begin van het verhaal. Kerouacs boek uit 1957 begint met: ‘Ik ontmoette Dean kort nadat mijn vrouw en ik gescheiden waren.’ Maar de film opent volgens de scroll uit 1951: ‘Ik ontmoette Dean kort na de dood van mijn vader.’

Zo wordt familie het overheersende thema, meer dan vrijheid of zelfontplooiing of verzet tegen consumentisme en conservatisme. En daardoor wordt de film juist conservatiever en commerciëler – familie is een oerwaarde van zowel Hollywood als conservatief Amerika.

Jazzsolo

In de film legt Dean aan Sal (dus Kerouac) uit wat It is, het mythische begrip dat samenbalt wat de beatgeneratie zocht. Hij vertelt hoe een jazzmuzikant rustig begint, het nummer opbouwt, varieert en dan op een bepaald moment It raakt. Je weet wat het is als je het hoort. Maar Salles volgt zelf die opbouw niet. In een jazzkelder toont hij alleen het einde van een solo, die hij bovendien laat faken door een acteur. Voor die scène had hij de tijd en had hij een echte jazzmuzikant moeten nemen. Dan had de film iets kunnen laten voelen van waar nu alleen over wordt gepraat. ‘Ik weet dat er geen goud is aan het einde van de regenboog,’ zegt Carlo Marx in de film. ‘Er is alleen stront en pis. Maar die kennis maakt me vrij.’ En ook die scène zet Salles, zoals de hele film, in een gouden gloed. Nergens ruik je in de film stront en pis, nergens voel je de vrijheid. Nergens vindt de film It.

Deze film had gemaakt moeten worden voor 2500 dollar door filmstudenten die met hun iPhone-camera door Amerika trekken, beginnen op de route van het boek en dan verdwalen en hun eigen On the Road vinden, met hun eigen lyrische taal, stuwende ritme en verzet tegen het consumentisme en conservatisme van het Amerika van vandaag. Een spontaneous film, een gevaarlijke film, voor jongeren van nu. Maar On the Road is gemaakt voor hun nostalgische grootouders, voor tienduizend keer zo veel geld. Het werk van Kerouac, die arm was toen hij On the Road schreef en arm was toen hij in 1969 stierf, is omarmd door de bovenklasse waartegen hij zich verzette. Als ultiem symbool ligt de originele scroll nu opgebaard in een glazen kist, waar alle stront en pis van af is gepoetst, in het Museum voor Brieven en Manuscripten in Parijs. Op uitleenbasis: in 2001 is hij gekocht door een Amerikaanse verzamelaar voor 2,4 miljoen dollar.

Gepubliceerd op: | 2 Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.