De kunst is decadent

door

Het Nederlandse volk liep niet te hoop toen het kabinet meedeelde dat het minder geld aan de kunsten wilde uitgeven. De directbetrokkenen en hun sympathisanten probeerden hun protest nog wel over het voetlicht te brengen, maar er was bijna niemand die van het besluit boven zijn theewater raakte.

Spotprent uit 1913 over een Schönberg-concert.

Indien regering en volksvertegenwoordiging een afspiegeling zijn van de humeuren van het Nederlandse volk, dan moet er in dit land weinig liefde voor de hedendaagse kunsten bestaan. Veel twintigste-eeuwse kunst, of het nu muziek, beeldende kunst, architectuur of literatuur is, laat het grote publiek koud. En het grote publiek, daar draait het vandaag de dag om. Sinds het dat doorheeft, laat het zich ook niet langer meer intimideren door de kunstvoorkeuren van vermeende elites en artistieke subculturen. Het ziet de hedendaagse kunsten door een goed opgeleide minderheid gekoesterd worden als een waardevol goed, dat ten koste van veel tegen barbarij, onverschilligheid en domheid moet worden verdedigd – bedoeld is uiteraard de barbarij, onverschilligheid en domheid van het grote publiek en hun woordvoerders. Die hebben inmiddels laten merken hoe ze over die kwalificaties denken.

Als auteur ben ik een directbetrokkene, de elites – of wat daar voor door moet gaan – vinden me daarom aan hun zijde, zij het schoorvoetend en niet zonder onbehagen.

Waarom? Niemand zal ontkennen dat de verhouding tussen publiek en kunsten problematisch is. De schuld daarvoor wordt gemakshalve bij het grote publiek gelegd en bij dat deel van de hoger opgeleiden dat hun heil elders heeft gezocht en aan grote delen van het kunstaanbod weinig boodschap meer schijnt te hebben. Is dat terecht?

Gideonsbende
Het was ooit zo hoopvol begonnen. In het begin van de vorige eeuw leefde onder een kleine, over heel Europa verspreide gideonsbende van ‘modernen’ het idee dat de kunsten dienstbaar konden zijn om een betere wereld tot stand te brengen. In Duitsland en Oostenrijk waren die denkbeelden gangbaarder dan in Frankrijk, ook een culturele grootmacht, maar voor Nederland woog Duitsland destijds zwaarder.

Aan de ene kant waren de vernieuwers radicalen die zich zowel politiek als artistiek tot de ‘avant-garde’ rekenden, een begrip dat ze van Lenin hadden geleend. Het verwees naar de samenleving als een voortmarcherend leger, waarvan zij de voorhoede waren die op nog onontgonnen terrein kwartier zou maken voor de nieuwe mens die in de hoofdmacht wachtte tot de klus geklaard was.

De opera Reconstructie (1969): de kunsten helpen mee de wereld rechtvaardiger en socialer te maken

Aan de andere kant waren het de spirituelen, de esoterici, de gelovigen, die eveneens een nieuwe beeld- en muziektaal voor de toekomstige mens zochten. Mondriaan liefhebberde in theosofische denkbeelden, evenals Arnold Schönberg. Madame Blavatsky en haar hofhouding werden door delen van de toenmalige elite nog serieus genomen. Bij de door Schönberg georganiseerde concerten was het, als in een kerkdienst, verboden te applaudisseren. De toekomst lonkte, de nieuwe mens diende zich aan. Links en rechts probeerde men al zijn contouren te schetsen. Ook in Duitsland, waar Arno Breker hem uit steen hakte, en in Italië, waar de toekomstige futurist en Mussolini-aanhanger Marinetti al eerder had verklaard dat ‘kunst (…) niets anders kan zijn dan geweld, wreedheid en onrecht’. Sterft, gij oude vormen!
Deze modernen bleven door de bank genomen een marginaal verschijnsel in het vooroorlogse kunstleven, dat zich nog steeds min of meer oriënteerde op de artistieke waarden die in de tweede helft van de negentiende eeuw waren ontstaan. Dat is een niet onbelangrijk detail, omdat het in onze tijd vaak lijkt of het belang van de modernen al in het Interbellum algemeen werd ingezien.

Walmend pitje
De Tweede Wereldoorlog zette een dikke streep door dit alles. De filosoof Adorno had in 1949 de wereld voorgehouden dat het na Auschwitz ‘barbaars’ was nog langer gedichten te schrijven. De romantische kunsttaal was tijdens de bruine furie besmet geraakt. Na 1945 probeerde men wel verder te gaan waar men was opgehouden, maar het heilig vuur van de heersende burgercultuur was door de verschrikkingen van de oorlog verschrompeld tot een walmend pitje.

In de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig werd het uitgeblazen door een generatie dichters en beeldend kunstenaars die later als de Vijftigers furore zou maken. Men voelde zich niet langer aangesproken door de burgercultuur met zijn hooggestemde negentiende-eeuwse waarden, maar wél door de vooroorlogse avant-garde, die, voor zover het de muziek betreft, door dezelfde Adorno was aanbevolen om nieuwe wegen in te slaan. Adorno’s opvattingen werden dan ook gebruikt om de naoorlogse moderne kunst te rechtvaardigen. Het grootste deel van de beeldend kunstenaars, componisten, schrijvers en anderen had hier echter weinig of geen belangstelling voor. Wat de modernen ooit tot hun breuk met het verleden had gebracht, was voor hen geschiedenis. Voor hen telde alleen de esthetische vernieuwing die het had opgeleverd. Het ethos van de kunst kon hen niet zo veel schelen.

Wat men zag of hoorde werd door kenners niet langer als ‘mooi’ betiteld

Academisme
In de jaren zestig en zeventig keerden de hooggestemde bedoelingen terug, al strookten die nauwelijks met de opvattingen van de avant-garde van vroeger. De kunsten zouden nu meehelpen de wereld rechtvaardiger en socialer te maken. In de jaren zeventig werd er dan ook een natuurlijk verbond verondersteld van arbeiders, studenten en kunstenaars. Hoogtepunt was de opera Reconstructie, geschreven door een collectief van dichters en componisten.

Joseph Beuys, Slee #6 (1969)

Na verloop van tijd kregen de naoorlogse radicalen – anders dan hun voorgangers uit het Interbellum – een dominante positie in de wereld van de hedendaagse kunsten. Toen het stof van de jaren zeventig was gedaald, hadden ze blijvend voet aan de grond gekregen in kunstacademies, architectenopleidingen, conservatoria en in de academische wereld, waar ze hun denkbeelden tot op de dag van vandaag uitdragen. In de architectuur en de muziek werden de regels wat strakker gehandhaafd dan in de beeldende kunst, maar die kwam op haar beurt geleidelijk onder curatele te staan van een cohort aan kunstuitleggers, tentoonstellingsmakers, curatoren en verzamelaars als Saatchi, die zich tegenwoordig niet zelden gewichtiger wanen dan de beeldend kunstenaars.

De vooroorlogse radicale traditie en haar naoorlogse vervolg werd min of meer verplichte stof aan de opleidingen, met als uiteindelijk resultaat conformisme en middelmaat, met andere woorden: academisme. Wat men zag of hoorde werd door kenners niet langer als ‘mooi’ betiteld – dat bijvoeglijk naamwoord hoorde bij de wereld van gisteren – maar als ‘interessant’, alsof het werk in kwestie een belofte inhoudt die het nog niet heeft vervuld. Misschien is het een herinnering aan het oude verlangen naar een nieuwe universele taal, een taal die er tot op de dag van vandaag nog steeds niet is.

Heroïsche voorhoede
Ook de naoorlogse avant-garde was in navolging van zijn vooroorlogse voorganger diep het veld ingetrokken en wachtte daar tot de hoofdmacht – het publiek – zich bij hem zou voegen. Dit was de periode van de fundamentele schilderkunst, het vet van Beuys en in de muziek het overgeorganiseerde serialisme van Boulez, de aleatoriek, het helikopterstrijkkwartet van Stockhausen. Maar de hoofdmacht bleef zitten waar hij zat, waardoor de voorhoede, alleen gelaten, narcistisch zichzelf tot zijn publiek maakte.

Door te wijzen op hun heroïsche voorhoederol in een wereld waarin het vooruitgangsdenken hoog stond aangeschreven – ‘Experiment!’ ‘Vernieuwing!’ – en de onwetendheid van de buitenstaander wisten de kunsten de overheden en goedwillenden nog lang te intimideren. Intussen had het grote publiek voor zijn kunstzinnige behoeftebevrediging de verworvenheden van die voorhoede helemaal niet meer nodig. Kunst vergaat niet gauw en er komt steeds meer bij. Wie niet van hedendaagse beeldende kunst houdt, wendt zich tot die van vroegere generaties of tot kunst die volgens tradities is vervaardigd. Daar is heel veel van. Wie niet van hedendaagse muziek houdt die in de klassieke traditie is gecomponeerd, houdt het bij popmuziek. Wie daar niet van houdt, kan terecht bij de wereldmuziek of anders de romantische, klassieke of oude muziek, die elke maand wel met een vergeten meesterwerk op de proppen komen. Ik zou het niemand aanbevelen, maar wie dat wil, kan tegenwoordig heel goed zonder de meeste hedendaagse kunst. Er is elders genoeg.

Stuurloosheid
In de geschreven media, die voornamelijk hoger opgeleiden bedienen, hebben de hedendaagse kunsten nog wel een streepje voor. Maar dat streepje wordt wel steeds dunner. Een nieuwe opera krijgt nog wel een voorbeschouwing, maar orkestmuziek nauwelijks, en kamermuziek al helemaal niet meer. Hedendaagse ‘klassieke’ muziek wordt ook steeds minder vaak uitgevoerd en wanneer dat gebeurt, is de bijval zuinig. De hedendaagse beeldende kunst mag zich daarentegen verheugen in een al eerder genoemde dampkring van adepten, die hun weg naar de kranten en tijdschriften wel weet te vinden. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat al die verslagen, vraaggesprekken en beschouwingen als twee druppels water op elkaar lijken. Er trekt voortdurend een stoet van ernstige mensen aan de lezer voorbij, die het bijna altijd allemaal anders gaan doen, maar in al die verplichte, maar tot niets verplichtende radicaliteit is iets lusteloos geslopen. Al dat verleggen van grenzen, jaar in jaar uit, is een obligate en vermoeiende herhalingsoefening geworden.

Het postmodernisme leek soelaas te brengen door toe te staan dat alles mocht en kon, maar de stuurloosheid werd er alleen maar door vergroot. Wat menige buitenstaander misschien al op zijn klompen aanvoelde, is waarschijnlijk waar: de kunsten zijn decadent geworden.

Decadent: Lawrence Alma-Tadema, Spring (1894)

Misschien is decadentie nog het best te omschrijven als ontwikkeling in de breedte, niet in de diepte. Anders gezegd: wat er is, wordt verfijnd, tot het detail onderzocht, eindeloos opnieuw gedefinieerd, om daarna als de voor het vooruitgangsdenken verplichte vernieuwing te worden gepresenteerd. Het is niet nieuw, maar hetzelfde anders. Het zijn stappen in de breedte, een stap naar voren wordt er niet mee gezet. Daarmee is niet gezegd dat decadentie per definitie slechte kunst oplevert omdat die de vooruitgang niet dient, integendeel. Veel decadente uitingen in alle takken van kunst zijn zeer de moeite waard en horen thuis in het pantheon van de grote verworvenheden van de menselijke beschaving – maar decadent zijn ze wel.

Terugval is een zonde
Ik geef het toe, het woord is besmet. Traditioneel hoort het bij de veronderstelde liederlijkheid van het Romeinse Rijk, de ontaarde Franse aristocratie van de tweede helft van de achttiende eeuw en de verstikkende atmosfeer in de salons van de late negentiende eeuw, waar de artistes pompiers werden gevierd en Laurens Alma-Tadema en Hans Makart de grootste schilders van hun tijd waren.

In al die verplichte, maar tot niets verplichtende radicaliteit is iets lusteloos geslopen

De kunsten van onze tijd zijn nog altijd trots op hun afkomst, die ze herleiden tot het verzet tegen die negentiende-eeuwse decadentie. Het is die houding waardoor ze maar moeilijk zullen kunnen geloven dat het hun ook eens zou overkomen: decadent zijn. Terugval is een zonde, ‘neoromantisch’ is een scheldwoord. Wanneer kunst uit die verfoeilijke vroege periodes toch werd gewaardeerd, trachtte men zo veel mogelijk de moderniteit ervan te benadrukken. Schönberg probeerde de moderniteit van Brahms aan te tonen, die van El Greco of Vermeer staat buiten kijf. De moderne kunsten zouden door hun specifieke aard en wezen nooit decadent kunnen zijn, ze zijn per definitie altijd fris, de vooruitgang en de samenleving dienend met steeds maar nieuwe ideeën en richtingen. Enfin, die ideeën en richtingen zijn er inmiddels, in groten getale zelfs, maar ze waaieren hulpeloos uit in de breedte als variaties op elkaar.

In de muziek werd de chaos van richtingen en stromingen zuchtend maar goedgemutst in kaart gebracht door Ivan Hewett in zijn Music. Healing the Rift. Het boek dateert uit 2003 en het merendeel van de stromingen die de auteur had verzameld zal al wel weer het loodje hebben gelegd. Het publiek heeft er weinig van gemerkt, het vindt dit soort muziek gewoon niet mooi en gaat dat in de toekomst ook niet doen. De hedendaagse kunsten, als directe erfgenaam van de moderne, weten al lang niet meer dat ze ooit werden ingezet om een nieuwe taal voor de nieuwe mens te vinden, en als iemand het nog weet, haalt hij de schouders erover op. ‘Modern zijn’ is een lege houding geworden.

Krimpende schaduwen
Wat te doen? Niemand die het weet. De kunstcultuur is accumulatief. Sinds de Renaissance zijn oudere periodes altijd in de nieuwe opgenomen. Soms met horten en stoten en met wisselende waardering, maar van vergeten was geen sprake meer. Zo zal het nu misschien ook wel weer gaan. Dappere uitspraken dat je in deze tijd niets nieuws meer voor symfonieorkesten kunt schrijven, geen schilderijen meer kunt maken, zijn in werkelijkheid oude holle frasen en horen bij de krimpende schaduwen die de afgelopen eeuw nog werpt. Het nieuwe begint immers niet bij wat je niet mag doen, maar bij wat je aan nieuws en opwindends hebt gevonden dat om vervolg schreeuwt. Waar dat vandaan komt is bijzaak. Ooit zette men zich vol dedain af tegen de ‘oude vormen’, waardoor men is gaan denken dat het zo hoort wanneer men iets anders wil, maar het oude hoeft niet per se vernietigd te worden om het nieuwe mogelijk te maken. Hoe vreemd het misschien ook moge klinken: terugblikken is altijd een element van vernieuwing geweest, zij het dat men vaak niet terugblikte naar de dichtstbijzijnde voorgaande generaties, maar naar oudere. Zoals ze in het Interbellum terugkeken naar het classicisme, in de romantiek naar de schilders die voor Rafaël leefden, zo zullen wij misschien wel waarderend terugkijken naar de late negentiende eeuw, de periode die door de modernen ooit juist de wacht is aangezegd. Wie weet.

Je kunt er ook je schouders over ophalen en je eigen weg gaan. Maar één ding staat vast: met de rug naar het publiek gaat niet meer. Het avant-gardemodel heeft afgedaan, de kunstenaar in zijn romantische godgelijkheid zal niet langer het centrum van de kunst zijn, maar het publiek. Laten we daar maar alvast aan wennen

Gepubliceerd op: | No Comments