Dichter bij de crisis
door Mischa Cohen
Als kunstenaar moet je ook ondernemer zijn, vindt Nachoem Wijnberg (1961). Hij heeft enig recht van spreken, als dichter van zo’n veertien bundels, schrijver van vier romans en als econoom.
Wijnberg is hoogleraar Cultureel Ondernemerschap, een leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam die werd opgezet met financiële steun van de VandenEnde Foundation. Maar liever dan over de wetenschap heeft hij het over zijn poëzie, ‘want dat schijnt te helpen bij verspreiding en verkoop’.
Het is midden op de dag, buiten schijnt de zon, de dichter is in korte broek maar heeft het benedenhuis verduisterd. Aan de straatkant gesloten gordijnen, aan de tuinkant een door klimplanten overwoekerde veranda. Amsterdam-Zuid is Wijnbergs natuurlijke biotoop: ‘Mijn grootvader leefde in dit huis tot toen ik een jaar of vijf was, nu woon ik er zelf alweer een kwarteeuw.’ Op een hogere verdieping werkt zijn vrouw Alessandra Palmigiano, dichter en wetenschapper, net als hijzelf. ‘Zij is onderzoekster aan de UvA, in de wiskundige logica. Een echte wetenschap, waarin nog wel eens werkelijk iets wordt bewezen.’
Nachoem Wijnberg groeide op in een Joods gezin in Amsterdam-Buitenveldert, zijn vader had een agentuur in textiel en promoveerde op latere leeftijd als sociaal psycholoog. Na de montessori-basisschool – daar hoefde je niets te doen – viel het Maimonides Lyceum hem zwaar. ‘Ik heb me mijn hele leven niet zo slecht gevoeld als daar. Dat lag niet aan die specifieke school trouwens, ik vind middelbare scholen sowieso onzinnig. Ik sloeg zo veel mogelijk lessen over, want zitten en luisteren heb ik nooit goed gekund. Ook op de universiteit liep ik nooit college, wat het later een beetje raar maakte om zelf college te geven.’ Hij experimenteerde als middelbare scholier met schrijven. ‘Ik gaf mezelf vormoefeningen: een Libelle-achtig verhaal, sciencefiction, een kort verhaal van dertig pagina’s. Gewoon, om te kijken of ik het kon.’ Maar zijn belangrijkste ambitie was destijds om een ‘groot beeldend kunstenaar’ te worden.
Meteen een gróót beeldend kunstenaar?
Wijnberg lacht besmuikt. ‘Dat was tussen mijn zestiende en mijn negentiende; ik moest al snel erkennen dat het er niet in zat. Ik heb het later als thema gebruikt in mijn eerste roman Landschapsseks. Er zijn honderden, zo niet duizenden romans over onbegrepen creatieve genieën op de middelbare school en ik wilde de zaak nu eens omdraaien. Op de school die ik beschrijf, wordt van alle leerlingen verwacht dat zij grote kunstenaars worden.’
Hij begon aan een studie natuurkunde en deed rechten er een beetje naast, ‘voor als ik geen briljante theoretische natuurkundige zou worden’. Dat bleek inderdaad niet het geval. ‘Als ik bezig was met wiskunde uit de theoretische natuurkunde moest ik het echt regel voor regel lezen. Ik dacht: als ik er goed genoeg in zou zijn, had ik het diagonaal moeten kunnen lezen, zoals ik de arresten van de Hoge Raad doornam. Toen ben ik overgestapt naar economie, een uit de hand gelopen grap.’ Hij studeerde af als jurist en als econoom, en promoveerde in 1990 als bedrijfskundige. ‘Mijn studiekeuzes kunnen achteraf gezien best een aaneenschakeling van misverstanden zijn geweest; ik stelde wel erg hoge eisen aan mezelf, ik was net zeventien.’
U bent in een traditioneel Joods milieu opgegroeid. Waren uw ouders religieus?
‘Een van mijn vaders gevleugelde uitspraken was: “Als er al een god bestaat, dan hebben we een hekel aan hem.” Hij vond het wel belangrijk dat zijn kinderen kennis van hun achtergrond kregen, we hielden ons aan de traditie en we voerden een koosjere huishouding. Doordat die traditie vermengd is met religie moest je daar dus ook iets van weten.’
De titel van uw Amsterdamse oratie was niet voor niets ‘Traditie’.
‘Dat was een verwijzing naar dat vreselijke lied “Tradition” in Fiddler on the Roof, pure geschiedvervalsing maar wel het resultaat van goed cultureel ondernemerschap. Maar het zou raar zijn als die traditionele opvoeding geen invloed zou hebben. Ik heb bijvoorbeeld nog serieus geleerd hoe je een Talmoedpagina moet lezen, en de hele Talmoed is één grote gedachtewisseling tussen verschillende generaties schriftgeleerden. Dat sluit aan bij wat ik later ben gaan doen als onderzoeker, en ook als dichter. In de wetenschap werk je openlijk verder aan wat door anderen voor je is bedacht en geëxperimenteerd; in de literatuur is dat ook zo, al wordt soms gedaan alsof het niet “echt” is als de stof niet exclusief in jezelf gevonden is. Ik ben voortdurend in gesprek met eerdere dichters, soms expliciet, meestal niet.’
U mailde: ik wil het over economie hebben maar vooral over mijn werk als dichter.
‘Dat is geen gimmick van de economieprofessor die een staaltje cultureel ondernemen toont, het is simpelweg omdat ik graag door zo veel mogelijk mensen word gelezen. Punt 2,’ zegt hij aarzelend, ‘is dat mijn werk als dichter uitzonderlijker is dan mijn werk als hoogleraar. Als hoogleraar doe ik aardige dingen maar ik zou mij niet zo snel de beste econoom/bedrijfskundige ter wereld willen noemen.’
En als dichter?
‘Als dichter zou ik daar wel toe bereid zijn.’
U doet onderzoek naar cultureel ondernemerschap terwijl u van uw eigen poëzie niet kunt bestaan.
‘Nederlandse hoogleraren krijgen een redelijk salaris dus ik hoef geen subsidies aan te vragen, al ben ik wel blij met vertaalsubsidies voor de exportbevordering. Begin volgend jaar komt de eerste boekvertaling van mijn gedichten in Engeland uit: Advance Payment, Vooruitbetaling, vertaald door David Colmer. Dat is heel fijn, als je graag gelezen wordt; vertalen is de meest ernstige manier van iemands werk lezen.’
Kopen en verkopen is een terugkerend thema in uw gedichten. Is dat een link met de econoom Wijnberg?
‘Door middel van poëzie kun je nadenken over alles wat mensen met elkaar doen. Liefde en strijd horen daarbij, net als handel. Dichten is een uitstekende methode om ook dat soort zaken beter te begrijpen. Wat dat betreft is het jammer dat we om in de economische wetenschappen serieus genomen te worden steeds meer moeten werken met wiskundige en statistische modellen, terwijl economie zich zo goed leent voor andersoortige benaderingen.’
Heeft de econoom Wijnberg dan iets aan de dichter?
‘Door middel van poëzie kun je je verdiepen in persoonlijke gebeurtenissen, maar net zo goed in economische problemen. Het zou een goed idee zijn om in een journalistieke omgeving, waarom niet in Vrij Nederland, af en toe een gedicht te schrijven over de actualiteit. Om in dichtvorm een afgewogen mening te geven over de bankencrisis. In 2007 – gedurende het overnamegevecht om ABN Amro – begon ik mij zorgen te maken over de businessmodellen van de grootbanken. Toen schreef ik het gedicht “Als ik genoeg geld leen wordt de bank mijn slaaf”. Mocht ik ooit Dichter des Vaderlands worden, ik stel maar meteen mijn kandidatuur, dan wil ik het zo doen. Ik sprak laatst Ramsey Nasr op het herentoilet van een poëziefestival, hij wist nog niet hoe de procedure voor zijn opvolging geregeld was. Maar bij een verkiezing zijn er zeker dichters die eerder dan ik een breed publiek achter zich krijgen.’
Zou u zich als Dichter des Vaderlands ook met politiek bezighouden?
‘Zeker. Ik ben zeer geïnteresseerd in politiek, zowel in het proces als in de uitkomsten, en ik heb een roman geschreven onder de pakkende titel Politiek en liefde. Als je naar mijn titels kijkt ben ik er nog steeds niet achter waarom mijn romans geen bestsellers zijn geworden.’
Bent u het eens met de manier waarop de politiek nu snijdt in kunstsubsidies?
‘Als econoom zeg ik: we hebben het over bijna niets, veel van de bezuinigingen zijn dus puur symboolpolitiek. Kunst is bovendien ook in economisch opzicht zo belangrijk dat ik geen voorstander ben van bezuinigingen. Als je het toch doet, dan moet je keuzes maken, dat is echt iets anders dan simpel kaasschaven. Er is een duidelijke driedeling in wat cultureel belangrijk is, maar het cultuurbeleid maakt geen onderscheid. Je hebt de scheppende kunsten, die je analoog aan de wetenschap zou moeten beoordelen, met dezelfde potentie van breder nut voor de samenleving. Dan is er het bewaren van het erfgoed. En er is een derde poot die gaat over het samenzijn van mensen. Een Limburgs orkest wil je onder andere hebben omdat cultuurminnende Limburgers elkaar zo kunnen ontmoeten. Door het huidige subsidiestelsel wordt alles op een hoop gegooid en worden vooral de “bewaarinstituten” zo veel mogelijk ontzien: de musea, klassieke orkesten, klassieke toneelgezelschappen. Maar heeft het wel zin om te bewaren als je ondertussen de scheppende kunsten om zeep helpt?’
Hoe zou het wel moeten?
‘Een van de problemen van scheppende kunsten is dat het meeste mislukt, zoals bij alles wat met innovatie te maken heeft. Als je een bloeiende scheppende sector nastreeft, moet je accepteren dat meer dan negentig procent van de betrokkenen helaas tekortschiet. Dat is op zichzelf geen probleem, als degenen die het minder goed doen zich niet allemaal geroepen voelen om hun positie te bevechten in de sector. Het zou geen gek idee zijn als je binnen culturele opleidingen ook een kans krijgt om heel andere dingen te doen. Iemand op de theaterschool zou het ook heel goed kunnen doen in de politiek. Maak er maar duale opleidingen van: als iemand graag schrijver wil worden, leid hem dan ook op tot econoom. En beeldende kunstenaars kunnen als bijvak microchips leren ontwerpen, best interessant voor liefhebbers van conceptueel werk.’
U heeft geen hoge pet op van de beeldende kunst.
‘In de beeldende kunst is al dertig jaar niets interessants meer gebeurd. Dat heb je nu eenmaal af en toe. Veel mensen zijn bereid dat te zeggen over de Nederlandse schilderkunst in de achttiende eeuw of over de muziek in de negentiende eeuw: we hadden het net zo goed níet kunnen hebben. Als je zoals ik een achtergrond hebt in industrie- en technologiebeleid, dan weet je dat je keuzes moet maken. De verdeling van subsidie tussen theater, beeldende kunsten en letteren is al een halve eeuw constant, niemand durft daar iets aan te veranderen. In film, televisie en in games gebeuren nu spannender dingen dan in de beeldende kunst; je zou dus zeggen: laat daar het geld naartoe gaan. Maar dat geldt als ergere ketterij dan alles wat Halbe Zijlstra te berde heeft gebracht.’
U pleit voor een grotere rol voor het mecenaat.
‘Ik zou heel ondankbaar zijn als ik níet de lof zou zingen van mecenassen – de VandenEnde Foundation heeft de eerste vijf jaar mijn halve leerstoel betaald. Voor “bewaarinstellingen” zoals het Rijksmuseum en het Concertgebouworkest is het niet zo moeilijk om private geldbronnen aan te boren. Maar ik vind dat het mecenaat zich zou moeten richten op de scheppende kunst; daar kun je met extra geld echt een verschil maken. Een mecenas kan zijn persoonlijke voorkeuren subsidiëren, in tegenstelling tot een minister of een staatssecretaris. We hadden de afgelopen tijd een staatssecretaris die in het geheim misschien wel mijn poëzie leest, maar die er om politieke redenen voor kiest om nadrukkelijk tentoon te spreiden dat hij niet van kunst houdt.’
Hoe combineert u uw productieve dichterschap met een fulltime baan als hoogleraar?
‘Aan de universiteit kun je goed je eigen tijd indelen, daardoor kun je het combineren met andere vormen van scheppend werk. Het ligt bovendien in elkaars verlengde, dichten is ook een vorm van onderzoek, een gedicht is een kennismachine. Als dichter zoek je naar iets wat je nog niet weet, net als iedereen die een wetenschappelijk onderzoeksvoorstel indient bij NWO. Ik heb in romans ook wel nagedacht over thema’s waarin ik me ook in mijn wetenschappelijk werk verdiep. De laatste roman die van me gepubliceerd is, De opvolging, speelt bijvoorbeeld in een bedrijf, zij het een ongewoon bedrijf.’
Op de cover van uw laatste bundel staat u groot afgebeeld. Eerder was u erg terughoudend met biografische informatie.
‘Je kunt geen gedicht lezen zonder je iets voor te stellen over de dichter. Die dichter kun je reconstrueren uit wat je in het gedicht leest, of je kunt beginnen met wat je van zijn biografie weet en van daaruit het gedicht lezen.
Het eerste vind ik mooi en over het tweede maak ik me zorgen. Een goed gedicht heeft een emotioneel effect, maar niet als in: hier kun je navoelen wat de dichter voelde toen hij door zijn kat verlaten werd. Dat probeer ik te voorkomen.’
Als je niets weet van Achterbergs ziekte lees je zijn gedichten beter?
‘Niet per se, maar als het enige wat je van hem weet de ziektegeschiedenis is en de moord, dan ga je alles in die richting lezen en daardoor negentig procent missen.’
Vanwaar dan dat pontificale portret?
‘Ik wil heel graag dat mijn bundels er niet uitzien als mooie poëzie voor een fijne poëziemiddag. Dat het op zich heel erg ongewoon is om een dichtershoofd op het omslag te zetten, vond ik ook een goed argument om het juist wel te doen. Als het op de een of andere manier de verkoop bevordert, ben ik er voor. Ik vind het jammer dat poëzie nu zo’n gering publiek heeft, dat mensen denken dat je een soort expert moet zijn om het te kunnen lezen.’
Dichter en recensent Piet Gerbrandy, die u trouwens ‘de belangrijkste dichter van uw generatie’ noemt, heeft het over uw ‘kale gedichten’, ‘keihard proza met vaak monsterlijke titels’.
‘Hij laat zien dat het poëzie is die eenvoudig opgeschreven lijkt te zijn, dat is die kaalheid, en tegelijkertijd een vrij sterk emotioneel effect heeft. En dat hoor ik heel graag. Je ratio en je emotie moeten tegelijkertijd worden geraakt, dat kan met poëzie en met niet zoveel andere dingen. Ik probeer zo te schrijven dat mijn gedichten lezen als een krantenartikel, het is goed te volgen, maar je kunt er ook diepere lagen van betekenissen en emoties in vinden.’
Uw gedichten worden ‘moeilijk’ en ‘ontoegankelijk’ genoemd. Zelf noemt u ze juist ‘hitgevoelig’.
‘Leg mijn gedichten maar naast andere poëzie: ik schrijf heel normale zinnen en ik probeer het over serieuze dingen te hebben. In mijn nieuwste bundel Als ik als eerste aankom gaat het over op reis gaan en thuiskomen, soms ingrijpende zaken. Ik wil dan schrijven zodat de lezer door het gedicht wordt gegrepen. Ik schrijf een gedicht dat hem helpt om over iets na te denken en dat hem helpt om gevoelens te hebben. Hopelijk allebei tegelijk. Dat wil iedereen wel, toch?’
Nachoem Wijnberg, ‘Als ik als eerst aankom’, uitgeverij Contact, 80 p., € 21,95




Pingback: De Dichter des Vaderlands-opvolgingsprocedure « NPE Nieuwsblog