Expeditie Mont Blanc: De demonen van een berg

door

Gebogen staan ze over het berglandschap: een oudere man, zijn vrouw en zijn volwassen zoon. ‘Daar,’ zegt de man, ‘nee, daar, daar liep ik dus, daar ging ik omhoog.’ Zijn vinger tekent hiërogliefen boven het glas en iets lager spookt een schaduwvinger over het grijs van het graniet, het wit van de sneeuw, tot ook de top verduisterd wordt.

Zijn vrouw en zoon lijkt hij al vergeten, hij praat in zichzelf en gaat er helemaal in op, in dat miniatuurlandschap onder hem; weer klautert hij over dat bergpad omhoog en voelt hij de scherpe vrieskou in zijn gezicht en verbrokkelen stenen onder zijn bergschoenen, weer duwt hij zijn stijgijzers in het ijs en is alles schitterend wit om hem heen, zo onwerkelijk dat hij de gevaren al vergeten is.Hij is niet de enige die wegduikt in zijn klimherinneringen. Als ik ronddwaal op de bescheiden tentoonstelling Naar de top. Expeditie Mont Blanc in het Haarlemse Teylers Museum zie ik voortdurend mannen in vervoering boven de vitrine hangen en terugkeren naar een ervaring die er ooit stevig ingehakt moet hebben.

E.F. Exchaquet maakte in 1787, het jaar van de beklimming door De Saussure, deze houten maquette van de Mont Blanc. Er zijn waarschijnlijk vijf exemplaren gemaakt, waarvan er nog twee over zijn.

Die gretige belangstelling voor het Mont Blanc massief hoeft niet te verbazen: al meer dan een eeuw is het bergtoerisme enorm populair en nog altijd groeit het aantal liefhebbers dat zichzelf tot bloedens toe omhoog jaagt, tegen ijzingwekkende rotswanden en langs gapende afgronden. Natuurlijk, moederziel alleen kun je er ook nu nog zijn, de laatst overgeblevene ten overstaan van een wereld die niet onverschilliger kan zijn, zelfs nog in de platgetreden Alpen, maar rondom de populairste toppen is het gedurende het klimseizoen een drukte van belang. Zeker 25.000 toeristen bereiken jaarlijks de top van de Mont Blanc; als een gigantische vuilnisbelt ligt de Mount Everest bezaaid met zuurstofflessen, kapotte tenten en blikjes; het aantal bergwandelaars en alpinisten loopt wereldwijd in de tientallen miljoenen. Sinds de Brit ten het alpiene toerisme hebben uitgevonden, is het een florerende industrie geworden, en alleen al aan bergsportuitrusting worden miljarden euro’s per jaar uitgegeven.
Dat is bizar, want de bergsport is dodelijk. Op berghellingen accepteren mensen veel grotere risico’s dan in hun dagelijkse leven. Doorgaans doen we onze uiterste best ons levenseinde zo ver mogelijk voor ons te schuiven, maar in de bergen is de dood nooit ver weg en lijkt zij zelfs opgezocht te worden – alleen al op het Mont Blanc massief worden er per seizoen zowat honderd lijken van de hellingen geplukt. In onze gebruikelijke habitat hebben we amper nog zeggenschap over ons sterven en zijn het de dokters die daarover gaan of zijn het de sociale mores die ons tot doorgaan dwingen (‘zelfmoord is asociaal’), maar boven de boomgrens mag er ineens naar hartelust met de dood geflirt worden en valt de dood weer naar je toe te trekken als iets wat bij je hoort en je nog dierbaar blijkt te zijn ook. Zoals in een oorlog, die voor veel mannen door de eeuwen heen een al even onweerstaanbare methode is gebleken om de lauwe onbeslistheid van hun leven te weerspreken en zich voorover te storten, in de armen van die grote onbekende.

Rotte tand
Mij vergaat het niet anders dan de andere bezoekers aan deze tentoonstelling. We zijn hier om te zien hoe de grondlegger van de geologie, Horace-Bénédict de Saussure, in 1787 de Mont Blanc bedwong, vergezeld door achttien mannen, met onder andere een bed, een matras, een gordijn, een paar sloffen, vier nachthemden, een pistool en allerhande zelf ontwikkelde loodzware meetapparatuur, een jaar na de eerste succesvolle beklimming door Michel-Gabriel Paccard en Jean-Jacques Balmat. Maar als ik een uit hout gegutste maquette afspeur, realiseer ik me dat ook ik naar mijn eigen berg ervaring wordt toegezogen.

Daar is-ie, die rotte tand die mij tot op een gletsjer bracht, en met mijn blik volg ik het rode stippellijntje van de Saussures expeditie, dat doorgaat waar ik met mijn gids rechtsomkeert maakte, tot aan het punt waar het een scherpe lus maakt, en ik kan niet anders dan denken dat ik nog eens over die rotsuitstulping omhoog moet en dan zal voltooien wat ik indertijd onvoltooid heb gelaten. Dat verlangen mezelf te overtreffen verbaast me, want toen ik daar was, had ik geen greintje ambitie om verder omhoog te gaan en de top te halen. Te midden van een zwerm lunchende toeristen die daar was neergestreken, geloofde ik het wel.Nooit eerder had ik in de bergen gelopen, laat staan geklauterd. Ik had niets met de bergen. Ze bedrukten me toen ik er ooit doorheen reed, en ik herinner me nog mijn opluchting toen ze even plotseling weer ineenzakten als ze een paar uur ervoor omhoog gekomen waren, alsof ze niet meer dan een gril waren geweest, niet serieus te nemen. Maar twee jaar geleden had ik mijzelf voorgehouden dat ik erheen moest om mijn roman Mont Blanc te kunnen schrijven. Als schrijver had ik er altijd behagen in geschept alles wat ik opschreef uit mijn duim te zuigen, maar de uitgebreide alpinistenlectuur had me ervan overtuigd dat dat voor het geloofwaardig beschrijven van verwikkelingen boven de boomgrens moeilijk vol te houden zou zijn. Daarvoor was het bergwandelen en klauteren te fysiek, te zintuiglijk, zoals ook seks zich lastig laat beschrijven als je er zelf nooit eens aan gedaan hebt.

Midlifecrisis
Ik reisde af naar Chamonix en huurde een gids die de bergen voor mij zou openleggen. Aan goede zin ontbrak het me niet. Ik voelde dat ik daar zou vinden wat ik voor mijn roman nodig had, zeker toen mijn gids mij vertelde dat hij net als de zoon van mijn hoofdpersoon natuurkunde had gestudeerd en tot woede van zijn vader voor de bergen had gekozen in plaats van voor een carrière als fysicus. Niets zo opbeurend als toeval, omdat het je letterlijk toe valt, als een geschenk uit het niets, buiten welke inspanning of oorzakelijk verband dan ook om. Toch slaakte ik een grote zucht van verlichting toen mijn Expeditie Mont Blanc voorbij was en ik me door een bus uit het mekka van de bergsport liet wegvoeren. Al had ik op richels gebalanceerd, over rotsblokken geklauterd en in het verglijdende blauw van gletsjer­spleten getuurd, voor de charme van de bergen was ik niet gevallen.

‘Akelig dicht in de buurt van draken en demonen’: Edzard Mik op de Mont Blanc, Chamonix, september 2010.

Het gebied rond Chamonix is een pretpark met metropolitaanse trekken, dat zal er zeker mee te maken hebben. Als confettislierten hangen kabelbanen tegen de hellingen; de traag omlaag cirkelende parapenters zijn als schreeuwen die voor eeuwig tussen de bergwanden weerkaatsen; waar je ook bent, in een winkelstraat of op een gletsjer, voortdurend hoor je het grommen van reddingshelikopters; hordes wandelaars, met kinderen en honden en wandelstokken waarmee ze venijnig in de rotsen prikken, jakkeren achter elkaar aan de bergpaden op en af, alsof al dat graniet daar speciaal voor hen is opgestapeld, voor hun ontspanning. Wie had kunnen denken dat de Saussures eenvoudige wetenschappelijke verlangen een nog onbekende wereld te onderzoeken – de zogeheten ‘derde pool’ – zou resulteren in dit spektakel van toeristen die en masse iets willen meemaken wat hen uit hun leven van verantwoordelijkheden en verplichtingen tilt en er een bevrijdend perspectief aan geeft!Het heeft het er alle schijn van dat bergsport een vitale behoefte bevredigt. Naar ik aanneem hangt dat samen met het gedisciplineerde, op productiviteit gerichte leven dat we tegenwoordig leiden. Hoe nauwer de sociale dwangbuis waarin je gevangenzit, hoe groter de zucht eruit te breken en terug te keren tot je lichaam, elke stap te voelen die je zet, je evenwicht te vinden alsof je voor het eerst leert lopen, te ervaren dat elke beweging op zich staat en precies klopt en je nog even in leven laat. Bergsport mag dan bloedlink zijn, het lijkt tegenwoordig de redding van vele benarde zielen te zijn.

Het is een pretpark met metropolitaanse trekken

Die bevrijding heb ook ik meegemaakt. De bevrijding die er in mijn bewegingen op de berghelling verscholen lag – en dat vlak voor mijn vijftigste, alsof het me daar eigenlijk niet om research voor mijn roman te doen was maar om het afdempen van een midlifecrises. Tegelijkertijd zijn de bergen ook een bezoeking. Er is weinig beklemmender dan het hooggebergte. Een gril kun je het niet meer noemen, als je er midden in verkeert, zelfs in de danig gedomesticeerde Alpen niet. Alles lijkt toegankelijk en vrij van gevaar, zo zuiver en onbevattelijk, maar het graniet is woest en onstuimig, de gletsjers verraderlijk en het weer onvoorspelbaar en daardoor niet zelden fataal. Je ziet schoonheid, sublieme schoonheid, adembenemende schoonheid, en je voelt tot in elke vezel dat die wereld je daar niet wil hebben en je er zo weer uit kan werken, zodat ook jouw lichaam na verloop van tijd door een reddingshelikopter afgevoerd zal worden. In de bergen is de aardkorst geen vanzelfsprekend vertrekpunt meer van alles wat je onderneemt; zij is in beweging, zij leeft zélf, en omdat je er niet meer aan kunt ontsnappen als je er eenmaal rondloopt, werkt zij behoorlijk op de zenuwen. Daarom laat zich goed begrijpen dat de bergen vroeger met draken en boze geesten werden bedacht, dat reizigers zich lieten blinddoeken als ze over een pas naar Italië trokken, en dat de alpiene avonturiers Paccard en Balmat aanvankelijk vreesden dat het onmogelijk was op de flanken van de Mont Blanc te overnachten. Dat lijkt lachwekkend, maar in wezen hadden ze geen ongelijk. Ze voelden aan dat van de bergen niets dan ellende te verwachten viel.

Door horror bevangen
Voor de vitrinekast met meetapparatuur die de Saussure speciaal voor zijn expeditie construeerde, blijf ik gefascineerd staan. Aan doen lijk staan de instrumenten erbij, in hout en messing, buitensporig groot en log, maar ook optimistisch glanzend en in alles getuigend van een verlangen de wereld te kennen en doorgronden. De Saussure zou het hooggebergte uiteenleggen in cijfers en het daarmee proberen te transformeren tot een doorzichtig universum. In het licht dat zijn meetinstrumenten op het hooggebergte zouden werpen, zouden draken en demonen vanzelf verdwijnen.

Daarin is hij hooguit oppervlakkig geslaagd. Het klompje graniet dat de Saussure zo hoog mogelijk op de Mont Blanc losbeitelde, mag dan volstrekt onschuldig lijken, in zijn onbenulligheid de ultieme getuigenis van alles wat zich van alle kanten laat bekijken en onderzoeken, het gebergte was voor mij nog altijd door horror bevangen. Voortploeterend achter mijn gids, tussen ontelbare toeristen die met mij de flanken van de Mont Blanc verkenden, bleef het het onrustbarendste landschap dat ik ooit betreden had en kwam ik voor mijn gevoel akelig dicht in de buurt van draken en demonen.In het Teylers Museum besef ik dat ik me vanaf het begin door deze confrontatie aangetrokken moet hebben gevoeld. Veel meer dan vanwege de roman wilde ik naar de Mont Blanc omdat ik het hooggebergte tot dan toe altijd had gemeden. Het is ook deze onvermoede zelfoverwinning die mij waarschijnlijk voor altijd aan de bergen zal binden, alsof mijn leven sinds mijn reisje naar Chamonix in twee helften uiteenvalt, voor en na de bergen.

Het lijkt me sterk dat dat voor de andere bezoekers anders is, of voor die miljoenen bergwandelaars en alpinisten die in de greep zijn geraakt van het ongerijmde fenomeen dat bergsport wordt genoemd. Allicht is het niet te versmaden, ja, zelfs verslavend, de confrontatie met je eigen angsten aan te gaan en de mogelijkheid van je niet-zijn op indringende wijze onder ogen te komen, als een lichaam dat honderden meters lager ligt te wachten.Het hooggebergte is de enige plek waar je dat nog voor elkaar kunt krijgen, zonder dat wie dan ook zich er tegenaan bemoeit.

Edzard Mik is schrijver. Onlangs publiceerde hij bij De Bezige Bij zijn achtste roman: ‘Mont Blanc’. 
De tentoonstelling ‘Naar de top. Expeditie Mont Blanc’ is tot en met 9 september te zien in het Teylers Museum in Haarlem, www.teylersmuseum.nl

De Saussure (in rode jas) met ladders en stokken (nog geen touwen, toen!) op de ets ‘De beklimming van de Mont Blanc’ van Christian von Mechel, augustus 1787.

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.