‘Ik zou willen dat de ander mij ziet’

door

Verzamelaars staan centraal op de nieuwe fotobeurs Unseen in Amsterdam. Collectioneur Hans Kemna koos voor VN zeven foto’s uit het aanbod

Een leeg plekje is er nauwelijks te bekennen in de kamer en suite aan een van de grachten in Amsterdam. De muren en ook de meeste deuren van de voor- en achterkamer zijn bedekt met ingelijste foto’s en een enkel blad grafiek van Andy Warhol en David Hockney. De foto’s waarvoor geen plaats meer is, staan rijen dik achter elkaar op de vloer. Als het echt niet anders kan, gaan ze in de opslag. Het zou een definitie van een kunstverzamelaar kunnen zijn: iemand die niet genoeg plaats heeft om alles op te hangen. Op de tafels stapelen boeken over kunst en catalogi zich op.

Hans Kemna: ‘Je moet kiezen. Ik ben hard.’ Foto: Koos Breukel

Er is geen ontkomen aan: de fotocollectie van castingdirector Hans Kemna (1940) heeft bezit genomen van de ruimte. Voor het bezoek zijn de betrekkelijke chaos en het visuele bombardement even overdonderend als inspirerend. Van enige ordening lijkt in eerste instantie geen sprake, maar de verzamelaar zelf weet meestal feilloos te vinden wat hij zoekt. Noem een fotograaf en Hans Kemna veert op van zijn stoel om een voorbeeld van hem of haar te laten zien. Bij elke foto doet hij zijn affiniteit met het beeld uit de doeken. ‘Dat zijn de mooiste benen die ik ooit heb gezien,’ zegt hij bij een oude modefoto van Paul Huf (1924-2002), waarop een model quasi-nonchalant voorover buigt om een fiets op slot te zetten. Het zelfportret van Paul Blanca (1958) als Mickey Mouse vindt Kemna ‘uitermate geil’. Blanca heeft in het vlees van zijn rug met een scheermes het stripfiguurtje gekerfd, waardoor het bloed uit de snijwonden druipt. Het moslimmeisje met hoofddoek dat indringend recht in de camera van Céline van Balen (1965) kijkt, vindt hij ‘kwetsbaar’ en tegelijk ‘middeleeuws erotisch, zoals de naakten in Het Laatste Oordeel van Lucas van Leyden’.

 

Kemna: ‘Ik ken zowel de fotograaf – Raven Smith – als de gallerie – Flowers Gallery – niet. Maar deze foto intrigeert me zeer’. Foto: Raven Smith

De rijksopperstalmeester
De kamer en suite van Kemna is geen huiskamer, maar een zelf gesponnen cocon, het privédomein van een fanaat in de vorm van een fotografische huid waarin de verzamelaar zich zichtbaar senang voelt. Verzamelaars zoals Kemna willen gewoon zoveel mogelijk laten zien, zoveel mogelijk beelden bij de hand hebben die oog en geest voortdurend voeden. Zijn verzamelwoede noemt Kemna afwisselend een verslaving en een ziekte. ‘Maar wel een leuke ziekte.’ Een kliniek om van die ziekte te genezen is niet voorhanden en ook niet nodig, omdat ze wat Kemna betreft alleen maar ‘geluk’ voortbrengt.

Tenminste vier keer beleeft hij plezier aan een foto. Als hij een foto ziet waaraan zijn blik blijft hangen. Als hij er niet omheen kan en besluit die te kopen. Als hij die foto een plek geeft in zijn verzameling om die tenminste een half jaar in zich op te nemen. En als hij elk half jaar de foto’s in zijn verzameling opnieuw rangschikt. ‘Het principe is één keer per half jaar wisselen, behalve de grote formaten.’ Een vriend helpt Kemna daarbij. ‘Ik noem hem de rijksopperstalmeester.’ Samen nieuwe, verrassende combinaties maken noemt hij leuk en inspirerend. Sluimerende betekenissen en emoties worden daardoor geopenbaard. Een collectie is zowel een afspiegeling van degene die haar heeft samengesteld als een zelfstandig organisme dat haar eigen leven leidt en daardoor paradoxen kent, zwakke en sterke punten heeft.

Hans Kemna laat het beeld voor alles gaan. ‘Ik let natuurlijk wel op techniek, op formaat en op de grootte van een editie, maar de zeggingskracht van het beeld, de schoonheid en emotie, is het eerste waarop ik reageer.’ Dat beeld brengt in vrijwel alle gevallen het emotionele landschap van de mens voor het voetlicht. Kemna heeft wel stillevens en landschappen in zijn verzameling, maar die refereren nadrukkelijk aan de rol die de mens daarin heeft gespeeld. ‘Charlotte Dumas bijvoorbeeld vind ik een heel goeie

‘Dit is een leuk, een beetje gruwelijk portret’. Foto: Christian Kryl

fotograaf, maar ik heb er niets mee omdat ze dieren fotografeert. Je moet kiezen. Ik ben hard.’

Seksuele spanning
Die keuze voor de mens komt door zijn vak. Als castingdirector kijkt hij voortdurend naar mensen, beter gezegd: hij observeert hun uitstraling. Kemna was de castingkoning van Nederland tot hij zijn bedrijf per 1 januari 2000 overdeed aan Job Gosschalk. Voor Toneelgroep Amsterdam is hij nog steeds de castingdirector en op het moment zit hij midden in een casting voor een nieuwe video van Aernout Mik (1962), een kunstenaar die hij al eerder heeft geadviseerd, zoals hij ook de video Mandarin Ducks van Jeroen de Rijke (1970-2006) en Willem de Rooij (1969) heeft gecast. De video was de controversiële Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië in 2005 en werd vorig jaar aangekocht door Ann Goldstein, de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam. Ook cast Kemna de gruwelijke scènes die Ronald Ophuis schildert.

‘Elspeth Diederix is inmiddels een vriendin’. Foto: Elspeth Diederix

Mensen observeren is zijn tweede natuur, en het heeft onweerlegbaar sporen achtergelaten in zijn fotocollectie. Kemna reageert op een foto zoals hij reageert op iemand die hij voor het eerst ontmoet. En dat heeft veel met erotiek te maken, met het oneindige spel van aantrekken en afstoten. ‘Ik moet een band met iemand of een foto kunnen ontwikkelen, een gesprek kunnen voeren. Ik zou willen dat de ander mij ziet.’ Kemna schrikt er niet voor terug te laten merken dat hij iemand aantrekkelijk vindt. Je zou hem wat dat betreft ruimhartig kunnen noemen, al heeft hij ook duidelijke voor- en afkeuren. En die zijn vaak wederkerig. Geen wonder dat zijn collectie zowel een pleidooi voor als een inventarisatie van seksuele spanning is. Intimiteit en een hang naar liefde en schoonheid dringen zich daarbij op.

De prozaïsche aspecten van een collectie vergeet Kemna niet, al let hij meer op de financiën dan op de administratie en inventarisatie. ‘Als je een foto koopt, moet je altijd meteen korting vragen. Bij elke kunstbeurs, galerie of kunstenaar kun je pingelen. Dat moet je doen.’ Ook hier is het beeld belangrijker dan techniek, formaat en een zo klein mogelijke editie, waar andere fotoverzamelaars of musea meer nadruk op leggen. Zo kocht hij van de Prix de Rome-winnares Viviane Sassen de foto Codex uit de serie ‘Parasomnia’ uit 2010 met een statige Afrikaan die op het strand staat met een roze, opgeslagen boek op zijn hoofd. Het grote formaat in een editie van acht van die foto kostte zevenduizend euro. Hij stond op het punt een exemplaar aan te schaffen toen fotohandelaar Ton Peek hem wees op een editie van vijftig die de Rabobank had gepubliceerd en 450 euro kostte. ‘Nou, dat heb ik toen gedaan. Ik ben er heel blij mee en dat scheelt me veel geld. Ik let zeer op de prijs, meer en meer. Toen ik nog fulltime werkte, gaf ik makkelijker geld uit.’

Over de administratie en inventarisatie van zijn collectie bekommert hij zich nauwelijks. ‘Ik ben niet slordig, maar wel nalatig.’ Naar eigen schatting heeft hij zo’n vijfhonderd foto’s verzameld, vooral vanaf omstreeks 1995. Galeriehouder en kunstexpert Willem Baars heeft een paar jaar geleden een professionele inventarisatie van zijn collectie gemaakt. ‘Dat is van belang omdat het goed is te weten wat je hebt, al weet ik dat meestal wel uit mijn hoofd. Ik vind het veel belangrijker naar die foto’s te kijken dan ze te administreren.’

‘Michael Wolff fotografeert wolkenkrabbers in Hong Kong. Het lijken wel mierenhopen’. Foto: Michael Wolff

Galerievrees
Rond zijn zeventiende raakte Kemna gefascineerd door fotografie. Dat had te maken met zijn kunstenaarsvrienden Daan van Golden, Woody van Amen en Klaas Gubbels en nog meer met Wij zijn 17, de eerste publicatie van Johan van der Keuken in 1955. De sombere, existentiële stemming die de vrienden van de fotograaf uitstraalden, zorgde in die tijd voor de nodige commotie. Vooral het katholieke deel van het volk stoorde zich eraan en reageerde met een boekje vol met goedlachse jongeren onder de titel Wij zijn ook 17. Kunstenaar Gras Heyen reageerde op het tumult met een boekje over bejaarden: Waren wij maar 17. Hans Kemna rende naar de Bijenkorf om Wij zijn 17 aan te schaffen. ‘Dat was de wereld die ik wilde. Ik woonde in Rotterdam en verlangde naar Amsterdam.’ Niet lang daarna kocht hij Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés, het fameus geworden boek van Ed van der Elksen uit 1956 over het bohemien leven van zijn vrienden in Parijs en de onbeantwoorde liefde tussen Manuel en Ann. ‘Dat was verboden terrein en daardoor zo boeiend.’

In 1995 stuitte Kemna op een contemporaine echo van Wij zijn 17 en Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés: de foto’s die Wolfgang Tillmans (1968) van zijn vrienden maakte, raakten hem. ‘Hij viel mij op in allerlei tijdschriften. Wist ik veel hoe je een foto van hem zou kunnen kopen. Tijdens een etentje na een vernissage wees Martijn van Nieuwenhuyzen (conservator bij het Stedelijk Museum Amsterdam, red.) me op de galeries die foto’s van Wolfgang verkochten. En zo is het echte werk begonnen. In het begin had ik net als iedereen enige galerievrees, zelfs nu nog zo af en toe, maar daar moet je niet aan toegeven.’

Kemna groeide uit tot de grootste verzamelaar van Tillmans. Beiden werden goede vrienden. Een wand in de kamer en suite waar de collectie van Kemna hangt is door Tillmans met zijn eigen foto’s ingericht. Bij het halfjaarlijkse verhangen van de verzameling raakt Kemna die wand niet aan. ‘Ik verander er stiekem natuurlijk wel eens wat aan, maar dat zeg ik niet tegen Wolfgang, bang als ik ben voor strafwerk.’

‘Er zit altijd een lichte touch van humor in het werk van Jaap Scheeren’. Foto: Jaap Scheeren

Zijn keuze en voorkeur voor Wolfgang Tillmans en andere hedendaagse fotografen geeft aan dat hij in het hier en nu wil leven. Kemna is het wandelende bewijs van het advies van de negentiende-eeuwse realisten en impressionisten: Il faut être de son temps. ‘Ik leef in het heden. Het is veel leuker om een foto van een levende fotograaf te kopen dan iets uit de kist te halen. Daar heb je de fotomusea voor. Ik ben meer van het hedendaagse werk, fotografie als spiegel van de tijd en wat ik om me heen zie. Al moet ik wel iets met het onderwerp hebben. Foto’s van rappers koop ik niet. Je snuit je neus en ze zijn voorbij…’

‘Florian heeft het mooiste fotoboek van de laatste tijd gemaakt, How Terry Likes His Coffee’. Foto: Florian van Roekel

Het hoogtepunt in zijn loopbaan als fotofanaat beleefde Kemna in 2008. Toen stelde De Hallen van het Frans Hals Museum in Haarlem, actief in de vijver van de hedendaagse kunst, een tentoonstelling samen uit de collectie van Kemna. Wolfgang Tillmans richtte voor de gelegenheid twee wanden van de tentoonstelling met zijn eigen oeuvre in. Een van zijn foto’s, een zelfportret als een wat onzekere puber met rode zwembroek aan de rand van het zwembad, stond op de cover van de catalogus. ‘Dat was een fantastische eer. Ik liep buiten mijn schoenen van trots. Meer dan zevenduizend bezoekers zijn op de tentoonstelling afgekomen.’

Over de toekomst van zijn verzameling denkt hij nog na. Veilinghuizen hebben hem al gepolst, maar op die aanbiedingen is hij niet ingegaan. Zijn collectie nalaten aan een museum vindt hij ook geen optie, dan komt die collectie voor het grootste deel in het depot terecht. ‘Ik denk dat ik het liever aan vrienden geef. Als ik weet dat iemand van een bepaalde foto houdt, laat ik die liever aan hem of haar na.’

Kader: Unseen

Unseen is de onwaarschijnlijke naam van de nieuwe beurs voor fotografie die op het terrein van de Westergasfabriek in Amsterdam wordt gehouden. Ook de organisator, het Fotomuseum Amsterdam, beter bekend als Foam, is een onwaarschijnlijke. Een beurs is immers in eerste instantie een commerciële gebeurtenis, geen museale. Maar zo kennen we Foam, altijd in voor reuring, wat in haar bijna twaalfjarige bestaan geleid heeft tot een constante stroom bezoekers. Foam verschuilt zich niet in een fotografische niche, maar kiest voor de hele waaier aan fotografische mogelijkheden, van hedendaags en lichtelijk ordinair tot kunsttheoretisch en hermetisch. Het weet beter dan de andere drie fotomusea in Nederland dat het publiek tegenwoordig liever vermaakt dan gesticht wil worden. Het weet ook van aanpakken, zoals blijkt uit het initiatief voor Unseen. De beurs ontving meteen een bijdrage van het recentelijk opgerichte Blockbusterfonds, een samenwerking van alle grote spelers op het culturele terrein in Nederland, van de BankGiroLoterij tot de VandenEnde Foundation. De website is geheel op orde en ziet er hip uit en de publiciteit loopt als een trein. Foam klaagt niet over bezuinigingen, het neemt initiatief. De 50 deelnemende galeries, 16 uit Nederland en 34 uit het buitenland – gezien de geografische en fotografisch internationale verhoudingen de juiste mix – betalen gemiddeld vijfduizend euro voor een stand. Wat neerkomt op een kwart tot de helft van de huur die galeries moeten betalen voor andere kunstbeurzen in binnen en buitenland. Een beetje foto kost tegenwoordig meer. Zo organiseer je een van tevoren verzekerd succes.

‘Unseen’, van 19 tot en met 23 september op het terrein van de Westergasfabriek in Amsterdam; www.unseenamsterdam.nl

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.