Paard en muziek in harmonie

door

Bartók, Stravinsky en Mengelberg: ze deden allen mee aan de Olympische Spelen. Zoals die bedoeld waren: sport en kunst tezamen. Tot 1948.

David Hecker/AFP/ANP

Tijdens de Olympische Spelen van 1912 in Stockholm won de Amerikaan Walter W. Winans twee medailles, een voor sport en een voor kunst. Met het Amerikaanse team werd hij tweede op het onderdeel ‘Enkel schot op lopend hert’. Dat zogenaamde hert kwam op een afstand van honderd meter op een karretje voorbij gesjeesd en de vijf schutters van het team hadden dan vier seconden de tijd om tien kogels door de maquette te jagen. Winans was vier jaar eerder in Rome zelfs eerste geworden op ‘Dubbel schot op lopend hert’, maar het bijzondere van zijn zilveren plak in Stockholm was dat hij ook goud won met An American Trotter, een bronzen beeldje van een paard, sulky en pikeur. In één jaar twee prijzen winnen op zulke uiteenlopende onderdelen, dat zou niemand hem meer nadoen. Alleen de Hon­gaar Alfréd Hajós kwam in de buurt. Hij won in 1896 zwemgoud op 100 en 1200 meter vrije slag, en in 1924 zilver voor een ontwerp van een zwembad.

Kunst was in 1912 voor het eerst onderdeel van de Olympische Spelen en dat jaar was er naast Winans nog een andere opvallende winnaar. Twee onbekende dichters werden olympisch kampioen literatuur met hun gezamenlijke Ode au Sport die ze zowel in het Duits als in het Frans hadden ingezonden. De eerste regel luidt: ‘O Sport, du Göttergabe, du Lebens­elixier!’ en deze extatische opening houden de dichters negen strofen lang knap vol. Maar de prijs werd niet opgehaald. Zeven jaar later bleek Ode au Sport geschreven te zijn door Pierre de Coubertin, de oprichter van de moderne Olympische Spelen. Zou dat doorgestoken kaart zijn geweest? Misschien niet. Het uitgebreide juryrapport looft de ode omdat de tekst zo direct voortvloeit uit het idee van sport, en de sport geprezen wordt op een manier die zowel literair als sportief klinkt. Het staat er echt. Zo’n jury zou Coubertins tekst dus best mooi hebben kunnen vinden.

L’esprit clair

Pierre de Coubertin wilde vanaf zijn allereerste Olympische Spelen in 1896 dat er ook om kunstprijzen gestreden zou worden, net als vroeger bij de Grieken. Hij betreurde de heersende scheiding tussen geest en spierkracht en keek een beetje neer op goede hardlopers die geen correcte Franse zin konden schrijven. L’esprit clair, aux muscles robustes, daar hield hij van. Maar De Coubertin begreep ook dat de Olympische Spelen eerst via de sport een vaste plaats in de samenleving moesten veroveren. In 1912 achtte hij de tijd rijp voor olympische kunst. Hij drukte zijn oorspronkelijke plan voor een pentatlon der muzen door, ondanks fikse tegenwerking van de organiserende Zweden die stevige spieren meer bewonderden dan de schone kunsten. De vijf onderdelen waren architectuur, beeldhouwen, schilderen, muziek en literatuur. In de loop der jaren werden de regels aangescherpt, de onderdelen opgesplitst, samengevoegd en weer opgesplitst, waren de jury’s groot, klein, internationaal of nationaal met een internationaal tintje, maar één ding bleef altijd overeind: de kunstwerken moesten betrekking hebben op sport. Archi­tecten ontwierpen zwembaden, stadions en gymlokalen, schilders schilderden boksers, zwemmers en hardlopers en schrijvers schreven over de olympiërs, de bron der jeugd, of over volhouden en winnen. De fraaiste titel was Reitvorschrift für eine Geliebte van Rudolf Binding (1928, zilver), de saaiste The Significance of Amateur Sport van Avery Brundage (1932, eervolle vermelding).

Partijdigheid

Voor een componist was deelname tamelijk eenvoudig. Hij kon bij wijze van spreken een onuitgevoerd werk uit de kast trekken, van een passende sportieve naam voorzien en klaar was Kees. Maar achteraf bezien kun je denken dat hij ‘olympisch’ in de titel moest verwerken om kans te maken op een gouden medaille. Bij alle vijf goudenmedaillewinnaars was dit tenminste het geval. Zo zijn we verrijkt met een olympische triomfmars, feestmuziek, eed en symfonie. De Belg George Monnier, winnaar in Antwerpen (1920), noemde zijn compositie kortweg ‘Olympique’. Enkele keren werd er geen prijs, of alleen een zilveren of bronzen plak gewonnen en bij al deze halve winnaars ontbrak het woord olympisch in de titel.

Toch zou het kunnen dat die voorkeur voor olympische titels gewoon toeval was. Er werden vaak zeer gerenommeerde componisten voor de jury gestrikt – in Parijs (1924) zien we Bartók, Ravel en Stravinsky op de lijst staan, in Amsterdam (1928) Mengelberg en Pijper, in Berlijn (1936) Malipiero en in Londen (1948) Bax – en het is onwaarschijnlijk dat die mannen zich allemaal voor het olympische propagandakarretje hebben laten spannen.

Deze beroemde juryleden hanteerden in elk geval een zekere kwaliteitsnorm. Alleen de Ber­lijnse jury met Malipiero loofde goud uit en wel aan twee Duitse componisten. Malipiero werd bijgestaan door een Fin en zeven Duit­sers. U mag zelf uit deze gegevens concluderen of er sprake was van partijdigheid. Naluisteren van de inzendingen en zo bepalen of zij terechte winnaars waren, is onmogelijk, want er is weinig olympische muziek die nog steeds gespeeld wordt. Zelfs de vijf gouden olympische composities bleken onvindbaar. (Voor de liefhebber: op YouTube is weer wel de enige prijs (brons) uit 1928, Simonsens Tweede symfonie ‘Hellas’, te beluisteren en ook de enige prijs (zilver) uit 1932, Into a new life van Suk.)

Veel beroemde composities hebben de Olympische Spelen dus niet opgeleverd. Toch was het juist de roem, of nauwkeuriger gezegd, het te gelde maken van olympische roem, die de kunsten weer uit de Olympische Spelen stiet. De kwaaie genius in dezen was Avery Brundage, u weet wel, de schrijver van The Significance of Amateur Sport. Brundage was een fanatieke strijder voor zuivere amateursport op de Olympische Spelen. Zijn redenering was als volgt: een schilder kon dankzij een gouden medaille een veelvoud voor zijn schilderijen vragen en hij was meestal trouwens al beroeps voordat hij meedeed, dus heeft kunst niets op de Olympische Spelen te zoeken, want die zijn uitsluitend voor amateurs bedoeld. Kunste­naars deden voor het laatst mee in Londen (1948). Er was toen onder meer goud voor een skischans, een bokswedstrijd in olieverf en een olympische symfonie.

Amazone

Privécollectie (Uit: ‘Isaac Israels in Den Haag’, Uitgeverij Thoth, 2012)

Ruim een halve eeuw later zijn er nog vier olympische onderdelen waarbij muziek een rol speelt, zij het op de achtergrond: paardendressuur, turnen, synchroonzwemmen en ritmische gymnastiek. Turners rennen, springen en draaien tijdens de vrije oefening (insiders spreken van ‘vloer’) dat het een aard heeft terwijl er muziek door de zaal schalt, maar het is best lastig om een verband tussen vloer en muziek te ontdekken. Ook bij ritmische gymnastiek en synchroonzwemmen lijkt de muziek er niet zo gek veel toe te doen. Een arm in de lucht heffen of het hoofd schudden op de eerste tel, dat is het wel zo’n beetje. Bij de paardenkür ligt dat anders. De paarden bewegen duidelijk op de maat van de muziek, al lijken hoofd, benen en bips soms allemaal een eigen leven te leiden.

Hoe zouden ruiters hun muziek kiezen? En wat vinden de paarden er zelf van? Om dat te weten te komen, tuften we naar Ellen Wynia in Steen­bergen, een dorpje in het uiterste noordwestpuntje van Drenthe. Buiten staat haar paard Chakakahn te dromen in het zonnetje, binnen ontvangt zij in een huis vol muziekinstrumenten.

Ellen Wynia is amazone en pianist. Ze heeft net gehoord dat ze op het nippertje niet uitgezonden wordt naar het wereldkampioenschap dressuur voor beloftevolle jonge paarden in Verden, haar pianoleerlingen hebben vakantie gekregen, de stallen zijn uitgemest en ze kan zich nu voorbereiden op een concert met het koor Cappella Ped’Eggia. Daarnaast maakt zij muziekcollages bij küren, voor haarzelf, maar ook voor anderen. Daarvoor gebruikt ze bestaande muziek die ze met zorg tot een geheel smeedt.

Begint u met de choreografie of met de muziek?

‘De ruiters maken zelf een choreografie. In een kür moet een serie verplichte oefeningen binnen een bepaald tijdsbestek worden afgewerkt. De volgorde van de oefeningen is vrij. De ruiters zetten hun kür op een video en daarmee ga ik aan de slag. Meestal gebruik ik drie stukken muziek, een voor de draf, een voor de galop en een voor de stap. Ik zoek dan naar geschikte muziek in één bepaalde stijl. Stukjes uit The Sound of Music, of uit Harry Potter, of alleen van Bizet. Ik heb ook wel Gounod met Grieg gecombineerd, maar je kunt ook alleen piano- of vioolmuziek kiezen die goed bij elkaar past. Sommige ruiters gebruiken meer muziekstijlen door elkaar, of verschillende stukjes voor alleen de draf, maar dat vind ik te druk.’

Hoe sluit u die stukken op elkaar aan?

‘Ik ben de meeste tijd kwijt met het luisteren naar muziek, want het ritme, het tempo en de stijl van de muziek moeten bij het paard passen. Dat doe ik op gevoel. Bij een hectisch paard zet ik meestal geen hectische muziek, tenzij ik die eigenschap juist zou willen benadrukken, en een grootramig paard met wat tragere bewegingen kan ik met vlotte muziek naar de wat vrolijkere kant ophalen. De meeste oefeningen worden ook in spiegelbeeld uitgevoerd, en dan knip ik de muziek zo dat er twee keer hetzelfde klinkt. Ook maak ik soms een bijzondere overgang spannender door hem precies in een muzikale stilte te laten vallen. En ik zorg ervoor dat de muziek tijdens de uitgestrekte gang, waarin de passen groter en verhevener worden, aanzwelt of op een andere manier expressiever wordt, dat de pauken daar gaan roffelen bijvoorbeeld. Maar ik kan de muziek daar ook met de computer wat luider maken, of wat sneller om de natuurlijke versnelling van het paard te maskeren. Om de stukken vloeiend in elkaar over te laten gaan, sleutel ik wat aan het tempo, maar dat mag natuurlijk niet opvallen. Alles moet mooi doorlopen, zodat het ook zonder het paard goed klinkt. Het moet een compositie worden die het publiek en de jury raakt. Een paard is voor mij emotie, net als muziek. Als paard en muziek tot een perfecte harmonie komen is dit geweldig om te zien.’

Moet het paard wennen aan de muziek?

‘Dat valt wel mee. Met muziek zijn ze vertrouwd, maar ze moeten wel vaak aan de entourage en de grote geluidsboxen wennen. Sommige paarden worden nerveus van harde of schelle muziek. Voor die paarden moet je rustige muziek kiezen en geen housemuziek met een dikke dreun. Dat is trouwens niets voor mij en ik geloof ook niet dat de gemiddelde jury daarvan houdt.’

Reageren paarden op hun kürmuziek?

‘Dat heb ik nooit gemerkt. Als je de bewuste kürmuziek in de stal laat klinken, dan gaat hij niet opeens de kunstjes doen die erbij horen. Het paard weet wel wanneer een volgende oefening komt als de kür vaak herhaald is, maar het legt geen verband met de muziek. Het is een gewoontedier dat snel weet wat na elkaar komt. Het is daarom ook niet verstandig om steeds de hele kür te herhalen met paarden die al snel aanstalten maken om zelf de volgende oefening in te zetten. Het paard mag dat niet zelf beslissen, het moet wachten tot de ruiter het aangeeft. De ruiter moet controle houden, anders krijg je misverstanden. Dan wil het paard door terwijl de ruiter juist inhoudt omdat de muziek er nog niet is. Daarom oefen ik zelf de onderdelen steeds in een andere volgorde. Dan blijft het paard op mij reageren.

Tijdens de kür kan de ruiter improviseren als het paard niet helemaal uitkomt. Op vreemd terrein lopen paarden soms iets terughoudender of juist sneller, en dan komen ze iets voor of achter de muziek aan. Een ruiter kan dan de lijnen aanpassen door bijvoorbeeld een wending te verruimen of af te snijden, zodat de oefeningen blijven samenvallen met de overgangen in de muziek.’

Zou zo’n paard de kür ook zonder ruiter kunnen doen?

‘In dat geval zouden we er niet op hoeven gaan zitten. Als je een paard lekker laat draven en galopperen, dan doet hij dat niet op de maat van de muziek, want dan zouden ze bij mij in de stal ook wel gaan trippelen op de muziek die ik daar draai. Ik heb nog nooit een paard door de stal zien walsen. Het is de ruiter die het allemaal bepaalt, niet het paard.’

Spaarnestad fotoarchief

Onze kunstprijswinnaars

De kunstdiciplines van de Olympische Spelen kenden veel Nederlandse winnaars (en wellicht niet toevallig extra veel in de Amsterdamse Spelen van 1928):

1924, Parijs

- Johannes van Hell, schilderen, brons

1928, Amsterdam

- Jan Wils, architectuur, goud

- Isaac Israëls, schilderen (schilderijen), goud

- Christiaan van der Hoef, beeldhouwen (reliëfs en medaillons), zilver

- Carel Scharten en Margo Scharten-Antink, literatuur (epiek), brons

1932, Los Angeles

- Gerhardus Westermann, schilderen (aquarellen en tekeningenwaterverf), brons

1936, Berlijn

- G. Kramer, schilderen (schilderijen), eervolle vermelding (de voornaam van Kramer was niet te achterhalen)

1948, Londen

- A. M. Luyt, schilderen (olieverf, aquarel, etc.), eervolle vermelding (vermoedelijk Arie Martinus Luijt)

 

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.