Wat de kunsten zeggen over ons
door Sander Pleij
Een kunstenaar had een kat opgezet en omgebouwd tot helikopter. Hij noemde zijn kunstwerk de Orvillecopter. Eerder had de kunstenaar een dode rat van een propeller voorzien. Voortaan kon de dode rat opstijgen en landen. En hij had van opgezette muizen een legpuzzel gemaakt. Een ander kunstenaarsduo had dode dieren versierd en vermaakt.

De Orvillecopter maakt een test- vlucht. Tweede van links kunstenaar Bart Jansen, die zijn eigen overreden kat Orville gebruikte.
Ze waren te zien op de KunstRAI. Nu kon erover worden gediscussieerd.
Persbureau Reuters stuurde een filmpje de wereld over. Wereldwijd werd over Orville de helikopterkat bericht. In de brievenrubrieken van de kranten en op internet stonden woedende reacties. Het gebouw van de RAI werd beklad, de kunstenaar met de dood bedreigd. Geen kunst maar een kunstje, vond de een. Onze hypocriete moraal is aan de kaak gesteld, riep dan weer een ander. De decadentie. Het bewijs van het eind der beschaving.
De waarde van Orville steeg van twaalfduizend naar honderdduizend euro.
De rel volgde het vaste patroon van de spektakelmaatschappij: kunst bestaat als hij spektakel veroorzaakt. Controversieel betekent: dús kunst.
Orville was een totem. Op Orville kon de dierenactivist zijn gelijk vastspijkeren. De intellectueel mocht zijn ruimdenkendheid etaleren. En de brallende rebel zijn stoutheid afficheren. Als het volk er aanstoot aanneemt, dan weet de elite dat het kunst moet wezen.
We zullen verdergaan. Zonder twijfel. Straks zal een kunstenaar van een dode opa een racewagentje maken. Dan zal de discussie zich herhalen: mag dit of mag het niet? Is het kunst of is het dat niet?
En weer zullen er mensen opstaan die roepen dat dit echt zo niet kan. Net zoals bij de dadaïsten, de brullende futuristen, de Ballets Russes, de pispot van Duchamp, de experimentelen, Jeff Koons, de Young British Artists.
Het woord decadentie zal weer vallen. Hedendaagse kunstenaars zullen andermaal beschuldigd worden van flauwiteiten. En ervan verdacht worden dat ze slechts ophef willen creëren.
Is dat terecht? Zijn de moderne kunsten slechts bezig met een herhaling van zetten en postmoderne fratsen? Worden er in de kunsten geen pogingen meer ondernomen om nieuwe perspectieven te schetsen? Zijn ze er slechts om te behagen, te becommentariëren en pour épater la bourgeoisie?
Vrij Nederland vroeg schrijver Allard Schröder en kunstcriticus Jhim Lamoree zich te buigen over de kwestie: zijn wij nou decadent of zijn de kunsten decadent?



