Bericht uit de seksuele prehistorie
door Carel Peeters
In haar mentaliteitsgeschiedenis van de negentiende eeuw De gemaskerde eeuw vertelt Marita Mathijsen in het hoofdstuk over de seksuele zeden het verhaal van de huwelijksdag van Carolina van Loon. Die ging in 1857 trouwen met Maurits van Lennep, de zoon van de schrijver Jacob van Lennep. Wanneer haar zusters naar haar kamer gaan om te helpen bij het aantrekken van de bruidsjurk treffen ze Caroline vrolijk zingend in bed aan. Dat vonden ze nogal onbetamelijk voor zo’n plechtige dag. Ze besloten Caroline voor te lichten over wat haar te wachten stond.
Wat Caroline te horen krijgt is funest voor haar vrolijkheid: ‘De hele verdere mooie dag was ze stil en teruggetrokken’. Over de huwelijksnacht weten we niets, maar de huwelijksreis naar Duitsland werd een mislukking. Pas vele jaren later vertelde Caroline aan haar man Maurits waarom ze op de huwelijksdag en daarna zo terneergeslagen was geweest. De zusters hadden haar verteld dat er die nacht iets verschrikkelijks met haar zou gebeuren, zonder dat ze precies vertelden wat: ‘een pijnlijke, beestachtige en vernederende marteling’ zou het zijn.
Caroline bleek helemaal niet voorgelicht te zijn. Ze dacht dat je alleen al zwanger werd als je met zijn tweeën in een bed ging liggen. Zulke verhalen hebben een uitermate representatief karakter. Zo ging het toe, ook in gegoede kringen. Men had het er gewoon niet over. Met dit soort materiaal schrijft Cas Wouters zijn boeken over de cultuurgeschiedenis van de seksualiteit, zoals het recente De jeugd van tegenwoordig. Emancipatie van liefde en lust sinds 1880. Daarin past ook, want niet minder representatief, wat Marita Mathijsen schrijft over hoe het in jaren vijftig, honderd jaar na Caroline, in Limburg toeging met de seks. Ze doet dat in Seks in Limburg, een boekje met haar herinneringen aan alles wat met seks te maken had. Dezelfde tekst is ook vertaald in het Belfelds, de taal van het dorp aan de Maas waar ze woonde.
Wat Mathijsen schrijft is alleen niet typisch Limburgs, het geldt ongeveer voor iedereen die in de jaren vijftig is opgegroeid. Er werd niet openlijk over seks gesproken, maar er ontstond was wel een geheimzinnige sfeer om heen die voor permanente nieuwsgierigheid zorgde. Hoe de kinderen geboren werden moest worden geraden. Hoeveel kinderen hebben jarenlang gedacht dat baby’s uit de navel van de moeder kwamen? Het duurde geruime tijd, zeker tot de middelbare school, voor je een enigszins samenhangend beeld van de materie had. Mathijsen werd wel voorgelicht over haar menstruatie. Dat gebeurde door haar vader op zijn kantoor. En op school kwam speciaal iemand van buiten voorlichting geven omdat de nonnen het niet wilden doen. Maar het fijne van de seks leerde ze uit boeken die ze niet mocht lezen: van Claus, Mulisch en Wolkers. En Sara Burgerhart, waarin hoeren, verleiders en schuinsmarcheerders voorkwamen.
Ondanks die voorlichting en de literatuur ontwikkelde Mathijsen geen onbevangen instelling ten opzichte van haar lichaam. Haar maagdelijkheid werd volgens haar vader, haar moeder, de pastoor, de rector en de nonnen permanent door mannen belaagd. Dat was een heilige zaak. Dat werd haar zo ingepeperd dat ze mannen en jongens ging wantrouwen. ‘Mannen zitten achter je aan’, werd haar voorgehouden, ‘mannen willen je veroveren, mannen willen je vangen, mannen willen je strikken, mannen schieten op alles. En ik moest de jacht ontkomen.’ In Amsterdam rond haar twintigste ontdeed Mathijsen zich pas van dit wantrouwen. En van het bijbehorende roomse zondebesef dat een normaal contact met jongens in de weg stond. Haar moeder had haar verteld dat een dag voor haar huwelijk de pastoor langs was gekomen. Hij had haar gezegd dat er voor een katholieke vrouw maar drie omstandigheden waren waarin ze haar man mocht weigeren: als hij dronken was, als zij ziek was en de derde was ze vergeten.
Met het boek van Cas Wouters in gedachten is het relaas van Mathijsen zestig jaar later iets uit de prehistorie. Het contrast met nu is grotesk. De pil, hot pants, openbare sekswinkels, tijdschriften, televisieprogramma’s, internet hebben bij elkaar voor een drastische informalisering van de seks gezorgd sinds de jaren vijftig. Cas Wouters heeft het over ‘opschuivende geilgrenzen’. Maar er is geen reden meer voor ‘morele paniek’ bij ouders, ondanks de alomtegenwoordigheid van seks. Door de ruim beschikbare seks is bij jongeren de noodzaak ontstaan om een balans te zoeken ‘tussen het verlangen naar seksuele bevrediging en het verlangen naar duurzame intimiteit.’ Dat noemt Wouters de ‘lustbalans’. Jongeren doen aan ‘zelfsturing’. Die vraagt van ouders hoogstens enige ‘liefdevolle bijsturing’.

