Critchley’s zelfgenoegzame masochisme en sadisme
door Carel Peeters
Zomergast Adriaan van Dis liet een fragment zien van het gesprek dat Melvyn Bragg had met Francis Bacon, de schilder van wanhoop en eenzaamheid in de gedaante van vervormde lichamen en gezichten. Op de vraag wat hem tot deze heftige schilderijen brengt antwoordde Bacon dat hij de werkelijkheid wilde laten zien. Die wordt doorgaans aan het oog onttrokken door een sluier van mildheid. Van Dis’ onvoorwaardelijke appreciatie van schokkende Bacons werk past in zijn fascinatie voor de rauwe werkelijkheid en de zelfkant van het leven. Dat het een authentieke fascinatie is van een uitgesproken estheet zou de Engelse filosoof Simon Critchley wel eens tegen de borst kunnen stuiten als snobisme.
Critchley, sinds 2004 hoogleraar aan The New School in New York en gasthoogleraar in Tilburg, werd begin dit jaar door Tomas Vanheste voor Vrij Nederland geïnterviewd naar aanleiding van zijn boek The Faith of the Faithless. Daarin betoonde hij zich een klassieke anarchist die de representatieve democratie ‘een leugen’ noemde: ‘Het idee dat democratie bestaat uit politieke partijen, stemmechanismen en constituties die mensenrechten vaststellen, treft mij als vreselijk armzalig.’ Crichtley heeft een hang naar radicalisme, mystiek en een sterke behoefte aan gemeenschap, hoewel hij niet gelovig is.
Onder de titel ‘Absolutely-Too-Much’ schrijft Critchley in het Amerikaanse internettijdschrift The Brooklyn Rail een artikel over de hedendaagse kunst waarin hij Francis Bacon als voorbeeld noemt van de ‘monsterlijkheid’ die nu noodzakelijk is om de kunst te laten breken met het smaakvolle en het esthetisch verantwoorde.
Er zit uitgesproken systeem in Critchley’s ideeën, misschien wel iets te veel. Critchley heeft ooit besloten dat de werkelijkheid extreem, gewelddadig en ‘verdoemd’ is. Het antwoord van de kunst daarop kan wat hem betreft ook alleen maar extreem, gewelddadig en verdoemd zijn. Vandaar dat hij in het artikel in The Brooklyn Rail schrijft dat kunst ‘in essentie gewelddadig is’: ‘art as violence against the violence of reality’. Zo simpel is het als je eenmaal besloten hebt dat de werkelijkheid uit gewelddadigheid bestaat. De meest radicale en interessante kunst van de afgelopen eeuw bestaat volgens Critchley uit de verbeelding van monsterlijke, het onbevattelijke, het onverzoenlijke en onverdraaglijke. Kunst moet afschuw opwekken, disgust, het moet ‘het monsterlijke cultiveren’. Kunst moet ‘ziekmakend’ zijn, ‘insanely troubling’.
Natuurlijk moet kunst ook ziekmakend zijn. Maar alleen ziekmakend? Wie, zoals Critchley, denkt dat de essentie van kunst gewelddadig is, heeft zich een paranoïde en hysterisch wereldbeeld aangemeten om op elk moment van de dag de wereld, de ‘democratie’ en het kapitalisme de schuld te kunnen geven. Het is de ideologische mentaliteit van het permanent afschuiven van de schuld en jezelf in morele zuiverheid koesteren.
Maar was zelfgenoegzaamheid niet juist iets dat Critchley in zichzelf als academicus verafschuwde? In The Brooklyn Rail kastijdt hij zichzelf als zondige, van het instituut universiteit afhankelijke, academicus. Anders dan de kunstenaar bevindt hij zich in een luxe positie, schrijft hij. Door hun bijna complete onafhankelijkheid krijgen de kunstenaars ‘a certain honest edginess’.
Nadat hij de kunstenaar eerst heeft uitgeroepen tot de nieuwe held van de hedendaagse cultuur, blijkt Critchley hem ernstig te benijden. Volgens Critchley is de hedendaagse kunstenaar ‘the aspirational paradigm of the new worker: creative, unconventional, flexible, nomadic, creating value, and endlessly travelling.’ Het klinkt zo absurd ideaal dat je je afvraagt of Critchley die hedendaagse kunstenaar niet in de maling neemt. Maar nee, hij werkt die nieuwe rol van de kunstenaar zelfs uit door hem de plaats te laten overnemen van de culturele held van de jaren negentig, de literaire criticus: ‘The heroic critics of the past are no more. That world is gone.’ Zoals ook de roman bijna verdwenen zou zijn en een ‘utterly marginal phenomenon’ zou zijn geworden. Daarentegen nu een kunstenaar te zijn ‘looks like a lot of fun, like being a rock star in the 1970s.’
Simon Critchley is zijn bestemming misgelopen en betreurt dat nog steeds. Hij is, vertelde hij aan Tomas Vanheste, schrijver en docent geworden omdat hij na een ongeluk geen musikant in een punkband meer kon worden. Nu verheerlijkt hij het onafhankelijke kunstenaarsbestaan en is het voor hem ‘simply a fact that contemporary art has become the central placeholder for the articulation of cultural meanings.’ De vraag is of de hedendaagse kunst wel echt de plaats is waar de culturele thema’s worden vertolkt. Ik zou eerder aan de cultuurfilosofie denken, maar dan niet die van Critchley.
De ‘articulatie van culturele betekenissen’ mag er voor Critchley niet toe leiden dat mensen bij het zien van kunst een esthetische ervaring ondergaan. Kunst, schrijft hij, ‘is de vijand van de esthetische ervaring’. Kunst is immers in essentie gewelddadig. Kunst moet ‘some kind of experience of the real’ produceren. Een esthetische ervaring maakt dat onmogelijk. Dat ‘werkelijke’ moet bestaan uit het monsterlijke, walgelijke en onverdraaglijke. De opwekker van disgust, dat is kunst.
Critchley’s louter ideologische en morbide psychologische opvatting van kunst is een grove versimpeling van wat kunst kan zijn. Critchley is gek op de orgie’s van bloed van de Oostenrijker Hermann Nitsch. Er zit systeem in zijn ideeën, want om zijn betoog te ondersteunen verwijst hij ook naar het Theater van de wreedheid van Artaud, de ‘heilige walging’ van George Bataille en het toneel van Heiner Müller. Een gewelddadige smaak.
Een esthetische ervaring hoeft de ‘experience of the real’ helemaal niet in de weg te staan. Een esthetische ervaring bestaat niet alleen uit de geur van rozenblaadjes. Die is rijker, veelzijdiger en intenser dan alleen het ondergaan van eendimensionale afschuw bij het zien van bloederige karkassen van koeien en het zich wentelen in bloed en ingewanden door Hermann Nitsch. De werkelijkheid is geen doetje, maar ook niet alleen monsterlijk, zoals Critchley wil. Hij doet aan zelfgenoegzaam masochisme en sadisme.


