De 1-2-3-schaal
door Carel Peeters
Dat De misantroop van Molière om de zoveel tijd nog wel eens wordt opgevoerd wil allerminst zeggen dat mensen die niet zo erg van mensen houden vertrouwde personages zijn in het hedendaagse leven.
Daarin heerst een en al positieve psychologie. ‘Happiness’ was een gewoon woord uit het Engelse woordenboek, maar het is nu veranderd in Happinez, een soort luxe navelstaren. De definitie van happinez is tevreden worden in een tevreden samenleving. De instelling van een misantroop kun je daarbij niet gebruiken. Die is behept met een negatief oog. Hij ziet te snel wanneer de mens zich aanstelt, waar zich listige zelfverrijking voordoet, of opportunisme, of hypocrisie op momenten dat het niet hoeft. Dat is zijn specialiteit, hij kan het niet helpen. Molière’s misantroop heeft zelfs een waarheidsmanie. Daarmee onthult hij veel, maar hij dreigt er zelf aan onderdoor te gaan.
Het interessante aan misantropische schrijvers is dat ze van hun misantropie garen spinnen, voor zichzelf en voor de lezer. In het aan Misantropie gewijde nummer van het Vlaamse literaire tijdschrift Deus ex machina wordt een overzicht gegeven van de schrijvers die hun mensenhaat verzilverden in boeken die nog steeds gelezen worden. Exemplarische misantropen. Ze accepteerden dat het woord geluk niet in hun woordenboek voorkwam. Om dat te compenseren brachten ze hun mensenhaat des te kernachtiger onder woorden. ‘Ik leid een hard bestaan’, schreef Flaubert, ‘ontdaan van iedere uiterlijke vreugde, en het enige dat me staande houdt is een soort van permanente razernij die soms huilt van machteloosheid, maar die niet aflaat. Ik houd van mijn werk op een koortsachtige en perverse manier, zoals een asceet van het boetekleed dat over zijn buik schuurt.’ Die machteloze, maar goed onder woorden gebrachte razernij geldt min of meer voor elke misantropische schrijver, van Nicolas Chamfort, La Rochefaucould, Schopenhauer, Nietzsche, Barbellion, E.M. Cioran, Céline, Léautaud, Thomas Bernhard, J.M Coetzee tot Michel Houellebecq en de Nederlanders Marcellus Emants, W.F. Hermans, Robert Loesberg en J.H. Wiener.
Wie achter elkaar leest hoe Thomas Bernhard zijn Oostenrijkse landgenoten een spiegel van hun collaboratie voorhoudt, hoe Cioran de doos van Pandora van menselijke illusies opentrekt, hoe Houellebecq de achterkant van de menselijke façade onthult, kan niet anders dan concluderen dat de literatuur een volstrekt eigen leven leidt. Wat Bernhard, Cioran, Hermans, Grunberg of Coetzee schrijven gaat over een andere wereld die dan waar we dagelijks mee te maken hebben. De literatuur staat haaks op de werkelijkheid. In de werkelijkheid doet men aan Happinez en is men bezig het geluk van mensen te bepalen door middel van ‘geluksmeters’. Er wordt gevraagd waar men zich bevindt in de 1-2-3-schaal: is men ‘niet erg gelukkig’, ‘tamelijk gelukkig’ of ‘heel gelukkig’? De uitkomsten zouden iets zeggen over de wereld van nu. Misschien zijn mensen sociologisch of economisch gezien wel ‘tamelijk gelukkig’. Maar wat hebben we daaraan, als de echte werkelijkheid veel genuanceerder is en in de literatuur te vinden is, bij Philip Roth, Jonathan Franzen of Martin Amis. Daar lees je hoe het werkelijk is gesteld. Je hoeft er zelfs niet voor naar de uitgesproken misantropische schrijvers. Al die sociologen, psychologen en sociaal-geografen zijn bezig met wat men in Amerika happyism noemt. Ze bepalen hoe grote groepen mensen zich zouden voelen. Je hebt er niets aan. Je komt die mensen niet tegen in de literatuur.
Geluk is een woord dat helemaal niet thuis hoort in de sociologie of de sociale psychologie. Wat geluk voor mensen is kan onmogelijk in algemene termen gevangen worden. Wat geluk eventueel mogelijk maakt, dat is waar men zich mee bezig moet houden, van de subtiliteiten van geluk moeten ze zich verre houden. Democratie is zo’n voorwaarde, en vrijheid, ziekenhuizen en onderwijs. Daarmee kun je zelf voor geluk en voor dat van anderen zorgen – en eventueel ook nog misantroop zijn. De literatuur, en zeker die van de misantropische schrijvers, relativeert geluk alleen al omdat ze met een vergrootglas naar het leven van mensen kijkt. Dan zie je veel. Sociaal-psychologen en sociologen kijken met een omgekeerde verrekijker. Ze zien de algemeenheden, niet de details. Ze zien niet dat mensen ook de grootste moeite kunnen hebben met geluk.
Ze kunnen bijvoorbeeld aan hedonia lijden, het onvermogen om van geluk te genieten. Voor die aandoening is geen plaats in de 1-2-3-schaal. Er zijn mensen die vinden dat ze sober (niet uitbundig) moeten leven, anderen stellen zich komende rampen voor, er zijn mensen die denken dat ze geen recht op geluk hebben, weer anderen hebben geen talent voor frivoliteit. Ook denkt men zich de verschrikkelijkste dingen in, zoals te lezen in Hedonia van Kees van Kooten (vrouw die het met een beroemde komiek zou doen).
De geluksindustrie werkt, getuige de vele tijdschriften die geluk als maandelijks terugkerend onderwerp hebben, desondanks op volle toeren. Als het om een nieuw recept voor een zomerse appeltaart gaat hoeft niemand zich daarover te beklagen. De misantropie heeft zijn grenzen.


