Een blik in Sloterdijks goedgevulde dagboeken
door Carel Peeters
Wanneer de Duitse filosoof Peter Sloterdijk in juni 2008 in het Zwitserse Sils Maria een lezing moet geven over Hermann Hesse, logeert hij in Hotel Waldhaus, een berghotel op 1800 meter, uitkijkend over het meer en over de bergen waar Nietzsche lange wandelingen maakte. Het is een vijfsterren hotel en Sloterdijks honorarium bestaat uit een paar dagen te mogen logeren op de hoogste verdieping met aan twee kanten een majestueus uitzicht. Hij voelt zich op deze hoogte en in deze omgeving, met een verwijzing naar Nietzsche, ‘jenseits von Mensch und Zeit’.
Het verblijf in het Hotel Waldhaus zorgt weer voor een van zijn karakteristieke observaties. Dat is altijd een combinatie van sociologie en psychologie. Het Waldhaus noemt hij een ’auratisch’ hotel: een hotel met uitstraling. Een hotel met aura. Het soort hotel waarbij men bij het noemen van de naam allerlei voorstellingen van genoegens krijgt. Ja…het Waldhaus…Het is exclusief, oud, flink duur, met perfect personeel, met bedden als wolken, met een ongeëvenaarde keuken, met kleine attenties en onverwachte voorzieningen.
Dat Sloterdijk het hotel ‘auratisch’ noemt komt niet uit de lucht vallen. Hij gebruikt hier een begrip dat Walter Benjamin introduceerde in zijn boek over het kunstwerk ten tijde van de opkomst van de reproductie. Een reproductie is een kunstwerk zonder het aura van het oorspronkelijke, authentieke werk. Er gaat iets verloren met de reproductie, volgens Benjamin. Zoals zo vaak past Sloterdijk zo’n begrip op een net iets andere manier toe, waardoor er een nieuwe en frisse kijk ontstaat.
Het ligt niet voor de hand dat we door Peter Sloterdijk op de hoogte worden gehouden van zijn bezoeken aan hotels en plaatsen als Sils Maria. Hij schrijft niet het soort boeken waarin dat past. Maar zijn nieuwe boek is dan ook iets heel anders: Zeilen und Tage is een selectie van 639 pagina’s uit drie jaar (2008-2011) aantekeningen in de marge van zijn werk als filosoof en als rector van de Hogeschool voor Vormgeving in Karlsruhe. Sloterdijk houdt al veertig jaar een soort dagboek bij. Hij is aan cahier 104 toe. Hij kijkt niet graag terug, vandaar dat hij (na aandringen van zijn uitgever) besloot alleen aantekeningen te selecteren die nog goed in zijn geheugen lagen.
Sloterdijk reist wat af. In Zeilen und Tage vraagt hij zich van tijd tot tijd af wat hem beweegt om weer een uitnodiging aan te nemen om te spreken in Boston, Abu Dhabi, Wenen, Amsterdam, Parijs, Lausanne, Birmingham, Montepulciano, Interlaken, München of New York. Sloterdijk schrijft het niet zo onomwonden, maar het voornaamste motief is dat hij steeds weer wordt uitgedaagd om iets nieuws te bedenken. Sloterdijk is een fontein van ideeën die altijd aan staat. Hij is een vruchtbaar lezer die alles wat hij leest naar zich toetrekt, er een wending aan geeft waardoor er een nieuw inzicht ontstaat. Vaak gaat dat samen met het bedenken van nieuwe, soms monsterlijke woordconstructies, of variaties op bestaande begrippen (zoals dat ‘aura’). Zeilen und Tage is een boek als een weldadige regen van gewone en ongewone notities, invallen en kleine essays.
Sloterdijk denkt prikkelend, hij geeft alles een wending waar je niet op bent voorbereid. De ‘crisis’ die sinds 2008 woedt? Dat is ook een heerlijke tijd, want men kan nu voluit op de schuldigen afgeven: ‘Die Krise macht das moralische Geniessen leichter. Man nennt die Bösen beim Namen, die Gierigen heisst man gierig, die Grenzenlosen grenzenlos.’ De Islam? Dat het in het Westen niet zo goed gesteld is met het geweten (dat is ‘für viele feindliche Ausland geworden’), in de Islam ‘wordt de deugd van de zelfcorrectie helemaal niet aangeleerd’. Sloterdijk introduceert hier een ‘cultuur van gewetensonderzoek’ die we alleen kennen in zijn christelijke gedaante. Hij maakt er ineens iets algemeens van.
Stel je voor, schrijft Sloterdijk, dat Freud niet het verhaal over Oedipus die zijn vader onwetend vermoordt als eerste had gelezen, maar de opera van Idomeneo van Mozart had gezien waarin een vader zonder het te weten zijn eigen zoon doodt. Dan hadden we geen Oedipus Complex gehad, maar een Idamante complex, genoemd naar de zoon. Hoe anders zo de Westerse literatuur van de afgelopen honderd jaar er dan uit hebben gezien. Interessant is ook dat de vaak sceptische, kritische en ironische Sloterdijk in laatste instantie niet meer in zijn sceptische instelling wil blijven steken. De ‘cultuurtheorie’ heeft het punt genaderd dat het zich niet meer tevreden kan stellen met de gevonden hypothesen. We weten inmiddels genoeg. Er is alle reden om sceptisch te blijven, maar er moet ook iets met die kennis gedaan worden. Met een impliciete verwijzing naar Leibniz schrijft hij: we geven een positieve wending aan die kennis ‘wenn wir das Beste sagen, was wir wissen’. Dit is duidelijk genoteerd tijdens het schrijven van zijn laatste boek Je moet je leven veranderen.
Ook aardig zijn de prikken die hij uitdeelt naar andere schrijvers en filosofen, zoals Alain de Botton of Bernard Henri Lévi. Die wil dat filosofen ook ‘Krieger’ zijn, krijger of soldaat. Filosofen kunnen volgens Sloterdijk zo ongeveer alles zijn, maar geen soldaat. En de opmerkingen over Edmund Burke, de conservatieve Engelse politicus die Sloterdijk graag leest omdat hij voor het ‘antimoderne’ staat dat men moet kennen om het moderne te kunnen begrijpen. Terloops begrijp je ook hoe belangrijk de dichter Hölderlin voor hem is. Hij schrijft dat hij hem tijdens een lezing ineens voor zich ziet: ‘Hij stond aan het raam en knipoogde mij toe, alsof hij zeggen wilde: ga zo voort’. Zeilen und Tage in een schatkamer vol zinvolle en prikkelende aantekeningen die stuk voor stuk te denken geven.



