Frits Staal, de filosoof die geen filosoof wilde zijn

door

Het beste dat de filosofie kan overkomen is dat het vak overbodig wordt. Dat vond de deze week overleden filosoof Frits Staal. Het was een provocatief bedoelde uitspraak. De filosofie liet zich te veel met schijnproblemen in. Filosofen als Heidegger, Jaspers of Sartre verkochten vage praatjes die geen enkele bijdrage leverden aan de echte kennis van de wereld. En postmodernisten en deconstructivisten ontkenden het bestaan van de waarheid, het enige waar de echte filosofie volgens Staal op uit moest zijn. Volgens Staal verdwijnt de filosofie en wordt zij vervangen door wetenschappelijke experts op elk denkbaar gebied. Vroeger filosofeerde en theologiseerde men over het ontstaan van het heelal, nu is dat een wetenschappelijke vraag geworden. ‘Het is veelzeggend’, zei hij eens in het interview, ‘dat in onze eeuw alle grote inzichten door niet-filosofen zijn aangedragen: door Freud, Einstein, Chomsky.’

Aan het overbodig worden van de filosofie ligt de veronderstelling ten grondslag dat de wetenschap op den duur alle filosofische problemen zal oplossen. Om het in Hollandse termen te zeggen: alle filosofische kwesties zullen worden ingepolderd door de wetenschap. Alles wat te maken heeft met typisch filosofische thema’s als de vrije wil, de tijd, de ruimte, het bewustzijn, oorzaak en gevolg, de ziel, het verstand en de moraal zullen worden drooggelegd door de wetenschap. Waar eerst onzeker water was, ontstaat solide land waarop gebouwd kan worden. Wel vond Staal dat het overbodig worden van de filosofie nog even kon duren, maar het was de onvermijdelijke uitkomst voor iedereen die uit is op de waarheid.

Natuurlijk heeft Staal tot op zekere hoogte gelijk. In de zeventiende eeuw boezemden kometen de mensen grote angst in. Men dacht (en filosofeerde en theologiseerde) dat kometen een ernstige boodschap van God doorgaven. De astronomie maakte daar een eind aan. Voor Staal had de wetenschap een groot probleemoplossend vermogen. Met een gevoel van verwantschap citeerde hij een uitspraak van de logicus Alfred Tarski: ‘Ach, filosofie is meer iets voor de after diner speech’. Tarski vond het zonde van de tijd om zich met problemen bezig te houden waar hij niet de zekerheid van de logica op kon toepassen. Zo ver wilde Staal niet gaan, maar wel had hij weinig affiniteit met filosofie die zich niet met universalia bezighield. Het ging Staal om de waarheid en om wat universeel was. Het permanent onzekere gebied dat zich aan de waarheid onttrekt (zoals dat van de moraal, de cultuur, de kunst, de politiek, het sociale) kreeg een koude schouder van hem. ‘Meer waardevol dan het zoeken naar persoonlijk subjectief geluk is het zoeken naar algemene en objectieve waarheid’, zei hij. En: ‘Ik ben minder geïnteresseerd in de moraal of de goedheid dan in de waarheid.’

Staal was uiteindelijk vooral geïnteresseerd in abstracties. Zijn studie van de universalia, uitmondend in Universals. Studies in Indian Logics and linguistics (1988), is een studie ver weg van het unieke, zeldzame, eenmalige, persoonlijke, tijdelijke, individuele, culturele, plaatselijke. Hoe sympathiek en geestig hij ook kon zijn, en hoe fijnzinnig zijn belangstelling voor vedische rituelen ook was, Staal was geen muzische geleerde. Hij maakte de sprong naar het abstracte en universele te snel. Wat nog niet abstract of in een kunstmatige taal als die van de wiskunde kon worden gevat, leefde voor hem niet. Daarom was hij ook niet geïnteresseerd in zoiets (vermeend) vrijblijvends als literatuur. Hij wilde zekerheden. Dat zijn maar boeken, die zijn niet algemeen en objectief genoeg. Homerus, Shakespeare, Goethe, hij beschouwde ze vooral als oude producten van de westerse cultuur, niet als nog steeds levend cultuurgoed.

Staal vatte filosofie op als een wetenschap. Er is natuurlijk veel dat er om vraagt om met een wetenschappelijke instelling te worden bestudeerd, maar er is te veel dat onvermijdelijk blijft hangen tussen wetenschap en noodzakelijk vrij denken omdat er geen zekerheden mee te verwerven zijn: vandaar het bestaan van kunstfilosofie, en politieke filosofie, rechtsfilosofie, en sociale filosofie, allemaal gebieden die zich aan het zicht van Staals filosofie onttrokken. Dit soort filosofie moet het niet hebben van zekerheden, maar van overtuigingskracht, van elegante redeneringen, van verrassende inzichten die voor enige tijd hun dienst bewijzen om iets van de wereld te begrijpen.

Staal vond dat de wetenschap het altijd beter weet dan de filosofie. Hij gaf eens het voorbeeld van de vraag naar het begin van leven: ‘wanneer kun je iets leven noemen en wanneer niet?’ Wie bepaalt wanneer een leven begint? Is dat de filosofische ethicus of degene die alles weet van embryo’s en baby’s? Voor Staal was het geen vraag: ‘Wie is nou beter in staat om daarover iets verstandigs te zeggen dan de man en de vrouw die dagelijks onder de microscoop het ontstaan van leven gadeslaat? Alleen zij kunnen juiste criteria opstellen.’ De laatste zin is tekenend: inderdaad kunnen de wetenschappers de criteria opstellen, maar het besluit of een leven begint na zes weken in de buik, of na tien weken of pas na drie maanden, is een ethische aangelegenheid waar de man of vrouw boven de microscoop niet meer vanaf weet dan ieder ander met gezond verstand. Voor Staal mag de microscopist het zeggen, niet de filosoof of ethicus.

Ondertussen heeft Staal met zijn boeken over de grammatica van het Sanskriet, de Indische logica en de rationele geheimen van het mysticisme, baanbrekend werk verricht door van ‘rituele tradities’ te spreken en niet van godsdiensten. Hij zorgde voor een herwaardering van grammaticus van het Sanskriet Panini, de Euclides van India in de vijfde eeuw voor Christus. Met zijn herwaardering van de klassieke oosterse wetenschappen als gelijkwaardig aan die van de klassieke Grieken, heeft hij de aandacht naar Azië verlegd: Looking beyond Europe heet het hoofdstuk in zijn postuum te verschijnen boek May these Bricks be Cows for me waarin hij China en India als de nieuwe centra van de beschaving aanwijst.

Omdat Staal maar incidenteel in Nederland was en zijn werk in Berkeley en later in Thailand schreef, hebben weinigen een overzicht van zijn hele werk. Het wordt tijd dat zo’n overzicht ontstaat en dat duidelijk wordt hoe groot zijn verdiensten voor de wetenschap en de filosofie echt zijn. In ieder geval ging geen enkele lezing die hij door de jaren heen in Nederland hield (van de Brandende kwestie in 1984) tot zijn colleges over oosterse filosofie in Leiden) onopgemerkt voorbij. Er werd steeds aan de wortels van de filosofie gemorreld.

Gepubliceerd op: | No Comments