Geschiedenis van onderop
door Carel Peeters
Het omslag van de Penguin-pocket Occupy geeft als auteur de Amerikaanse linguïst, politiek analist, commentator en activist Noam Chomsky, maar het boekje bestaat voor het overgrote deel uit antwoorden van hem op vragen gesteld tijdens bijeenkomsten van de Occupy-beweging in Amerika. Dat is geen probleem, maar het is iets anders wanneer je verwacht dat Chomsky hier zijn essays, lezingen en krantenartikelen over Occupy had verzameld.
De Occupy-beweging is uit de publieke aandacht weggeëbd en menigeen vraagt zich af wat ervan terecht is gekomen en waar het toe heeft geleid. Er is geen reden daar al te optimistisch over te zijn wanneer nog zo’n veertig procent van de Amerikanen van plan is om op Mitt Romney te stemmen, de presidentskandidaat die een andere veertig procent van de Amerikanen tot steuntrekkers heeft verklaard. Daar hoeft en wil hij geen president voor te zijn.
Door de Occupy-beweging weet iedereen nu wie de halve wereld in een crisis heeft gestort. En dat de laatste dertig jaar in Amerika de inkomensverschillen tot absurde hoogte zijn gestegen. En dat in dezelfde tijd Wall Street, de banken en andere financiële instellingen een niet te stillen geldhonger kregen ten koste van het fatsoenlijk zakendoen. Directieleden van banken fraudeerden, en gingen wanneer ze gesnapt werden nog rijker naar huis. 1 procent van de Amerikanen, de superrijken, bezit evenveel geld als 99 procent van de andere Amerikanen. Door de Occupy-beweging zijn deze ongelooflijke cijfers nu tot het nationale bewustzijn van Amerika doorgedrongen. Niet alleen volgens de sympathisanten van de beweging, maar ook volgens een jaarlijks onderzoek van de Pew Foundation: ‘The Occupy Wall Street movement no longer occupies Wall Street, but the issue of class conflict has captured a growing share of the national consciousness.’
Volgens Chomsky kun je spreken van een ‘spectaculair succes’ van de de Occupy-beweging. Allerlei thema’s die zich eerder alleen maar in de marge van de discussie ophielden zijn nu centraal komen te staan. Zoals de historisch grote inkomensverschillen, zodat er nu in Amerika gesproken wordt van een heuse ‘klassenstrijd’, een begrip uit lang vervlogen tijden dat nooit eerder in Amerika is gebruikt. Voor de meerderheid van de Amerikanen zijn de inkomens niet omhoog gegaan de laatste dertig jaar, alleen de rijken zijn rijker en rijker geworden. Die klassenstrijd is zo bitter aan het worden omdat de rijken het ook zo weten in te richten dat ze absurd weinig belasting betalen. Chomsky noemt het in Amerika geen ‘Third World misery’, maar wel een schande voor zo’n rijk land dat de rijkdom zo belachelijk ongelijk over de bevolking is verdeeld.
Opvallend is hoe Chomsky zich niet in de rol van een ‘leider’ van de Occupy-beweging laat duwen. Hij heeft natuurlijk zijn antwoorden paraat, maar benadrukt onophoudelijk dat alles van onderop moet komen. Ze moeten van hem niet verwachten dat hij zegt hoe het moet. Wanneer een politicus een afdeling van Occupy bezoekt moet hij ook niet zijn vaste praatje komen houden, maar vooral luisteren naar wat de occupiers te zeggen hebben. Hij moet niet de kans krijgen te zeggen ‘look how great I am’ en kijk eens wat ik allemaal voor jullie ga doen. De ideeën, suggesties en democratie moet van henzelf komen.
De Occupy-beweging is ontstaan uit frustratie. De politiek, de banken en de verzekeringsmaatschappijen wilden de crisis eigenlijk afschuiven op iedereen, behalve op henzelf. In vroeger tijden had er een revolutie uit kunnen ontstaan. De frustratie heeft voor een scherper bewustzijn gezorgd voor wat er in Amerika en de rest van de wereld aan de hand is. Boeken als The Price of Inequality van Joseph Stiglitz, Niet alles is te koop van Michael Sandel en Twilight of the Elites van Christopher Hayes zijn uitdrukking van een klimaat waarin men genoeg heeft van de neoliberale expansiedrift.
Allebei de door Chomsky zelf geschreven stukken in het boekje schreef hij ter herinnering aan Howard Zinn, een hoogleraar aan de Universiteit van Boston die in 2010 overleed. Zinn was het evenbeeld van Chomsky, ook een gerespecteerd wetenschapper, maatschappijcriticus en, als het nodig was, activist. Zij leerden elkaar in 1964 kennen tijdens een demonstratie voor burgerrechten in Jackson Mississippi. Zinn schreef in die tijd het handboek van de SNCC, het studentencomité voor geweldloze actie, en later het standaardwerk A People’s History of the United States, de eerste ‘geschiedenis van onderop’. De Occupy-beweging staat onmiskenbaar in die traditie.




Pingback: Claars Notes » over bodemloze putten en wie erin vallen