Hoe literatuur een gebeurtenis wordt

door

Prul, ‘de bijziende scharrelkip’ die samen met haar vader Gijzelhart de hoofdpersoon is van Frans Kellendonks roman Mystiek lichaam, heeft ook een broer, Broer genaamd. Hij woont in New York en is een succesvol kunstcriticus/adviseur/taxateur die innige banden heeft met het homoseksuele circuit. Hij is de man achter The Wild Boys, een kunststroming die op spectaculaire manier de mannenliefde in de kunst wil brengen. Maar die stroming dreigt passé te raken. Wanneer Broers reputatie en financiële positie last beginnen krijgen van de conjunctuur schrijft Kellendonk: ‘Zo kon het onmogelijk doorgaan. In elk geval kon de conjunctuur, die grillige wind die het geld als dorre bladeren van de ene goot naar de andere blaast, niet altijd zijn kant uit blijven waaien.’

Terry Eagleton. Foto: Magnus Manske

Je moet van goede huize komen als je zou willen ontkennen dat de vergelijking van de conjunctuur met de grillige wind die het geld als dorre bladeren van de ene goot naar de andere blaast, niet heel treffend is. En daarmee een voorbeeld van wat men literatuur noemt. Toen de Engelse literatuurwetenschapper en cultuurcriticus Terry Eagleton in 1983 zijn boek Literary Theory publiceerde ontkende hij daarin dat literatuur van zichzelf duidelijke eigenschappen en kwaliteiten zou hebben. Die zaten niet in een roman of gedicht, die werden door de lezer of de criticus toegekend. ‘Alle macht aan de lezer’, daar kwam het op neer, de roman of het gedicht zelf had niets te zeggen.

Deze theorie heeft een tijd school gemaakt onder de naam ‘receptie-esthetica’ en werd ook een onderdeel van ‘culturele studies’. Helemaal verdwenen is hij nog niet. In zijn boek Staande receptie blijkt Jos Joosten hem nog onverkort aan te hangen. ‘Literaire waarde is geen objectief en autonoom gegeven’ schrijft hij, ‘maar het gevolg van een proces van toekenning.’ Literatuur zit niet in een roman of gedicht, maar is een ‘Sozialsystem’, zegt hij. Niemand zal natuurlijk beweren dat literaire waarde een eenvoudig objectief gegeven is, maar het voorbeeld van Kellendonk laat zien dat een roman literaire eigenschappen kan hebben die niet over het hoofd gezien kunnen worden. De literaire kwaliteit van Kellendonks zin komt eenvoudig naar je toe.

In 1983 schreef Eagleton in Literary Theory nog dat literatuur eenvoudig de naam was die de bourgeoisie in de negentiende eeuw aan bepaalde teksten had gegeven waarvan ze wilde dat ze een esthetische status kregen. Literatuur was een onderdeel van de klassenstrijd voor Eagleton. In 1990 publiceerde hij nog een boekje onder de titel The Significance of Theory, maar daarna begon de langzame terugtocht uit de klassenstrijd en de theorie, om in 2003 uit te monden in After Theory. In 2012 moet hij in zijn nieuwe boek The Event of Literature constateren dat theorieën als semiotiek, poststructuralisme, marxisme en psychoanalyse voor studenten voor het grootste deel ‘een vreemde taal’ zijn geworden.

Eagleton is niet helemaal van zijn geloof gevallen, maar dat hij in The Event of Literature de literatuur nu als een ‘gebeurtenis’ wil zien wil zeggen dat hij zich verlost heeft van te veel theorie. Sterker nog, er staan hele hoofdstukken in waarin hij alleen maar de theorieën van anderen fileert. Zelf is hij een aanhanger van het gezond verstand geworden. Het is enigszins tragisch dat hij na bijna veertig boeken nog een hoofdstuk moet schrijven met de titel ‘What is literature?’ Bij de beantwoording van de vraag kan hij er niet meer om heen dat literatuur bestaat, ook onafhankelijk van de lezer, al blijft die onmisbaar. De lezer moet wat hij leest als literatuur herkennen. Literatuur geeft voor Eagleton nu op fictionele manier inzicht in de menselijke ervaring, bedient zich van een zelfbewuste rijke taal, heeft geen praktische bedoelingen en valt op als heel goed geschreven.

Eagleton rakelt ook de oude discussie op tussen realisten en nominalisten, die teruggaat tot de dertiende eeuw, tot Thomas van Aquino (realist) en Duns Scotus (nominalist). Voor de realist had God de wereld voorzien van een reeks inherente betekenissen en essenties waar niemand omheen kon. Dons Scotus vond dat een onaanvaardbare beperking: hij wilde niet afhankelijk zijn van de grillen van God, maar zelf aan alles betekenis geven.

Wanneer we deze discussie van God ontdoen levert dit wel een aardig model op om te laten zien hoe literatuur tot literatuur wordt. Een schrijver zorgt er voor dat wat hij schrijft literatuur is. Dat doet hij door à la Kellendonk goed te schrijven, door een opvallend verhaal en door boeiende dilemma’s te behandelen. Wie dat met het oog van de realist leest ziet daar de evidente literaire kwaliteit van. Maar niet alles is in een boek zo evident. Om daar uitsluitsel over te geven is de lezer nodig. Hij is, naast de realist die de literaire evidenties heeft gezien, de nominalistische betekenisgever en de toekenner van al dan niet kwaliteit.

Er heeft tijdens het lezen dus een vruchtbare wisselwerking plaats tussen realisme en nominalisme, tussen wat er staat en wat de lezer zelf moet invullen, tussen evidente literaire kwaliteiten en de mening van de lezer. Dat maakt literatuur tot een Eagletons gebeurtenis.

Gepubliceerd op: | 4 Comments


  • http://www.facebook.com/klokwerkpostbanaal Kees Alders

    “Goed”, “boeiend” en “opvallend” zijn echter geen objectief meetbare grootheden, maar subjectieve termen. Om uit te maken wat “goed schrijven” is, “een opvallend verhaal”, en wat “boeiende dilemma’s” zijn, zijn natuurlijk lezers nodig. Ook wat nu eigenlijk “een treffende vergelijking” is, hangt uiteindelijk af van de receptie van de lezers. Het realisme is in de filosofie mijns inziens dan ook een achterhaalde stelling. In de literatuur lijkt deze me ook niet heel vruchtbaar. Natuurlijk is het zo dat wanneer een schrijver echt goed is, hij veel lezers met gemak zal overtuigen, niet alleen de massa, zelfs de meest belezen kritische geest. Dat is, lijkt me, echter geen objectiviteit, maar intersubjectieve objectiviteit.

  • Cpeeters

    Ik heb het niet over objectiviteit, en voor mij hoeft het ook geen realisme genoemd te worden. Het begrip verleent in dit geval alleen maar een praktische dienst. Het gaat om evident goed schrijven, zoals bij Kellendonk.  Ik heb er geen bezwaar tegen om de combinatie van realisme en nominalisme bij de lezer en de literair criticus ‘intersubjectieve objectiviteit’ te noemen, daar komt het inderdaad op neer. Maar het is wel een mond vol.

  • http://www.facebook.com/klokwerkpostbanaal Kees Alders

    Dank voor uw reactie! Nu kan ik het na deze toelichting niet anders dan volkomen met u eens zijn. En inderdaad “intersubjectieve objectiviteit” is een hele mond vol ;).

  • Hanco Naninck

    Wie doet er nog meer mee aan de wedstrijd ‘dure woorden’? Of heeft Cpeeters al gewonnen op k.o.? Hopelijk niet met zijn mond vol.

© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.