Hol enthousiasme

door

Het duurde maar enkele seconden, maar in die seconden verbrandde een uitgever op zaterdag 8 september in De Studio in Antwerpen een slechte recensie van een boek dat hij had uitgegeven.

Eén seconde is genoeg om een vergissing te begaan. De recensie ging over de roman De handel in emotionele goederen van Maarten Inghels, stond in De Standaard der Letteren, en de uitgever was Harold Polis van De Bezige Bij Antwerpen. In De Morgen verklaarde Polis een paar dagen later dat het geen krant was, maar een stukje papier dat uit zijn broekzak kwam: ‘Ik heb wel de suggestie gewekt, op een podium, in een theatrale context. Mijn actie had dus een symbolische dimensie. Maar ik heb geen wet overtreden’. Hoe ludiek deze kleine actie ook wordt voorgesteld, hij blijft pijnlijk en, ja, symbolisch voor de lichtgeraaktheid.

In hetzelfde artikel van 11 september in De Morgen mocht de schrijfster van de roman De seingever Ann De Craemer zich afvragen of het niet tijd werd om de recensenten eens te recenseren. Dat is niet zo’n gek idee (en een paar jaar geleden ook in elk nummer gedaan door het tijdschrift Hollands Maandblad) wanneer je de recensie van Karl van den Broek in De Morgen van 1 september leest over De dag dat we Andy zijn arm afzaagde van Marnix Peeters. De recensie over het boek van Maarten Inghels mag negatief uitgepakt hebben, die over Marnix Peeters moet voor Harold Polis aanleiding zijn geweest om het glas te heffen op het succes van zijn grootse reclamecampagne voor dit boek. Het zou door hem met ‘oorverdovend mediageraas in de markt’ zijn gezet. Jammer alleen dat de recensie als literaire kritiek beneden alle peil is.

Wat De dag dat we Andy zijn arm afzaagde ook waard mag zijn, wanneer Karl van den Broek niet meer weet te doen dan het groteske verhaaltje navertellen, dan is het lastig om er een goede indruk van te krijgen: ‘Er was eens een jongen van 15. Nadat zijn moeder zich onder de trein heeft geworpen, brengt zijn vader hem onder bij drie gezusters. Die wonen in een groezelige boerderij in een luguber bos. De jongen, Werner Plöts, moet er werken op het bedrijf. Samen met Andy. De drie zusters hebben veel weg van heksen: ze zijn lelijk, smerig en gemeen. Andy en Werner moeten huisvriend Ernest-Fritz (die twintig jaar geleden nog indianen heeft gedood) helpen bij het vermoorden van iedereen die in de buurt van het erf komt. De lijken worden in de kelder gegooid, waar ze dienen als brandstof voor een soort biogasinstallatie. Werner geeft alleen maar om Orzas, een beer met drie poten die hij bevrijdt uit zijn hok en waarmee hij lange wandelingen maakt. Wanneer Andy gewond raakt en zijn arm begint te etteren, wordt die op beestachtige wijze geamputeerd door de gezusters.’

Door de manier waarop Van den Broek de korte inhoud weergeeft wekt hij de indruk van absurde overdaad. Een voorspelbaar verhaal is het niet bepaald te noemen. Maar wat schrijft Van den Broek: ‘In dit lugubere en hilarische sprookje voor volwassenen doseert hij de informatie erg handig zodat de lezer – ondanks de voorspelbaarheid van het verhaal – geboeid blijft voortlezen. Vakmanschap is meesterschap’. Van den Broek noemt al die verbazingwekkende vertelde zaken ‘voorspelbaar’ en ‘informatie’! Moord, kindermishandeling, doodslag, rottende lijken in stinkende kelders: ‘informatie’, maar wel gedoseerd.

Van den Broek is niet in staat om het boek met enige afstand te bekijken. Hij is een verlengstuk van de schrijver die zijn boek aanprijst. Bij afwezigheid van enige kritische distantie weet hij het boek niet in een genre of in enig literair perspectief te plaatsen. Hij weet geen inzicht te geven in de bijzonderheid (if any) van het boek. Veel verder dan de lukrake vergelijking met de sprookjes van Grimm komt hij niet. En dat het aan middeleeuwse kluchten doet denken en oeroude thema’s als Vatersuche aansnijdt. Maar waarom een middeleeuwse klucht in de 21e eeuw? Wat is dit voor zoeken naar een vader? Dat in het boek ‘elke ontmoeting leidt tot moord of geweld’, en dat iedereen in het boek ‘gewild of ongewild the thing he loves doodt’, wordt verteld, maar Van den Broek vraagt zich niet af wat dat te betekenen heeft. Wat hebben we hier voor een boek? Is het grand guignol? In welke wereld worden we hier gebracht? Het boek zou spannend zijn. Spannend? Met zoveel willekeurig miserabilisme? Op welke manier dan?

Misschien, misschien, is De dag dat we Andy zijn arm afzaagde een voorbeeld van het briljante, Vlaamse, absurdisme. Wie weet, maar deze recensie is een geval van hol enthousiasme.

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.