Impressionisten en salonkunstenaars

door

Het was geen verrassing toen bleek dat de Franse impressionist en verzamelaar Gustave Caillebotte zijn collectie impressionistische schilderijen bij zijn dood in 1894 had vermaakt aan de Franse staat. Dat had hij al jaren eerder aan familie en vrienden laten weten. De echte verrassing was dat de Franse staat niet onverdeeld blij was met de veertien Monets, tien Renoirs, negen Sisley’s, zeven Degas’, vijf Cézanne’s en vier Manets. De bedoeling was dat de schilderijen een plaats zouden krijgen in het nieuwe Musée du Luxembourg, gewijd aan nog levende kunstenaars. Daar werd heftig tegen geprotesteerd.

Camille Pissarro, Place du Théatre Français, 1898

Dat protest was afkomstig van kunstenaars die een beslissende stem hadden in de Académie des Beaux-Arts en in de beoordeling van schilderijen voor de jaarlijkse tentoonstelling van de Salon, waar de nieuwe impressionistische schilders veelal geweigerd werden (vandaar dat er een Salon van de Geweigerden ontstond). De krachtigste protesten kwamen van Jean-Léon Gérome en Benjamin Constant, twee salonschilders die de bourgeoisie en de adel voorzagen van voor hen aangename schilderijen. Het zou een ‘schande voor Frankrijk’ zijn als die schilderijen Monet en consorten een officiële plaats in een museum zouden krijgen, vonden ze. Wanneer daar werk van Manet en Pissarro zou hangen zou dat een ‘teken van zedelijke verdorvenheid’ zijn. Na veel getouwtrek accepteerde de staat het grootste deel van het legaat. Er bleven 29 schilderijen over die nog jaren (tot 1928) in het bezit van de familie Caillebotte zouden blijven. Dit gedoe met het legaat illustreert dat het lang heeft geduurd voor de impressionisten echt werden geaccepteerd. Toen de stroming in de jaren negentig al bijna over zijn hoogtepunt heen was, ontspon zich nog deze onverkwikkelijke affaire.

Het protest tegen de impressionistische schilders kwam van de gelikste en commercieelste salonschilders uit de geschiedenis van schilderkunst, in het bijzonder de genoemde Jean-Léon Gérome. Groter contrast is niet mogelijk met schilders als Monet of Pissarro, die zich van een kleurrijk palet gingen bedienen, de buitenlucht opzochten en het fijnschilderen achter zich lieten om spontaner te kunnen werken, alles om de indruk van het moment te kunnen vangen Gérome was een schilder die goud geld verdiende met schilderijen als Verkoop van een slavin in Rome of Een Romeinse slavenmarkt. Daarop werden naakte, ideaal geproportioneerde vrouwen te koop aangeboden aan wellustig op hen biedende mannen. Van zulke schilderijen liet Gérome litho’s en foto’s maken die in grote getale werden verhandeld. Hij deed ook aan merchandising. Op een van die schilderijen wordt een doek weggetrokken om een vrouw in al haar naaktheid te tonen. De stof van het doek maakte hij tot een handelsartikel.

Je vraagt je af wie er nog geïnteresseerd zou kunnen zijn in het werk van deze schilder. Alleen misschien een kunsthistoricus die de verhoudingen in kunstenaarskringen uit die tijd wil bestuderen. Het is kunst voor in het depot. De intrinsieke waarde van Gérome’s schilderijen is gering, al zal niemand ontkennen dat hij ‘een knap schilder is die zijn vak verstaat’.

Dat knappe schilderen van Gérome is de voornaamste reden dat hij op de tentoonstelling Impressionisme. Sensatie & Inspiratie in de Hermitage Amsterdam te zien is. Dat hij überhaupt te zien is op een tentoonstelling die, gegeven de titel, over de impressionisten gaat, is opmerkelijk. De titel is dan ook enigszins misleidend. Het blijkt een tentoonstelling over ‘impressionisten in context’ te zijn, dat wil zeggen: in hun tijd, tussen de andere stromingen. De verhouding impressionisten-andere stromingen is ongeveer veertig procent impressionisten, en zestig procent andere stromingen.

Jean-Léon Gérome, Verkoop van een slavin in Rome, 1884

Ook al heet de tentoonstelling Impressionisme, de samensteller Albert Kostenevich (en met hem de directeur van de Hermitage Michail Piotrovsky)  heeft uitdrukkelijk de bedoeling een herwaardering te bewerkstelligen van andere stromingen uit de tweede helft van de negentiende eeuw, ondermeer de salonkunst van Gérome. ‘We streven er naar, schrijft, Kostenevich, ‘te laten zien dat de artistieke realiteit van die tijd méér was dan uitsluitend een strijd tussen twee onverzoenlijke kampen, de “progressieven” en de “reactionairen” (…). Men moet vooral niet denken dat alles wat in de Salon werd tentoongesteld onder de noemer “salonkunst” valt.’

Inderdaad, lang niet alles wat in de Salon tentoon werd gesteld was salonkunst, maar aan de interventie van Gérome bij het legaat van Caillebotte is te zien dat er wel degelijk sprake was van een felle strijd tussen progressieven en reactionairen. Dat op de tentoonstelling zoveel realistische, anekdotische en salonkunst is te zien mag dan betekenen dat Kostenevich ‘de rijkdom en verscheidenheid van de epoche’ wil laten zien, het is de vraag of iemand het werk van gelikte salonkunstenaars als Bouguereau, Constant, Gérome, Isabye, Hoffbauer, Flameng en Dagnan-Bouveret wil zien wanneer hij voor Manet, Monet, Pissarro, Morisot, Gauguin, Cézanne, Renoir, Degas, Sisley en Bazille komt.

Wanneer die salonkunstenaars er zo prominent hangen zijn er twee mogelijkheden: of het is een statement van de Hermitage Petersburg dat die kunstenaars aan herwaardering toe zijn, of het maakt de tentoonstelling Impressionisme. Sensatie & Inspiratie tot een uitgesproken educatieve en documentaire tentoonstelling. Is het een statement van de Hermitage, dan hebben we met een conservatieve wending te maken en wil men realistische, anekdotische, vakkundig geschilderde werken terug in de aandacht brengen, hoe slap die schilderijen ook zijn. Michail Piotrovsky schrijft in zijn inleiding van de catalogus dat het impressionisme ‘een kind is van de Salon, zij het ondeugend.’ Hun voorgangers waren ‘geen saaie broodschilders, zoals publicisten wilden doen geloven. Het zijn geweldige, bezielde meesters, alleen in een ander marktsegment.’

‘Ondeugend’ lijkt me een te magere karakteristiek voor een stroming als het impressionisme. En ook wel erg bagatelliserend voor een stroming die de schilderkunst heeft bevrijd uit de kluisters van de horigheid aan de eisen van opdrachtgevers, bevrijd heeft uit de kluisters van het donkere palet, bevrijd heeft uit het academische formalisme, bevrijd heeft uit de klauwen van de commercie. De schilderijen van  impressionisten, zo schreef de criticus Armand Silvestre in 1873 niet onaardig, ‘zijn doortrokken van een blond licht, en alles is vrolijkheid, helderheid, lentefeesten, gouden avonden of bloesemende appelbomen.’ De doeken ‘vormen ramen die uitzicht bieden op het vreugdevolle platteland, op de voortkronkelende rivieren vol plezierboten, op een hemel die straalt in een lichte nevel, op het leven buitenshuis, panoramisch en bekoorlijk.’ Het impressionisme is nu door bijna iedereen geaccepteerde kunst. Het is de stroming die alle daarna komende stromingen mogelijk heeft gemaakt.

Claude Monet, Hoekje in een tuin in Montgeron, 1876

Wie de tentoonstelling als een documentaire beschouwt over de schilderkunst in de tweede helft van de negentiende eeuw in Frankrijk, kan zien waar tegen de impressionisten zich met hun lichte palet, hun onvermengde kleuren en hun plein air-schilderijen afzetten: Monets tuinen en vijvers, Pissarro’s vogelperspectieven op de straten van Parijs, Sisley’s vergezichten keerden zich tegen de klef-romantische en geïdealiseerde taferelen als die van François Flamengs Badende nimfen of Badende hofdames (1888). ‘Knap geschilderd’ hoort men daarvan te zeggen, maar het is zwijmelkunst voor ondeugende mannen met snorren waar ze niet vanaf kunnen blijven. Waarom zouden we zulke schilderijen, behalve als curiositeiten, nog moeten zien? Ze vloeken met de tuinen-schilderijen van Monet, met de kleine landschappen van Daubigny en Corot (in helaas bombastische gouden lijsten), met de De rokervan Cézanne, met de Pissarro’s die van boven op de Parijse pleinen kijken.

Je zou Impressionisme bijna een tentoonstelling van contrasten kunnen noemen als de schilderijen niet zo vaak met elkaar vloekten. Albert Kostenevich wilde per se Tobias neemt afscheid van zijn vader (1860) van Bouguereau laten zien, een classicistisch schilderij dat mijlenver van Manet, Pissarro of Degas afstaat. Het zijn werelden die niets met elkaar te maken hebben. In een tentoonstelling over impressionisme moet Kostenevich zo nodig het classicisme naar voren schuiven. Dat die stroming geruime tijd nauwelijks nog bestond, ‘moeten we ons daar iets van aantrekken bij een schilderij dat een meesterlijke beheersing van alle artistieke technieken toont?’, schrijft hij. Gaat het alleen om de beheersing van de techniek in een schilderij?

Het verrassendste van de tentoonstelling zijn de drie beelden van Rodin. Drie keer twee elkaar omhelzende en kussende geliefden uitgehakt uit wit marmer: Eeuwige lente, Romeo en Julia, Amor en Psyche. Die zijn al een bezoek aan de Hermitage waard.

Gepubliceerd op: | 1 Comment


  • Anoniem

    goeed

© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.