Joseph Stiglitz en het redden van het kapitalisme uit handen van de kapitalisten
door Carel Peeters
De presidentskandidaat van de Republikeinen, Mitt Romney, verdiende in het jaar 2010 het interessante bedrag van 21,7 miljoen dollar. Wanneer hij het op bank laat staan krijgt hij daar rente van, maar het geld speelt dan geen rol in het echte leven. Er gebeurt niets mee, het rolt niet, het wordt alleen maar wat meer. Wanneer Romney dat geld voor een bedrijf zou gebruiken zou hij daarmee 500 mensen een salaris van 43.000 dollar kunnen betalen. Dit geld zou wel rollen, die mensen zouden er van alles mee betalen dat voor ze hun leven nodig hebben. De economie zou er van draaien.
Dit voorbeeld staat toevallig niet in het nieuwe boek The Price of Inequality van de econoom Joseph E. Stiglitz, maar het had er in kunnen staan. Het komt voor in de samenvatting dat hij ervan schreef voor Vanity Fair, het tijdschrift waarin Stiglitz vorig jaar mei het spraakmakende artikel Of 1% by 1% for 1% publiceerde. Zijn nieuwe boek is hier een uitwerking van. Dat artikel in Vanity Fair zorgde ervoor dat de aandacht werd gevestigd op de 99% die niet in de titel voorkomt. 99% van de Amerikaanse bevolking blijkt evenveel geld te hebben als de 1% rijken en superrijken. Zo ongelijk is het verdeeld in het land dat er prat op gaat het land van de grenzeloze mogelijkheden te zijn. Een kind kan zien dat wanneer 1% zoveel heeft de resterende 99% niet zoveel mogelijkheden heeft.
Het hoeft geen verbazing te wekken dat het artikel van Stiglitz een rol speelde in de protesten tegen de uit de hand gelopen moraal van Wall Street die uitliep op de Occupy-beweging. De combinatie van het in die 1% opgehoopte geld en de financiële crisis als gevolg van de corrupte praktijken van banken en speculanten, zorgde voor een onontkoombare chemische reactie. Die kwam toen tot uiting in morele verontwaardiging: ‘something was wrong’. 2011 kwam daarmee in het rijtje 1848 en 1968 te staan als een jaar waarin lucht werd gegeven aan een groot en breed gevoeld onbehagen over misse praktijken.
Stiglitz constateert dat Amerika zich tot een lachertje heeft gemaakt als een land waarin men van niets iets zou kunnen worden. Er is een groteske scheefgroei ontstaan tussen de rijken, de middenklasse en de armen. Stiglitz ziet het plastisch voor zich: het is alsof je naar een zee kijkt waarop een paar luxe zeewaardige jachten liggen, en daarom heen dobberen duizenden kano’s. De verhoudingen zijn zo uit het lood geraakt dat een van de rijkste Amerikanen, Warren Buffet, niet meer weet wat hij met zijn geld aanmoet. Hij wil niet meer ademen, want met elke ademtocht wordt hij rijker. Hij wil het geld zelfs gewoon weg gaan geven. In deze ongelijke verhouding blijven de rijken door de Amerikaanse overheid hardnekkig bevoordeeld worden, hoe ontevreden president Obama daarover ook is.
Stiglitz is bang dat de Amerikaanse identiteit door deze aanhoudende wanverhouding teloor gaat. Amerika is geen ‘fair country’ meer. De helden in de boeken waar de Amerikanen hun voorbeelden aan ontleenden, zoals die van Horatio Alger over jongens die zich van loopjongen opwerken tot miljonair, hebben niets meer met de werkelijkheid te maken: in het land van de equal opportunities is het bijna niet meer mogelijk om de sociale en financiële ladder met succes te beklimmen. Te veel obstakels. De opleidingen, de scholen en de universiteiten werpen zoveel financiële barrières op dat je het wel kunt vergeten als je van huis uit geen geld hebt. Amerika is een klassensamenleving geworden.
Zolang de rijken op hun geld mogen blijven zitten, en niet minstens vijftig procent belasting over hun fortuin betalen, zoals Stiglitz voorstelt, zal de ongelijkheid alleen maar voortduren, tot hij onhoudbaar wordt. De publieke voorzieningen worden steeds schameler, de conditie van de wegen steeds beroerder, de gezondheidszorg maar half geregeld, de vakbonden verlamd, de scholen financieel beknot, sociale voorzieningen geminimaliseerd, studentenleningen worden gebruikt om geld aan te verdienen. Amerika is een land van speculanten geworden. Banken en grote bedrijven kunnen failliet gaan door corruptie en wanbestuur, maar de verantwoordelijken die zich niet verantwoordelijk voelen gaan er met de tot cliché geworden bonussen vandoor. Nog steeds is bijna alles in de financiële wereld geoorloofd, en niemand uiteindelijk verantwoordelijk, zoals Stiglitz de moraal samenvat.
Wat er moet gebeuren is wat president Roosevelt en Stiglitz’ voorganger John Maynard Keynes deden toen ze de handen ineen sloegen: zij redden het kapitalisme uit de handen van de kapitalisten. De kapitalisten kunnen het niet, zo is weer gebleken. Ze hebben geen moraal en geen sociaal zintuig. Ze zijn als kinderen die met vuur spelen. De vrije markteconomie, dat is allemaal goed en wel, maar alleen als hij getemd wordt (‘markets must be tamed’) door een wakende overheid. De perioden waarin het goed ging met Amerika, en zoveel mogelijk mensen profijt hadden van een florerende economie, waren de tijden dat de regering regulerend optrad, zoals tijdens de New Deal in de jaren dertig. Toen was de ongelijkheid minder groot en de economie groeide het snelst. De huidige ongelijkheid heeft voor 24 miljoen werkelozen in Amerika gezorgd. De inkomens moeten herverdeeld worden. En er moet een balans tussen markt en staat komen.
Tot de reeks maatregelen die Stiglitz voorstelt om de ongelijkheid terug te brengen behoort het heffen van redelijke belastingen op het zelfrijzende vermogen van de rijken. Dat geld kan dan gebruikt worden voor het stimuleren van de economie, voor investeringen in onderwijs, wetenschap, publieke voorzieningen en sociale diensten. Stiglitz drukt de rijken op het hart dat ze hier niet uit altruïsme aan mee moeten werken. Ze moeten niet denken dat ze er mensen mee helpen. Ze helpen zichzelf ermee. Doen ze dat niet, dan spat de economie vanzelf uit elkaar en houden ze niets over: het is onversneden eigenbelang, ‘just do it for yourself’.



