Musische wetenschap

door

In het hoofd van iemand die in een bibliotheek het boek van de plank haalt dat hij zocht, gaat even een klein lichtje van tevredenheid branden: gelukkig, het is niet uitgeleend. Maar hoe tevreden hij ook is, daar kan hij het niet bij laten. Hij weet hoe creativiteit ongeveer in zijn werk gaat. Daarom is hij verplicht om ook het boek te bekijken dat naast het gezochte boek staat. Ook al heeft hij dat helemaal niet nodig. Hij heeft geen idee wat er in staat. Maar hij weet: je een moment verplaatsen in iets heel anders dan waar je op dat moment mee bezig bent verruimt de blik, verlicht de geest, zorgt voor ontspanning. Brengt je misschien wel op een idee.

Robbert Dijkgraaf, die nog even president is van de Koninklijke Academie van Wetenschappen en in een vergelijkbare hoedanigheid deze zomer verhuist naar het Institute of Advanced Study in Princeton, is niet iemand die denkt dat creatieve wetenschap via vaste procedures werkt. Hij weet van het boek naast het gezochte boek. Je moet tegen ‘een beetje creatieve chaos’ kunnen, vindt hij, anders zal er niet veel anders uit je komen dan middelmatigheid. Dijkgraaf heeft met zijn in alle opzichten succesvolle presidentschap iets voortgezet wat zijn voorganger, de mediëvist Frits van Oostrom, was begonnen: hij heeft de wetenschap weer een musisch aanzien gegeven.

Wetenschap is geen koude ongevoelige bezigheid van droge wereldvreemde grijze muizen die wegschieten wanneer ze iets over de geheimen van hun vak moeten prijsgeven. Het is een grillige creatieve aangelegenheid, waarbij, net zoals in de kunsten, intuïtie, wanhoop, inspiratie, verwondering, volharding en eigenwijsheid komen kijken. In het boek waarin hij zijn columns, toespraken en inleidingen van de afgelopen jaren heeft verzameld, Het nut van nutteloos onderzoek, schrijft Dijkgraaf: ‘Kunst en wetenschap worden beide gedreven door de diepe behoefte de wereld om ons heen te duiden, antwoorden te vinden op vragen naar zijn en wezen.’ Dit is voor zijn doen een wat deftige zin, maar in zijn andere stukken brengt hij de inhoud ervan levendig en erudiet in de praktijk. Wetenschap wordt hier opgevat als een even lastige als plezierige ontdekkingstocht, iets waaraan je verslingerd kunt raken en in op kunt gaan.

Bij Dijkgraaf heeft wetenschap niets met doorsnee te maken: ‘Zeldzame gebeurtenissen, ideeën en uitvindingen spelen een grotere rol in de geschiedenis dan we denken.’ Hij heeft een instinctieve afkeer van wat hij ‘convergentie in ons denken’ noemt: dat alles steeds meer op elkaar gaat lijken omdat we te veel doen wat anderen doen. Dat leidt, nog een mooi woord, tot ‘suboptimalisatie’: onder het gewenste niveau werken, genoegen nemen met de helft waar je op het hele uit zou moeten zijn.

Dat Dijkgraaf de instelling en de mentaliteit van de kunstenaar in de wetenschap terug wil zien, komt niet uit de lucht vallen. Hij kent zijn geschiedenis. Hij weet dat hij voorgangers heeft gehad die deze ‘inclusieve houding’ in de praktijk brachten. Zoals in de negentiende eeuw Jan Hendrik van Swinden, iemand die volgens tijdgenoten ‘de geleerdheid in haren beminnelijksten vorm’ toonde. Hij was een man die niets wilde weten van de ‘koude ongevoeligheid voor het kunstige en natuurlijke schoon’ die de wetenschapper werd toegedicht.

Dijkgraaf laat geen gelegenheid voorbijgaan om te laten zien dat kunst voor de wetenschap onmisbaar is. Het was niet een natuurkundeboek waarin voor het eerst het begrip ‘atoombom’ werd vermeld, maar een roman, The World Set Free van H.G. Wells uit 1914, meer dan dertig jaar voor de eerste kernbomexplosie in de woestijn van New Mexico. Kunst en wetenschap zouden in zijn ogen altijd samen moeten bloeien omdat het er op lijkt dat ze elkaar geweldig stimuleren. Dat ziet hij wanneer ze samen in dezelfde tijd tot grote prestaties komen. Zoals rond het jubeljaar 1912. De jaren voor de Eerste Wereldoorlog zorgden (in Dijkgraafs opsomming) voor de auto, de pantserkruiser, het vliegtuig, de telefoon, de grammofoon, de film  (en de filmster), het vrouwenkiesrecht, radioactiviteit, antroposofie, pacifisme en communisme. Maar ook Sigmund Freud, Picasso, Braque, Marcel Duchamp, Strawinsky, Schönberg, Weber, de oprichting van de voorloper van de Max Planck-instituten, het eerste werkbare model van het atoom door Niels Bohr, de bouw van de Bijenkorf aan de Dam in Amsterdam, enzovoort, enzovoort – zoals allemaal te lezen in het boek De duizelingwekkende jaren van Philipp Blom. Er moet een kruisbestuiving hebben plaatsgehad tussen kunst en wetenschap. Dijkgraaf denkt dat de mens van 1912 de hand kan reiken aan die van 2012: die maakt eenzelfde duizeling mee, maar nu met ‘sociale media, globalisering, klimaatverandering en eurocrisis’.

Bij Dijkgraaf duiken voortdurend wetenschappelijke gekken en lastpakken op. Zoals J.H. van ’t Hoff, ‘Nederlands grootste scheikundige’ en de eerste Nobelprijswinnaar in de chemie. Voor zijn oratie De verbeeldingskracht der wetenschap over de rol van inspiratie ging hij in 1878 op zoek ‘naar sporen van “gekke ideeën”, met een voorliefde voor kunst en poëzie’. Hij citeert de ontdekker van de wetten van de elektriciteit en het magnetisme Michael Faraday die van zichzelf zei dat hij net zo makkelijk kon geloven in de verhalen van Duizend-en-een-nacht als in de encyclopedie. Het zijn zulke mensen die voor ‘gouden tijden’ zorgen, zo een waarin we volgens Dijkgraaf nu leven.

Gepubliceerd op: | No Comments