Op het kerkhof van de goede voornemens

door

Het leven van de Italiaanse schrijver Italo Svevo (1861-1928) bestond lange tijd uit subliem jammeren, van ’s morgens vroeg tot in zijn bed. Hij noemde zichzelf een ‘expert in mislukkingen’. Het klagen is een gewoonte voor hem, wanneer hij klaagt leeft hij, het is een dwanghandeling in zijn brieven en aantekeningen. Hij klaagt vooral over zichzelf: ‘Oef! Wat een dag! Ik kan niet meer!’ ‘Met mijn zenuwen gaat het niet al te best!’ ‘Het maakt me moedeloos te merken dat ik zo zwak en nerveus ben.’ ‘Ik ben welgemoed, omdat ik dat wil zijn en de moed niet wil verliezen. Maar wat moet ik van morgenmiddag tot maandagmorgen uitvoeren?’ Hij is altijd aan het klagen en tegelijk is het scherts. Het is huiskamertheater. Hij doet in zijn eigen ogen nooit iets goed. ‘Ook vandaag maak ik het niet best’. ‘Het is genoeg dat ik mezelf kwel’.

Het interessante en vermakelijke is dat Svevo ondertussen wel zijn ambities bleef koesteren. Laat in zijn leven, na 1923 toen hij dus over de zestig was, kreeg hij eindelijk erkenning als schrijver na de publicatie van zijn meesterwerk Bekentenissen van Zeno. Twintig jaar eerder had hij twee romans gepubliceerd die nauwelijks aandacht hadden gekregen. Hij bestond al die jaren niet als schrijver, alleen voor zichzelf. Die ambitie moest hij opgeven. Hij wilde met zijn nichtje Livia trouwen en daarom moest er geld worden verdiend.

Het had er aanvankelijk gunstig voor Ettore Schmitz (zoals Svevo in werkelijkheid heette) uitgezien toen hij door zijn vader als jongen vanuit Triëst naar Duitsland was gestuurd om daar een school te bezoeken waar hij zijn talen zou leren. Maar zijn vader ging failliet en toen moest er gewerkt worden. Hij ging op een bank werken. Maar zijn aanstaande schoonmoeder had wel door dat hij nog steeds zijn literaire ambities koesterde. Dat vond zij, een slimme en kille zakenvrouw, ‘meelijwekkend’. Ze vond hem aanvankelijk ook geen partij voor haar dochter. Met haar man bestierde ze een fabriek voor onderwaterverf, een nering voor een rol in een farce. Haar anti-muzische bazigheid riep bij Svevo sterke moordneigingen op, waar hij alleen maar niet aan toegaf uit angst er niets van terecht te brengen, indachtig zijn abonnement op het falen. Het liep erop uit dat Svevo bij zijn schoonmoeders fabriek in dienst trad en zo’n hoge functie in het bedrijf ging bekleden dat er van literatuur geen sprake meer kon zijn. De enige kunst die hij beoefende was het bespelen van de viool.

Het half komische half ernstige leven en werk van Italo Svevo wordt door Sana Valiulina levendig opgeroepen in de geheel herziene en aangevulde editie van Ah Triëst…, een deel uit de Stedenreeks van Uitgeverij Bas Lubberhuizen (eerste editie 1993). Het zich in Triëst afspelende leven van Svevo zou zo komisch-droevig zijn verlopen als de naam van de stad suggereert, als Svevo in 1907 niet James Joyce had ontmoet. Die was met zijn vrouw Nora in 1904 naar Triëst gekomen om Engelse les te geven aan de Berlitz-school. Een van zijn leerlingen zou de directeur van de onderwaterverffabriek worden, Italo Svevo/Ettore Schmitz. Als proeve van zijn kunnen, vertelt Onno Koster in zijn bijdrage over Joyce in Triëst, schreef Schmitz een niet van ironie en stijlfouten gespeend opstel in het Engels onder de titel ‘Mr James Joyce beschreven door zijn trouwe leerling Ettore Schmitz’.

Het was James Joyce die Valéry Larbaud, in de jaren twintig van de vorige eeuw een invloedrijk criticus in Frankrijk, op La coscienza di Zeno wees. Het boek was door Svevo in 1923 op eigen kosten uitgegeven. Larbaud zag onmiddellijk dat het een meesterwerk was en begon zich in te spannen voor een Franse vertaling. De zegen van Larbaud zorgde voor het ene na het andere lovende artikel. Fragmenten van de roman verschenen in het eerste nummer van een nieuw literair tijdschrift. Svevo en zijn vrouw kregen uitnodiging op uitnodiging. De Italiaanse literaire wereld moest wel even wennen aan de buitenlandse lof, maar de dichter Eugenio Montale had er geen moeite mee om hem meteen als zijn ‘leermeester’ te beschouwen in zijn brieven aan Svevo en in de artikelen die hij over hem schreef in kranten.

Door deze totaal onverwachte wending in zijn leven hield het komische jammeren van Svevo in zijn brieven natuurlijk op. Nu moest hij oppassen dat hij niet ging klagen over te veel belangstelling, ‘omringd door succes’ als hij was. Hij heeft alles gekregen waarnaar hij ‘zo hevig verlangd heeft’, schrijft hij, nu ook zijn twee oude romans, Senilità (Een man wordt ouder) en Una vita (Een leven) opnieuw worden uitgegeven.

Svevo’s leven mag dan uiteindelijk een gelukkige wending hebben genomen, in zijn werk is het de kracht van de illusie en goede voornemens die ervoor zorgt dat het bestaan draaglijk is zolang die wending zich nog niet heeft voorgedaan. Ook al blijft die illusie opduiken, hij wordt ook aan de lopende band doorgeprikt, met name als het gaat om de illusie van de hoofdpersoon van Bekentenissen van Zeno, de bemiddelde zakenman Zeno Cossini, dat hij ooit van het roken af zal raken. Hij houdt zich voortdurend voor de gek dat het ervan zal komen. De uitroep ‘Dit is de laatste sigaret!’ krijgt op den duur een sarcastische en honende klank.

Het probleem van het roken was natuurlijk ook Svevo’s probleem.  Zelfs wanneer Svevo voor de zoveelste keer verklaart dat hij er nu echt mee ophoudt  weet hij het zo in te kleden dat in die verklaring meteen een geheime ontsnapping zit. Op 29 december 1895 stuurt hij zijn verloofde Livia Veneziana weer eens zo’n verklaring: ‘Ik verklaar aan mijn Teerbeminde dat de sigaret die ik op dit moment rook de laatste is tenminste tot op de dag waarop het mij door haar goedheid en door het zeer goedgunstige lot vergund zal zijn haar geheel, geheel de mijne te noemen.’ Dit is de laatste, tenminste…

Svevo bedient zich van een heel geheimzinnig soort humor. Hij schrijft geen zin zonder dat er iets bijzonders mee aan de hand is. Zeno Cossini’s uitspraak ‘mijn kerkhof van goede voornemens’ is gevleugeld geworden. Een paar voorbeelden: in een brief aan zijn vrouw Livia: ‘Het enige onderdeel van het christendom dat me aanstaat, ben jij’. Wanneer hij een kerk bezoekt: ‘Het maakte een ongelooflijke indruk om in die omgeving die schittert van rijkdom en ideeën die fenomenale stupiditeiten aan te horen, gedeclameerd op de toon van een schor geschreeuwde en bovendien waanzinnig geworden acteur.’ Aan zijn vrouw: ‘Ik moet me beperken tot het sturen van een miljoen kussen. Laat ze maar neerkomen waar ze willen, let er maar niet op.’

 

Een selectie uit de brieven en dagboekaantekeningen van Italo Svevo staat in Autobiografische profiel, Privé Domein 147

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.