Robert Hughes (1938 – 2012), fijnbesnaarde krachtpatser
door Carel Peeters
De lakmoesproef voor een kunstcriticus is de vraag hoe hij schrijft over Howard Hodgkin, de Engelse schilder van kleine abstracte schilderijen opgebouwd uit kleurige krachtige verfstreken. Het is overrompelend werk, maar leg maar eens uit waarom.
Susan Sontag probeerde het, maar faalde. Robert Hughes deed het in zijn boek Kritisch, in vredesnaam kritisch en slaagde glansrijk. Robert Hughes, die op 6 augustus overleed, plaatste Hodgkin in de traditie van het intimisme, dat wil zeggen in de lijn Bonnard, Vuillard en Matisse, de schilders die allure aan huiskamers wisten te geven. Dat is een verrassende en volstrekt overtuigende associatie. Er is geen mens op de schilderijen van Hodgkin te zien, maar ze zijn inderdaad intiem. Ze zijn besloten en door hun uitbundige kleuren paradoxaal aan alle kanten open.
Robert Hughes was een fijnzinnig krachtpatser. Zijn meningen waren even krachtig als hij er zelf uit zag. Maar zijn oordelen waren scherp, treffend precies en gebaseerd op een aantal krachtige principes: er moest vakmanschap, intensiteit, bewustzijn en gevoel voor schoonheid uit een kunstwerk spreken. Geen aanstellerij. Vandaar dat Jef Koons het kon vergeten om ooit in Hughes’ pantheon te belanden. Met Andy Warhol behoorde hij tot de lege en platte ‘fast art’-kunstenaars: dat was ‘the here today, gone-tomorrow stuff’. Hughes wilde ook niets weten van het narcisme van de jaren tachtig en negentig, vertegenwoordigd door Tracy Emin. Dat was solipsisme die alleen maar tegen zichzelf praat.
Met zijn duidelijke voorkeuren zorgde Hughes ervoor dat kunstenaars onder het vergrootglas kwamen te liggen: je moest zo duidelijk mogelijk kunnen zeggen waarom je een kunstenaars goed vond. Geen vage praatjes. Julian Schnabel, Sandro Chia, David Salle, Damien Hirst, Bazelitz en de Chapman Brothers maakten het zich te makkelijk, werkten eindeloos dezelfde ideetjes uit en begeleidden dat met ‘phony rethoric’. Ze maakten image-kunst, kunst met alleen buitenkant. Van conceptuele kunst was Hughes ook geen liefhebber: ‘it bores the pants off me’.
Hughes’ lessen in kijken begonnen in 1970 toen hij criticus van Time werd. In 1979 maakte hij de baanbrekende televisieserie The Shock of the New, vijfentwintig jaar later gevolgd door The New Shock of the New. Hughes maakte de schok minder bumpy door inzicht te geven in de kwaliteiten van kunstenaars die hem bevielen als Lucian Freud, Paula Rego, David Hockney, Howard Hodgkin, Sean Scully, Anselm Kiefer en Frank Auerbach. Dat waren kunstenaars met substantie, vakmanschap en durf. Het waren vooral ook kunstenaars met een verhouding tot ‘de echte wereld’. Ze verlangen ernaar ‘to make sense of the real world’.
Hughes was een voorstander van ‘slow art’, kunst waar de ogen en de geest aan moet wennen. Dat verwerken en wennen moet gevoed worden door ook naar oude kunst te kijken, naar de stillevens van Chardin, het lichamelijke pathos van Caravaggio, de waarachtigheid van Holbeins portretten en natuurlijk naar de gecompliceerde maar fascinerende Goya, over wie hij een heel boek schreef.
Hughes schreef meer boeken: over Australië, Barcelona, de geschiedenis van de Amerikaanse kunst, Rome en de politisering van de kunst in Culture of Complaint. Maar Kritisch, in vredesnaam kritisch is het boek dat hem zijn gezicht geeft: elegante, ambachtelijke en kritische kunstkritieken van Holbein tot Kiefer, van Van Dyck tot Francis Bacon. No phony rethoric.


