Als gezien door een verborgen camera

door

Door zijn bekendste gedichten (‘Jonge sla’, ‘Een lege plek om te blijven’) is het alsof Rutger Kopland een heel persoonlijk dichter was die zijn gevoelens zomaar blootlegde. Hij heeft dat zelf altijd een misverstand gevonden. Het ging natuurlijk wel over persoonlijke zaken, maar daar wilde hij zich met het gedicht juist uit wegschrijven. Het gedicht moest onpersoonlijk worden, alsof een ‘algemeen oog’ die gevoelige zaak had waargenomen.

Kopland was veel minder spontaan en als dichter veel meer een mecanicien, en constructeur dan men dacht, zoals de titel van zijn essays over poëzie ook zegt: hij was geïnteresseerd in Het mechaniek van de ontroering. Aan ontroering, getroffen worden door iets, aan verrast worden had Kopland geen gebrek, het ging erom die verrassing zo onder woorden te brengen dat hij niet in het particuliere bleef steken.

Het is natuurlijk onontkoombaar dat de werkelijkheid is wat wij ervan maken. Het is onzin om te denken dat we objectief kunnen zijn. Maar toch bleef het bij Kopland knagen dat we de dingen niet konden zien zoals ze echt zijn: het ding an sich krijgen we nooit te zien. Hij zou wel willen dat de dingen zouden worden gezien door een verborgen camera, en niet door hem. Hij heeft het onjuiste, maar hardnekkige verlangen dat er een wereld bestaat die niet bekeken wordt.

Rutger Kopland, foto: Bert Nienhuis

Dit verlangen om de dingen te zien zoals ze zouden zijn is in de loop der jaren niet verdwenen. Het is zelfs uitgegroeid tot waar het bij Kopland om draait: ‘het ding zoals het is’ heeft hij nooit gezien want het was en is altijd zijn particuliere oog dat het gezien en geïnterpreteerd heeft, maar het is alsof hij er wel herinneringen aan heeft, alsof dat ding an sich wel ergens bestaat en dat hij dat weet. Een keuze uit zijn eigen werk noemde Kopland dan ook Herinneringen aan het onbekende. Bij de poëtische ervaring van herinnerd worden aan iets onbekends is het alsof de werkelijkheid ineens even objectief wordt, zodat hij de gewaarwording krijgt: ‘zo is het, zo was het en zo zal het altijd zijn, of anders gezegd: ik zie dit, niet omdat ik dit zelf er van maak, maar omdat het zo is.’

Een illustratie van dit illusoire verlangen naar objectieve waarneming is het gedicht ‘De landmeter’. Die meet het land koel, onaangedaan en objectief op. Alles is waargenomen, maar heeft hij ook iets gezien?

Het is niet alleen onverschilligheid, in zekere zin
is het misschien zelfs wel liefde die hem dwingt,
er is geen paradijs zonder rentmeester.

Hij is gelukkig met het landschap, maar gelukkig
met het zoeken, coördinaten wijzen hem zijn onzichtbare
plek, zijn utopie is de kaart, niet de wereld.

Hij wil weten waar hij is, maar zijn troost is
te weten dat de plek waar hij is niet anders bestaat
dan als zijn eigen formule, hij is een gat in de vorm van

een man in het landschap. Met de grenzen die hij
trekt, scherper en duidelijker, vervagen het gras
en de bomen en alles wat daar leeft, lijdt en sterft.

Het is heel helder om hem heen, alles is waargenomen.

Ook al bestaat het landschap niet zonder ons (het moet gezien worden om er te kunnen zijn – ‘zijn is gezien worden’, zoals de filosoof Berkeley zei), het blijft wel zonder ons bestaan. ‘De dingen’ (zoals dat landschap), ‘zijn een ongenadig, onverschillig commentaar op onze tijdelijkheid, zij blijven, wij zijn voorbijgangers’, schrijft Kopland in het essay ‘Herinneringen aan het onbekende’. Wij zijn gemaakt van tijd.

De poëtische ervaring is bij Kopland: getroffen worden door iets dat zou moeten blijven, dat niet door de tijd verzwolgen zou mogen worden. Wat er dan gebeurt lijkt op ‘het losspringen van een slot’. Het gedicht zoekt er een naam voor. Wat bij Kopland bijvoorbeeld moet blijven is de appelboom, die fungeert meerdere malen als vertolker van een dit- moet-blijven-gevoel, zoals in het gedicht ‘Onder de appelboom’. Onder die boom werd het

toen langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en ver weg in huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom  

Wanneer bij Kopland sprake is van ‘zo moet het zijn’, zoals in het gedicht ‘Zelfportret’ waarmee Herinneringen aan het onbekende eindigt, dan is hij weliswaar niet getroffen door een ding an sich, maar wel door een samenloop van dingen. Dan heeft hij iets blijvends gezien:

Zoals in de hoge ramen van dit huis,
zo moet het zijn, zoals nu.

Het is avond, daar beneden drijven
wat eenden op de vijver, daar begint
in het gras het pad zijn langzame
boog omhoog door het woud, rood
als dood bloed, en boven de heuvel
de hemel, grauw van sneeuw, nevel
en rook. Het kwaakt, schreeuwt,
geurt naar vochtig blad en houtvuur,
het is koud in je gezicht, zo

moet het zijn nu. En niemand
die daar loopt, om dit te horen
te voelen en te ruiken. Zullen we
de fluwelen gordijnen sluiten
of lopen laten.

Gepubliceerd op: | No Comments