Tony Judts laatste wapenfeit

door

Toen de Engelse historicus Tony Judt in september 2008 te horen kreeg dat hij aan ALS leed, amyotrofische laterale sclerose, was al snel duidelijk dat hij binnen de kortste tijd zelf niet veel meer zou kunnen doen. Zijn lichaam zou het geleidelijk laten afweten. Van schrijven met de hand of met de computer zou geen sprake meer zijn. Hij kwam in een rolstoel te zitten en een heel medisch systeem ging hem zo lang mogelijk in leven houden. Maar de ziekte zou zijn hersens niet aantasten.

Het was een lelijke streep door Judts plannen. Hij wilde onder meer een intellectuele en culturele geschiedenis van de twintigste eeuw schrijven, als aanvulling op zijn ‘nieuwe wereldgeschiedenis’ De vergeten twintigste eeuw. In dat nieuwe boek moest de intellectuele ondergrond van die eeuw naar boven worden gehaald, want Judt was ervan overtuigd dat alles begon bij het hebben van ideeën. Daar was hij van doordrongen geraakt als specialist in de Franse geschiedenis van de eerste helft van de vorige eeuw. Als hij zich daar al niet eerder van bewust was geworden, want hij kreeg van zijn vader op zijn dertiende jaar Isaac Deutschers driedelige biografie van Trotsky cadeau.

De tijding over zijn ongeneeslijke ziekte betekende voor Judt dat hij meteen aan het werk moest. Er was geen tijd te verliezen. Vanaf dat moment verschenen in The New York Review of Books de essays die uiteindelijk Ill Fares the Land (Het land is moe) zouden gaan vormen, het boek waarin deze profetische woorden staan: ‘vroeg of laat valt het ongebreidelde kapitalisme ten prooi aan zijn eigen excessen, en zal het zich voor redding tot de staat wenden.’ Ook is dit het boek waarin hij de sociaal-democratie aanspoort zijn geloofsbrieven opnieuw onder woorden te brengen: ‘We zijn intuïtief vertrouwd met onderwerpen als onrechtvaardigheid, oneerlijkheid, ongelijkheid en immoraliteit, maar we weten niet meer hoe we daarover moeten praten.’ Tweede resultaat van Judts werk vanuit zijn elektrische rolstoel en met behulp van zijn assistent, was The Memory Chalet (De geheugenhut), het elegante boek waarin hij zijn geheugen beschouwt als een huis waarin elke kamer staat voor een bepaalde periode in zijn leven.

Zijn voornemen een boek over de intellectuele en culturele geschiedenis van de twintigste eeuw te schrijven kon hij niet meer in zijn eentje uitwerken. Het plan ontstond dat hij met zijn vriend Timothy Snyder wekelijks gesprekken zou voeren over de onderwerpen die hij ter sprake had willen brengen. Ze hadden een excellent voorbeeld voor deze vorm in het eerste boek dat Judt van begin tot eind ooit zelf in het Tjechisch had gelezen: het boek dat Karel Capek samen met Tomas Masaryk maakte, filosoof die in het interbellum president van Tjechoslowakije was. Ook was er het boek dat Aleksander Wat samen met Czeslaw Milosz had gemaakt, de door Judt bewonderde Pools-Amerikaanse dichter.

Het verbazingwekkende is dat Judt, die op 5 juli 2010 overleed, de laatste twee jaar van zijn leven alles heeft ‘geschreven’ (dat is: gedicteerd) op basis van zijn geheugen. Het boek dat uit de gesprekken met Timothy Snyder is voortgekomen, Denken over de twintigste eeuw, is een subliem overzicht van de ideeën die de vorige eeuw hebben beheerst, gekoppeld aan de degenen die ze in de praktijk brachten, van T.S. Eliot tot Robert Brasillach, van Eric Hobsbawn tot A.J. P. Taylor, van Sidney Hook tot Milan Kundera, Adam Michnik, Vaclav Havel en Czeslaw Milosz. Bij Judt zie je de politieke, culturele, literaire en filosofische ideeën in actie, waarbij hij zichzelf, zonder zich op de voorgrond te dringen, niet uit het oog verliest. Dat maakt het boek ook tot een intellectuele autobiografie.

Hoe het werken Judt de laatste twee jaar van zijn leven verging is nu te lezen in The New York Review of Books van 22 maart in een artikel van zijn vrouw Jennifer Homans. Je krijgt daaruit de indruk dat het huis van Judt in New York een klein centrum van de wereld was waar onder grote druk nog van alles geregeld moest worden voor het te laat was. Homans schrijft dat Judt alles wat met zijn ziekte te maken had vertaalde in politieke termen: zijn angsten (dat zijn elektrische apparaten het zouden begeven, zoals wel gebeurde), vertaalde hij in de angst en schaamte van mensen die hun baan verliezen. De afhankelijkheid waarmee hij te maken kreeg vertaalde hij naar de vernederende afhankelijkheid van mensen die niets aan hun penibele omstandigheden kunnen veranderen, hoe graag ze ook willen.

Judts terugblik op de twintigste eeuw is een dubbele. Allereerst is er natuurlijk de twintigste eeuw van de dood en verderf zaaiende ideologieën nationaal-socialisme, fascisme en communisme. Zij maken van de twintigste eeuw ‘the age of extremes’, naar de titel van Eric Hobsbawns boek. Maar daarnaast is er de twintigste eeuw van de onmiskenbare en ‘opmerkelijke vooruitgang in de algemene omstandigheden’ die zich in de tweede helft voordeed. Er is wat Judt betreft alleen maar een dubbele kijk op de twintigste eeuw mogelijk. Het zou belachelijk zijn om de vooruitgang te ontkennen, met hoeveel negatiefs die dan ook gepaard is gegaan. De twintigste eeuw heeft ons volgens Judt ‘droeviger maar verstandiger’ gemaakt.

In het boek komt het een paar keer aan de orde, en Jennifer Homans heeft het er ook over, hoe belangrijk Judt de veel gesmade intellectuelen en journalisten vindt voor het dichten van de ruimte tussen burgers en de politiek, tussen zij die regeren en zij die geregeerd worden. Ze moeten duidelijk maken waar het over gaat, hoe de problemen er uit zien. Er zijn geen anderen in het publieke domein die dat op een begrijpelijke manier doen. Ze moeten voorkomen dat mensen vervreemden van de politiek en alleen maar klagen dat de hoge heren in Den Haag het toch alleen maar voor het zeggen hebben. Voor Judt waren ideeën, schrijft Jennifer Homans, ‘a kind of emotion, something he felt and cared about in the way that most people do about feelings like sadness and love.’

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.