Van het ene determinisme naar het andere
door Carel Peeters
Dat alles is voorbeschikt door God en dat de mens op eigen kracht niets kan uitrichten om zijn lot te veranderen, kreeg een nieuwe wetenschappelijke gedaante in het genetisch determinisme: alles bevindt zich al in onze genen en daaraan valt niet veel meer te wijzigen. Dit is de opvatting van Dick Swaab in Wij zijn ons brein. Een nieuwe vorm van predestinatie.
Het zoeken, en het willen vinden van zulke grote eenduidige oorzaken van ontwikkelingen in gedrag is onuitroeibaar: alsof de mens per se wil dat aan zijn leven eenduidige ijzeren wetten ten grondslag liggen. Na de ontdekking van de natuurkundige wetten door Newton veranderde de hele wereld ineens in een mechanisch paradijs. Alles kon ineens worden teruggebracht tot mechanica, tot automatisch en vanzelf verlopende ontwikkelingen en verschijnselen. De recente pogingen om het determinisme weer respectabel te maken door ook de vrije wil definitief uit de wereld te helpen, zijn gelukkig gestrand op te veel weerstand.
De bioloog en darwinist die meestal als bron van het genetisch determinisme wordt geschouwd, Richard Dawkins, was in feite de eerste om afstand te nemen van dat determinisme. Aan het eind van zijn boek Onze zelfzuchtige genen schrijft hij: ‘Om een begrip te krijgen van de evolutie van de moderne mens, moeten we beginnen met het gen overboord te gooien als enige basis van onze ideeën over evolutie. Ik ben een enthousiast darwinist, maar ik geloof dat het darwinisme een te grootse theorie is om te kunnen worden beperkt tot het enige begrip gen.’
Waarna Dawkins overgaat tot het introduceren van wat hij de ‘meme’ noemt. De meme is de culturele versie van het gen. Memen zijn melodieën, ideeën, stopwoorden, mode, technieken, gewoonten. ‘Net zoals genen’, schrijft Dawkins, ‘zich in de genenpool uitbreiden door via zaadcellen en eicellen van lichaam naar lichaam te springen, breiden memen zich uit in de memenpool door van brein naar brein te springen via een proces dat we in ruime zin imitatie kunnen noemen’.
De meme zorgt voor culturele overdracht. Cultuur ontstaat door de onafgebroken reproductie en mutatie van memen: opkomst en neergang van gewoonten en waarden, het ontwikkelen van theorieën, het steeds weer overleven van bepaalde ideeën (God, samenwerking, liefde). De memenpool is het culturele, vruchtbare bad waarin we zwemmen.
Dawkins’ introductie van de meme in 1976 leidde tot verschillende boeken waarin zijn ideeën werden uitgewerkt. De meest recente ontwikkeling is te vinden in het boek Wired for Culture van Mark Pagel. Helaas met een nieuw determinisme: nu is het de cultuur, na het gen, die alles bepaalt. ‘Human culture has surpassed genes in determining who we are and how we live’ vat Ian Tucker het boek samen in een interview dat hij in The Observer van 19 februari met Pagel had.
Als hoofd van het Evolutie Laboratorium van de Universiteit van Reading bestudeert Pagel de evolutie in cultureel opzicht. 200.000 jaar geleden kreeg de mensheid de beschikking over het vermogen om cultuur te laten ontstaan. Maar het duurde nog tot 70.000 jaar geleden voordat er iets van sociale organisatie ontstond en de zelfzuchtige instincten langzaam minder werden. Als evolutiebioloog vroeg Pagel zich af waardoor de cultuur heeft kunnen overleven, en niet ten onder is gegaan aan strijd, oorlog en vernietiging – ook al is daar in ruime mate wel degelijk sprake van geweest – en nog steeds. En niet alleen waarom de cultuur heeft kunnen overleven, ook waarom de cultuur zoveel tot stand heeft gebracht. De ondertitel van Wired for Culture geeft het antwoord op beide vragen: The Natural History of Human Cooperation. Samenwerking is het geheim van cultuur, volgens Pagel. Waarmee niet gezegd is dat samenwerking een eenduidige natuurlijke altruïstische instelling is. Samenwerking is een strategische manier om ook eigen belangen te dienen. Het is zelf een product van cultuur: het vermogen om te begrijpen dat je door samenwerking je hachje kunt redden.
Pagel maakte van cultuur een aangelegenheid die beheerst wordt door groepen, sferen, codes, gevoeligheden, vertrouwen. Het is een sterk cultuurantropologische met darwinisme gelardeerde manier om naar cultuur te kijken wanneer hij schaamte, trots, schuldgevoel en inlevingsvermogen als culturele remmingen ziet op onaangepast gedrag. In een cultuur is iemands reputatie volgens Pagel zijn belangrijkste kapitaal. Is die reputatie gunstig dan kan hij in ruime mate samenwerken en wordt zijn medewerking ook gezocht. Maar reputatie kan ook betekenen dat je aan de genade van anderen bent overgeleverd als ze die verkeerd inschatten.
Het individu is nagenoeg uit Pagels visie verdwenen. ‘Natuurlijke selectie’, schrijft hij, ‘heeft ons beetgenomen door ons te voorzien van een emotie die bevordert dat we in groepen denken.’ Pagel heeft het alleen over de voordelen van het groepsdenken, de nadelen (chauvinisme, uitsluiting) komen minder uit de verf. De onvermijdelijke afhankelijkheid van mensen in een georganiseerde samenleving wordt door Pagel tot een deugd verheven. Dat in een cultuur alles met alles samenhangt (dat is cultuur) kan ook voor claustrofobie zorgen. Je moet dan voldoen aan de dominante codes. Cultuur lijkt bij Pagel soms op een bolwerk van sociale controle. Op cultureel determinisme. Cultuur is ook wat nog niet in gewoonten, gebruiken en codes is vastgelegd.



