Ancient Light – John Banville
door Jeroen Vullings
In de nieuwe roman van John Banville herinnert een acteur zich zijn eerste liefde. Het verleden leeft, en hoe.
De Ierse schrijver is tenslotte ook literair criticus, dus is hij gewend aan een distante blik op wat nabij komt. In zijn nieuwe roman Ancient Light, over de nadagen van de klassieke acteur Alexander Cleave, komt een bijfiguur voor die aangeduid wordt als ‘JB’, een schrijver. Zijn ritmische stijl wordt (in deze kenmerkende formuleringen voor Banville zelf) getypeerd als: ‘Rhetorical in the extreme, dramatically elaborated, wholly naturel, synthetic and clotted, it is a style such as might be forged (…) by a minor court official at Byzantium, say, a former slave whose master had generously allowed him the freedom of his extensive and eclectic library, a freedom the poor fellow all too eagerly availed himself of.’ Een beetje sneue autodidact dus, maar daarachter schuilt iets, zegt Banville: ‘Behind the gloss, the studied elegance, the dandified swagger, this is a man racked by fears, anxieties, sour ressentiment, yet possessed too of an occasional mordant wit and an eye for what one might call the under-belly of beauty.’
Rake woorden. De onderbuik van schoonheid – door die karakterisering realiseerde ik mij waarom ik Banville wil bijhouden. Dat klinkt raar, want hij schrijft literatuur met een L, roman na roman waar eigenlijk niets op aan te merken valt. Prachtig geschreven, bovendien. Maar: het is mij te weinig verrassend, te traditioneel, te gebeeldhouwd. Literatuur als eredienst, waarbij de canonieke aanwezigheid van Shakespeare altijd voelbaar is – alleen al zo’n oude acteur in Ancient Light. Door Banvilles gebrek aan dwarsheid schrijft een mindere stilist als Martin Amis in vergelijking met hem urgentere romans.
En toch – gelukkig, want dat maakt zijn steriele, postmodern verantwoorde vertelconstructies van vlees en bloed – heeft hij oog voor de rafelranden van het bestaan, al zijn die ordentelijk opgenomen in zijn romans. Ditmaal zet de verteller Alexander Cleave, die we als personage kennen uit Banvilles romans Eclipse (2000) en Shroud (2002), zich aan een memoir over zijn eerste liefde. We weten uit die eerdere delen van deze terloopse trilogie dat hij zwaar gekweld wordt door de onverklaarde zelfmoord van zijn dochter Cas, en dat hij op het podium instortte. In de loop van Ancient Light krijgt hij de kans als filmacteur te schitteren en dat brengt beweging in zijn impasseloos bestaan. Maar vooralsnog probeert hij zich zijn eerste liefde voor de geest te halen, de enige in zijn bestaan, beseft hij nu. Dit vanuit de behoefte om ‘verliefd te worden, verliefd te zijn, nog eens’.
Zo zintuigelijk mogelijk probeert hij die sensatie van toen terug te halen. Die liefde is, blijkt uit zijn weergave, veel intenser dan zijn bestaan dat daarop volgde. En ook dan – riskant aan Banvilles romanopzet – het in het heden spelende deel van het tweeluik dat deze roman is. Het verleden leeft, en hoe. Een kosmisch onderlegde Spanjaard, die tevens een afgezant is uit de mythologische onderwereld, verklaart in een betoog over verre sterrenstelsels en de betrekkelijke snelheid van het licht – vandaar de titel Ancient Light – zelfs: ‘overal kijken we in het verleden’.
Geleidelijke schipbreuk
De openingszin van de roman luidt: ‘Billie Gray was my best friend and I fell in love with his mother.’ Want ja, Alexander was in de jaren vijftig in provinciaals Ierland vijftien en hij kreeg een affaire met een vijfendertigjarige, getrouwde vrouw, aangeduid als ‘Mrs Gray’. Het zou jammer zijn als de aandacht voor dit verhaal zich toespitste op het taboedoorbrekende in Banvilles ‘pedoroman’, want dat gaat voorbij ’s schrijvers inzet. Hun liefde is juist volstrekt natuurlijk, van ontmoeting naar herdersuurtje volgen we het verloop. Het gaat allemaal om het achterhalen van het juiste perspectief, zegt deze roman, die niet zomaar opent met het beeld van Mrs Gray gereflecteerd in twee spiegels. Banville boekstaaft, via Alexander die nu een zestiger is, de geleidelijke schipbreuk die zich in menig leven voltrekt, en laat zijn verteller vernietigend terugkijken op wat hij naliet. De vijftienjarige van toen was zelfzuchtig, hij had maar één ding in zijn hoofd en nu pas ziet hij de tragiek van zijn minnares. Ze was te jong getrouwd, eenzaam en ze wilde praten – hij niet. ‘Mevrouw Gray leerde me veel lessen, de eerste en meest waardevolle was dat je een ander mens vergeeft menselijk te zijn.’
Uiteraard loopt het slecht af. En is het boek uit. Mooi, kunnen we zeggen over het relaas van die liefde uit het verleden, want ja, dat is ontegenzeglijk een emotionerend verhaal. Het was telkenmale een opluchting om weer, na zo’n alternerend hoofdstuk over Alexan ders heden waarin hij met de film en Cas’ dood gepreoccupeerd is, terecht te komen in de onmogelijke situatie waarin Alexander en Mrs Gray zich bevonden. Dat het zou uitkomen, dat ze betrapt zouden worden tijdens hun clandestiene, schuimende ontmoetingen, stond vast. De vraag was alleen wanneer dat zou gebeuren.
Onderaardse borreling
Het is soms zinnig om je na lezing alvast voor te stellen hoe je het boek over een tijd zult herinneren. Het beeld van die amourette zal beklijven, in tegenstelling tot het aanmerkelijk efemere verhaal over de filmwereld. Dat zal vast niet alles zijn. Banville is behept met een essayerende, in aanleg grillige en ternauwernood te beteugelen geest en in zijn strak geregisseerde romans zie je dat het best aan de waaier aan antieke, mythologische verwijzingen. Die stuwen met vereende krachten een onderaardse borreling naar de oppervlakte in zijn verhaaluniversum – dat daardoor een sinistere, geladen glans krijgt. Van nog grotere kracht en allure – ze komen uit dezelfde geest voort – is het optreden van allerlei schimmige bijfiguren, in wie stuk voor stuk een verhaal op zichzelf verborgen lijkt te zitten. Een verhaal – en dat wérkt – dat Banville niet vertelt. Als een magiër die ons in een flits een bonte wemeling aan beelden voortovert, om daarna met uitgestreken smoelwerk niet thuis te geven. Ik noemde al die duistere Spanjaard, die zich voorstelt met: ‘Ik ben, laat we zeggen werkzaam in de mijnen.’ ‘Ondergronds,’ fluistert hij. Via deze figuur zien we de Banville terug die ons in de jaren zeventig en tachtig literair zo verrijkte. De natuurkundige, cerebrale, afgrondelijk demonische Banville van de vroege romans Doctor Copernicus, Kepler, The Newton Letter, Mefisto, The Book of Evidence. Maar vlak ook een ander personage niet uit, de priester die door een banvilliaanse speling van het lot ‘Father Priest’ heet, bij wie Alexander zijn vleselijke zonde gaat opbiechten. Dat levert de meest grandioze scène op in Ancient Light, waar Banvilles verschrikkelijke, vileine humor vrijuit kan huishouden. Het is duidelijk dat de geestelijke door het aanhoren van de adolescente getuigenis in opperste staat van beroering is gebracht, aan gene kant van het biechtluikje. Het stamelen, hijgen en aandragen van perverse suggesties is niet van de lucht.
John Banville, ‘ Ancient Light’, Viking/Penguin, 245 p.



