★★★☆☆

Helleke van den Braber – Explosieve debatten

door

Een criticus, zo schreef de achttiende-eeuwse Gottlieb Schreiber, is een mug die het bloed van edeler dieren drinkt. Critici worden op zijn best gedoogd, daarom is het bijzonder te noemen dat in de Jardin du Luxembourg een heus standbeeld staat van de Franse criticus Charles-Augustin Sainte-Beuve. We zouden toch raar staan de kijken als de gemeenteraad van Amsterdam een standbeeld van Tom van Deel in het Vondelpark zou laten verrijzen.

Maar minstens zo vreemd is het om in een boek van nog geen tweehonderd pagina’s acht willekeurige artikelen over muziek-, theater- en literatuurkritiek in Nederland én Engeland achter elkaar te zetten en daar de megalomane titel Kritische tradities in Nederlandse en Engelse tijdschriften 1750-1940 aan mee te geven. Ook de inleiding maakt het boek groter dan het is: ‘een overzicht van de ontwikkelingen in de kunst- en cultuurkritiek in periodieken tussen 1750-1940 in Engeland en Nederland’.

De overspannen ambities van deze bundel laten onverlet dat er wel een paar aardige bijdragen in te lezen zijn. Zoals die van de Nijmeegse cultuurwetenschapper Mathijs Sanders over de nu totaal vergeten literatuurcriticus Frits Hopman. Deze leraar Engels publiceerde in 1915 een feuilleton in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift en kreeg de kans om in het eerbiedwaardige tijdschrift De Gids te recenseren.

Hopman recenseerde de romans Koningen en Zonsopgang van de gevierde schrijver Israël Querido. In zijn bespreking van maar liefst zestien pagina’s lang noemde hij het werk van Querido ronduit een ‘fiasco’ en wat nog ongebruikelijker was, hij kapittelde zijn mederecensenten die zich altijd op de vlakte hadden gehouden. ‘Een kritiek die niet weet te onderscheiden en een minderwaardig boek prijst als een meesterwerk verlaagt den standaard van voortreffelijkheid en ontwricht het nationaal oordeel.’

Hoewel Hopman geen namen van andere critici noemde, werd er door zijn collega’s heftig gereageerd. Henri Borel prees hem vanwege zijn moed te breken met de ‘knusse gezelligheid’ van de Nederlandse literatuur, P.H. Ritter vond dat Hopman ‘onbillijk’ was, omdat hij niet gerecenseerd had ‘naar de goede bedoelingen’ van de auteur.

Sanders concludeert dat Hopman zich met zijn recensies vooral wilde onderscheiden, en dat wierp zo zijn vruchten af. Hij werd gekozen tot voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en zijn baan als leraar kon hij verruilen voor de prestigieuze post van criticus van de Nieuwe Rotterdamse Courant. Querido had ook niet stilgezeten en publiceerde een vlammend essay over de moderne kritiek die afkomstig was van ‘velerlei fascistische stumpertjes en prutsertjes’ die een gebrek aan ‘objectief onderscheidingsvermogen’ zouden vertonen. Als ‘meester in de literatuurcritiek’ noemde Querido overigens Sainte-Beuve. Hopman overleed na een slopende ziekte op 4 maart 1932.

Helleke van den Braber en Inger Leemans (red.). Explosieve Debatten. Kritische tradities in Nederlandse en Engelse tijdschriften 1750-1940. Walburg Pers, 192 p., € 29,50

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.