★★★★☆

Pessimisten bouwen geen gaskamers

door

‘Zes miljoen heeft hij er vermoord (…) en uitgerekend deze niet.’

Dat is een schokkende uitspraak, ver voorbij de politieke incorrectheid. Bij het getal ‘zes miljoen’ zegt alleen een kwaadwillende niet te weten op wie gedoeld wordt. En ‘deze’, in de context van Shalom Auslanders (1970) debuutroman Anne Frank leeft en woont op zolder, slaat dan ook nog op hét symbool van de afgeslachte onschuld in de Tweede Wereldoorlog, het kind dat wilde opgroeien en dat om rassenhaat vermoord is: Anne Frank.

Hoofdpersoon Solomon Kugel heeft het, als hij die gewraakte uitspraak doet, gehád met Anne Frank. Niet met het meisje dat het dagboek schreef, maar met het stokoude vrouwtje met die naam. Ze leeft en huist ongevraagd op zijn zolder. Solomon, zijn echtgenote Bree en hun driejarige zoontje Jonah zijn van metropool New York verhuisd naar het plattelandsstadje Stockton om rust te vinden. In die landelijke omgeving gebeurt niks, op overlast door een anonieme pyromaan na. Het enige dat de (huwelijkse) harmonie verstoort, is dat Solomon zonder overleg met Bree zijn oude moeder in huis heeft genomen; ze zou op sterven liggen, maar knapt daar juist wonderwel op. Alles is paradijselijk, op de permanente stank in het huis na en het onverklaarbare getik dat van tijd tot tijd weerklinkt. Solomon ontdekt dat het getik van een schrijfmachine blijkt te komen, waaraan Anne Frank al ruim zestig jaar zit te werken. Aan een roman. Op zijn zolder.

Je reinste beeldenstormer
Op dat absurde gegeven, of liever: het gedachte-experiment als in Philip Roths roman The Ghost Writer (1979) – wat als Anne Frank was blijven leven? – drijft Auslanders groteske. De plot is van ondergeschikt belang, slapstick wint het van realisme, al is het in het verhaal volstrekt geloofwaardig dat er een oud vrouwtje dat zich Anne Frank noemt op Solomons Amerikaanse zolder zit. Auslanders roman behoort tot het genre van de humoristische literatuur – zij het zwarte humor, tot op het bot oneerbiedig, subversief en verontrustend, met uitstapjes naar slechte, zieke smaak. Humor is al een vermetele stap in deze ironievijandige tijden, en dan daarbij ook nog zo’n taboe schenden maakt van Auslander je reinste beeldenstormer. Eerder schreef hij een verhalenbundel en een hilarische memoir over zijn orthodox-joodse jeugd, maar dat lach-of-ik-schiet-proza had ons niet kunnen voorbereiden op het intens vieze, broodmagere, onwelriekende en grofgebekte vrouwtje dat Solomon aantreft op zolder.

Afbeelding: Siegfried Woldhek

Na de oorlog bezocht ze haar uitgever, vertelt ze hem, en hij gaf haar het advies: blijf dood. Niemand wenst een levende Anne Frank. Het besef van haar roem drukt zwaar op haar schrijverschap: ‘Tweeëndertig miljoen exemplaren, dat is geen kattenpis…’ Het is wrang om haar in dit verhaal de versleten technische praatjes te horen verkondigen van fictieschrijvers, over bijvoorbeeld personages en schrijverlijke vrijheid. Want zoals Bree zegt: ‘Denk je nou echt dat ­iemand haar boek had gelezen als ze was blijven leven?’ Als getuigenis heeft Franks dagboek waarde in het licht van haar voortijdige dood, zegt Auslander daarmee. Maar haar literaire schrijverschap ridiculiseert hij, zoals hij in zijn rothiaanse roman de gehele mythe rond Anne Frank deconstrueert, en in wijder verband: die van het lijden waarop de Joodse identiteit fors zou berusten.

Zíjn Anne Frank eet vogels, kleine knaagdieren en andere beesten waar ze haar hand op kan leggen, zoals de deerlijk vermiste kat van Solomons buren. Op een gegeven ogenblik, als Solomon de assertieve huurder die bij hem een kamer betrokken heeft, mee naar zolder neemt, treffen ze daar Anne Frank aan die zich met kreunende inspanning in een geopend ventilatierooster ontlast. Vandaar de akelige lucht in huis.

Die hebbelijkheid van Anne Frank weerspiegelt Solomons eigen darmkuren, ten gevolge van zijn allergie voor gluten. Tegen het slot vertelt Frank het verschrikkelijke verhaal hoe ze in een stapel lijken Bergen-Belsen wist te overleven en daar noemt ze dat vernietigingskamp ‘een latrine’. Dat beeld van anus mundi laat Auslander almaar terugkeren in zijn roman, zelfs op middle class-formaat, zoals in Solomons slechts door waanzin en opgedrongen angsten bedreigde bestaan.

Meer dan een kampnummer
Hoe cru ook, Auslander maakt van het symbool Anne Frank weer een mens, hij gunt haar het leven dat ze niet heeft kunnen leiden en in de loop van het verhaal wordt ze, hoe gemelijk ze ook is, steeds sympathieker. Ze is meer dan Auschwitz, meer dan een kampnummer op haar arm, begrijp ik daaruit. Zoals hij in zijn roman niet de draak steekt met de Holocaust, maar wel met degenen die de beladen geschiedenis misbruiken, die niet het overleven van zulke gruwel centraal stellen maar het lijden. De harde grappen zijn daarbij niet van de lucht, zoals de running gag over de schrijver-overlever Elie Wiesel. Solomon vindt dat een Jood Anne Frank niet op straat mag zetten, maar misschien is er toch een uitweg: ‘Mag alleen een andere overlevende van de holocaust haar eruit zetten, is dat het? Moeten we soms Elie Wiesel hierheen halen om haar eruit te gooien?’

Via Solomons moeder, een in 1945 in Brooklyn geboren vrouw die zich pathologisch uitgeeft voor een overlevende van de vernietigingskampen, hekelt Auslander de competitie in lijden. Solomons zwager is van Armeense afkomst en hij vertelt over de massamoord door de Turken. Solomons moeder reageert:

‘“Hoeveel mensen zijn daarbij omgekomen? Een miljoen?”

“Anderhalf miljoen,” antwoordde Pinkus.

“Bel me als ze de drie miljoen hebben gehaald,” zei Moeder, “dan praten we verder. Genocide, hou toch op!”’

De indringendste scènes in Auslanders roman zijn die waarin de ouder-kindrelatie speelt – dé vehikels om angst door te spelen. Solomon, die zijn driejarige zoon Jonah wil beschermen tegen de wereld en hem daarom onkundig wil laten van de verbrandingsoven waarin hij (volgens Solomons moeder) bij een nieuwe holocaust vanzelf zal belanden. En Solomon zelf, die op te jonge leeftijd moest kijken naar foto’s en films van de Holocaust, die meegesleept werd naar een concentratiekamp, die door zijn moeder gewezen werd op een stukje zeep of een lampenkap, waarbij gezegd werd: dat is je opa, dat is je tante. Hij reageerde met: ‘Er staat MADE IN TAIWAN op.’ Zegt ze: ‘Ja, hèhè, ze gaan er natuurlijk niet MADE IN BUCHENWALD op zetten.’

Spijtig dat de vertaalde titel niet wat dichter bij het origineel is gebleven: Hope: A Tragedy. Die titel immers begunstigt een van de twee filosofieën die in de roman ontvouwd worden: de pessimistische. Solomons geestelijk raadsman, professor Jove, zegt: ‘Hitler was de meest onbeschaamde, naïefste optimist van de afgelopen honderd jaar. En juist dáárom was hij ook het grootste monster. Heb je ooit van zoiets bespottelijk optimistisch gehoord als Die Endlösung? Niet zomaar een oplossing – voor alles, let wel, terwijl we een gewone verkoudheid nog steeds niet kunnen genezen – maar niets minder dan de definitieve oplossing! (…) Ik heb een wijze levensles voor je, Kugel, waar je ook woont of waar je ook bent geboren: als er iemand opstaat en belooft dat alles beter wordt, ren dan hard weg. Verstop je. Pessimisten bouwen geen gaskamers.’

De finale pijn komt wel, zegt Auslanders het leven vierende roman, maar daarom hoeven we nog niet voordien te lijden.

Shalom Auslander, ‘Anne Frank leeft en woont op zolder’, vertaling Tjadine Stheeman, Nieuw Amsterdam, 287 p., €19,95

Gepubliceerd op: | 1 Comment


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.