Heere Heeresma (1932-2011): ‘Een ellendig bestaan, dat schrijverschap’
door Mischa Cohen
Naar aanleiding van het overlijden van Heere Heeresma publiceren wij vandaag opnieuw dit in 2007 afgenomen interview:
De bediening in Freddy’s Bar van het Amsterdamse hotel de l’Europe overziet de spaarzame klandizie met een arendsblik. Als het kopje van Heere Heeresma bijna leeg is, schiet een kelner naderbij om de schrijver opnieuw van dienst te kunnen zijn. Het kan diens goedkeuring niet wegdragen. ‘Nee, zeg, wacht even, waarom neemt u eigenlijk mijn kopje mee? Dat is toch hóógst onfatsoenlijk?’
Het is dat de schrijver van bestsellers als Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (1973) en Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) in een joviale bui is vanwege alle goede recensies. Nu komt de kelner er vanaf met een luide reprimande.
Na het succes van de twee delen Een jongen uit Plan Zuid, zijn Amsterdamse oorlogsherinneringen die dit voorjaar worden gebundeld, kwam Heeresma eind vorig jaar met een nieuwe roman: Kijk, een drenkeling komt voorbij. Een beklemmende vertelling over een gevangene, Krekker, die zonder duidelijke aanklacht door een onbekende autoriteit wordt vastgehouden. Kafka meets Guantánamo Bay.
De afspraak met de schrijver, ooit befaamd om zijn practical jokes, kwam niet zonder moeite tot stand: Heeresma houdt zich principieel telefonisch onbereikbaar. De vierenzeventigjarige auteur, geholpen door bril en stok maar overigens vitaal, voert graag nog zelf de regie. Aan zijn pols draagt hij een blauw plastic bandje met de tekst: Win with Israel now.
Vanwaar dat polsbandje? Komt u vaak in Israël?
‘Nee, ik wacht tot de Messiach komt. Dan krijg ik een telefoontje uit Jeruzalem. Mijn koffertje is zo gepakt. Maar voorlopig blijf ik er uit de buurt. Die Arabers, in de bijbel staat over ze: “Aan hun woord ontbreekt het zout der betrouwbaarheid.” Dat gaat nog steeds op. En als ze straks eenmaal atoombommen hebben?… wat een gruwel.’
Theo van Gogh verfilmde werk van u. Kon u zich vinden in zijn ideeën over de islam?
‘Theo was een eenling. Ik heb hem goed gekend en ik waardeerde zijn volstrekte betrouwbaarheid. Zijn standpunt over de islam ondersteun ik ten volle. Wij in het Westen hebben nooit iets met de islam gehad – en terecht. Door de omstandigheden zijn we er nu toe gedwongen. Ik houd me er verre van en ik trek mijn eigen baan, dat heb ik mijn hele leven gedaan.’
U voelt zich niet thuis in dit land en in deze tijd?
‘Dit land kabbelt voort, iedereen is wel een beetje tevreden, heeft wel wat centjes. De mooiste tijden waren de jaren van zo ongeveer 1968 tot 1974. Toen heerste er in bepaalde kringen een enorme hi-la-ri-teit. Er waren mensen die heel hard geloofden in een nieuwe samenleving. Aan alle kanten was er beweging. Dat is helemaal verdwenen. Je kunt hier heel goed functioneren als je tegen jezelf zegt: ik wil eigenlijk geen carrière, laten we het gezellig houden. Dat vind ik halfzacht, ja. Er wordt toch geen hardheid meer vereist?
De Tweede Wereldoorlog was het laatste serieuze checkpoint. Daarna moest het of beter gaan of we redden het niet. Nu zijn de mensen ingepakt door het systeem. Daar gaat Kijk, een drenkeling komt voorbij over. Over het systeem en zijn waardebevestiger, het regime.’
Die jaren zeventig van u waren ook soft.
‘Nee hoor. De verzorgingsstaat was minder alomtegenwoordig. Je liep meer risico’s en je had meer vrijheid. Als de lamp voorover hing, ging je even ergens werken voor je huur, voor je bestaan. Ik was copywriter, kantoorklerk, maar ik kon ook áltijd aan de slag als ankerwikkelaar in Witmarsum.’
Uw nieuwe boek levert kritiek op onze weinig humane, overgeorganiseerde samenleving.
‘Als dat al zo is, dan maakt de lezer dat wel uit. Ik ben maar een schrijver. Het schrijven van een boek eist intens veel van me. Als de zaak is afgerond, ben ik de eerste twee, drie jaar niet in staat om er iets zinnigs over te zeggen.’
U zei daarnet: mijn boek gaat over het systeem.
‘Als u het dan per se wil: het gaat over de weerloosheid van een individu dat, vanuit geringe backing hè, het is een simpele man, in staat is in zijn geest verzet te plegen.’
Hij kiest daarvoor dezelfde weg als de schrijver. Hij maakt aantekeningen in een zwart schrift, vlucht in fantasieën.
‘O, dat weet ik niet. Ik weet nooit waar een boek over gaat. Ik pak mijn typemachine Erika 3, zet hem op mijn knieën in een hoek van de bank, mijn handen zweven boven de toetsen en dan begint het.’
Na uw jeugdherinneringen in ‘Een jongen uit Plan Zuid’ is dit de eerste roman in lange tijd.
‘Dit is geen roman. Een roman is gekwebbel, geschreven door schrijfsters. Die doen verslag van hun onbenullige avonturen, en dat tikken ze nog op een computer ook. Dat kan nooit iets worden. Je zit achter dat apparaat, het ketsen van de toetsen van kunststof op kunststof, je kijkt naar een grijzige achtergrond en lelijke letters. En je kunt er nog even dit tussen zetten en even dat. Zodat de meeste boeken, dat kun je rustig stellen, zeker veertig procent te lang zijn.’
U volgt de Nederlandse literatuur nog wel?
‘Ik ben zo getraind, in een boekhandel lees ik in het begin een regel en tegen het eind eentje. Niet helemáál aan het eind, je moet de auteur de kans geven een plot te creëren. En dan weet ik: dit is wéér niet voor mij geschreven.’
Zijn er boeken die wél voor u geschreven zijn?
‘Er werd me laatst gevraagd: wat zijn uw favoriete boeken? Ik zei, ouder gewoonte: Hermans, De tranen der Acacia’s. Campert, Een standbeeld opwinden. Schierbeek, De andere namen. Allemaal meer dan een halve eeuw oud, inmiddels. Toen kreeg ik de vraag: dat boek van Hermans, waar gíng dat ook al weer over? Ik begon: nou dat gaat… verrek, ik ben het vergeten.’
U heeft eigenlijk geen tijd om te lezen?
‘Nee. Of ik schrijf, of ik ben bezig met mijn theologische studie. En dan blijft er weinig tijd over.’
Religie speelt kennelijk een belangrijke rol in uw leven.
‘Ik bestudeer de Schrift vooral vanwege de tekst. Dat boek zit adembenemend mooi in elkaar. Goddank ben ik in de christelijke traditie opgegroeid, al gingen we alleen naar de kerk als mijn vader tijd had. Mijn moeder vond dat belangrijk, vooral uit sociaal oogpunt. Ikzelf ga liever naar sjoel dan naar een echte kerk. Hoe de Tora, de Tenach, de profeten daar gelezen worden – je weet niet wat je hoort. Tientallen eeuwen worden er over je heen gestort. Dat is van een zeer grote schoonheid.’
Is er hulp van boven te verwachten?
‘Mogelijk dat de Scheppende zijn handen óm de wereld heeft, maar in ieder geval niet ín de wereld. We zijn aan onszelf overgeleverd en we weten ook al wat ervan terechtkomt. Het eindigt in een drama. De mens loopt dood. Het ziet er verschrikkelijk somber uit. Maar mijn goede humeur laat dat allemaal gelukkig ver achter zich.’
De Arbeiderspers is niet bepaald uw eerste uitgever. Hoe kwam u er terecht?
‘Ik voel me daar thuis. Voor de oorlog reden ze met van die bakfietsen met een dakje erboven, volgestouwd met boeken van vergeten meestervertellers: Anton Roothaert, Den Doolaard. Die gingen troosteloze buurten in. De socialisten daar mochten dan een boek uitkiezen. Ik zag het bordje op de deur en ik dacht: díé gaan mijn nieuwe boek uitgeven. Ik moest aan een hoek van een bureautje gaan zitten, als kwam ik solliciteren voor een dienstbetrekking op de postkamer. Zo’n uitgeverij zit in een prachtig pand, maar als je er binnenkomt, lijkt het meer een aftands accountantskantoor. De sfeer ontbreekt. Een ontvangstruimte voor auteurs, met chesterfields en een tafel van bijna honderd jaar oud, dat hadden ze al helemaal niet. Ik zei: dit is geen doen zo. Toen hebben ze speciaal voor mij een roze fauteuiltje gekocht. Reuze aardig, maar het schiet niet echt op.’
U bent moeilijk bereikbaar, u werkt met een postbus, u heeft geen telefoon. Is dat een soort hoogstpersoonlijke onderduik?
‘Ondergedoken ben ik niet, maar er is wel een geweldige distinctie tussen mij en de rest van de wereld. Zo heb ik altijd geleefd. Mijn persoonlijke levenssfeer hang ik niet aan de grote klok. Mijn telefoon heb ik in de Herengracht geworpen. Nu heb ik een nieuwe, waarvan ik het nummer ongelezen heb weggegooid. Dat geeft een rúst! Ik heb wel gehad dat journalisten achter me aanreden om mijn adres te achterhalen. Dat soort trucs heb ik meteen door.’
Is het heel plat om dat met de oorlog te verbinden?
‘Natuurlijk heeft die oorlog mij ingekleurd, maar ik weet niet in hoeverre die bepalend is in mijn doen en laten.’
Gaat u verder met het opschrijven van uw jeugdherinneringen?
‘Dat zou ik zonder moeite kunnen. Ik ben als jongetje bijvoorbeeld getuige geweest van de fusillade op de Apollolaan. Ik was vroeg op, ben naar buiten geslopen, via de tuinen achter de huizen aan de Apollolaan. Ineens zag ik een groepje Feldgendarmerie staan met van die zilverkleurige bordjes om hun nek en snelvuurpistolen, Schmeissers. Toen zag ik de mensen die gefusilleerd zouden worden met gebogen hoofd die plek oplopen. En ik zag dat de soldaten die het zouden gaan doen, het vuurpeloton, waren uitgerust met karabijnen in plaats van hun gewone geweren. Lichtere vuurwapens voor de kortere afstand. Ik schreeuwde tegen mezelf: niet kijken – niet kijken – niet kijken. Omdraaien! Weg! En achter me hoorde ik de salvo’s. Ik kan over die tijd nog vele boekjes schrijven, maar ik vind: je moet weten waar je aan begint, maar ook wanneer je ermee stopt. Die twee deeltjes worden straks gebundeld, en dat moet het voorlopig maar zijn.’
Staat het u na al die tijd allemaal nog zo helder voor ogen?
‘Ik heb een abnormaal scherp geheugen. Mijn probleem was meer hoe ik dit kon opschrijven vanuit het perspectief van een jongen, met de kennis van nu. Dat is me gelukt en dat was moeilijk genoeg. Ik heb er echt decennia over gedaan, over die twee dunne boekjes. Totdat ik in een storm voer onder de Ierse kust, in mijn motorvessel Toitoi. Toen wist ik hoe ik het doen moest. Vervolgens barstte het los en was het in een paar dagen bekeken.’
U vergelijkt deze tijd met het nazisme.
‘Jazeker.’ Op Hitler-volume: ‘Das drrrritte Rrreich! Laatst was ik in een wat armetierige Rotterdamse buurt, was er plotseling overal politie. Een al wat oudere hoofdagent kwam naar me toe en vroeg om mijn identiteitskaart. Ik zei: dat kan ik wel doen, maar dat kost me zo’n móéite. Hij zit hier gewoon in mijn portefeuille, daar gaat het niet om, maar het doet me aan iets denken. Hij: hoezo? Ik: moet ik het voordoen? Met stemverheffing: Steh’n bleiben. Ausweiss bitte, und schnell. Hahahaha. Toen keek die agent me aan, zijn rechterhand, die aanvankelijk op zijn pistool rustte, legde hij op mijn schouder. Toen zei hij: “Dan doen we het niet.” Dat zal ik nooit vergeten. Ik dacht: ein Mensch.’
U bent een outsider in een vijandige wereld.
‘Ach, outsider. Ik ga mijn eigen weg, ongeacht de consequenties. In de jaren zestig woonden we op de Leidsekade in Amsterdam. Naast Harry Mulisch. Op een middag, het regende zachtjes, zijn mijn vrouw, mijn zoon Heere jr. en ik op het balkon gaan staan. We keken uit over het Leidsebosje en we riepen: wéreld, wéreld, wij zullen jou een stuk bróód afdwingen. Met de pen. Niet goedschiks, dan kwaadschiks. En toen zijn we weer naar binnen gegaan. Dat was een keuze. En ik vind, je moet trouw zijn aan je keuzen.’
De keuze voor de dood die uw hoofdpersoon na zijn vrijlating maakt, biedt de lezer weinig hoop.
‘Dat weet ik niet. Dat gaat over zelfbeschikking. Het is een gang die hij niet zelf heeft ingezet. Hij komt tot de absolute conclusie dat het hem niet zal lukken zijn eigen plaats in de wereld af te dwingen. Dus blijft hem, om werkelijke vrijheid te bereiken, niets over dan zelfmoord. Dat is een diepe tragiek.’
Anderen kunnen hem niet echt insluiten, en dus ook niet de vrijheid schenken?
‘Als u goed gelezen heeft dan weet u dat die soort van vrijheid niets zou betekenen. Hij heeft nog net voldoende geld voor een buskaartje. En dan? Niemand die op hem wacht. Geen plek die er voor hem is. In zijn situatie vind ik zijn besluit van een grootsheid die al het andere achter zich laat.’
Krijgt uw werk nog voldoende erkenning?
‘Mijn boeken van de laatste tijd roepen de schitterendste reacties op. Neemt u van me aan dat ik daar met verbazing kennis van neem. Maar wat ik érg vind, dat begint werkelijk pijnlijk te worden, is dat ik nooit een literaire prijs heb gekregen. Die had me al veertig jaar geleden moeten toekomen. Voor titels die nog steeds herdrukt worden. Het is echt te gék voor woorden. Ik heb wel een keer in de jury van de P.C. Hooftprijs gezeten. Ze zeiden: die Heeresma is zo’n lastpost, we zullen hem eens in de jury benoemen. Nou, ik wil er alleen dit over zeggen: die prijs is dat jaar níét uitgereikt. Ach, erkenning zet op zichzelf geen zoden aan de dijk. Alleen, er zijn tegenwoordig zulke interessante bedrágen aan die prijzen verbonden. Dus ik voel me echt tekort gedaan. Maar goed, ik ben in het literaire plantsoen natuurlijk ook altijd een vreemdeling geweest.’
U hoort nergens bij, voelt u ook geen verwantschap met een bepaalde generatie?
‘Ik had wel een paar gabbers, maar die zijn dood. De ene lag op een bankje in Marseille, een van de zeldzame nachten dat het daar streng vroor. Die is doodgevroren. De ander was de schrijver Jan Arends. Die zou gek zijn geweest, volgens de goegemeente. Nou, ze begrepen er níéts van. Jan keek naar de lucht en zei: hé, de vogels zijn op trektocht. En dan ging Jan naar een mooie inrichting en lulde hij zichzelf naar binnen. Daar sliep hij en hij kookte zelf in de keuken daar. Hij had het reuze gezellig met gesprekken met artsen, psychologen, psychiaters. En als de vogels weer terugkwamen, zei Jan: aju paraplu, en veranderde in een talentvolle copywriter. Of hij werd huisknecht.’
Uiteindelijk is hij uit het raam gesprongen.
‘Ik heb hem een paar maanden in huis gehad. Zo’n préttig mens. Een paar weken voor zijn dood kwam ik hem tegen op de Overtoom, ik vroeg hem: wat doe je hier? Hij zegt: “Nou jongen, ik heb het getroffen. Paviljoen drie! Daar heb ik mijn hele gebit laten saneren. Moet je kijken!” (lacht) Wat Jan gedaan heeft, dat was weer zo’n uiterste consequentie. Het was hem een gruwel dat zijn natuurlijke tegenstanders, de literatuurpausen, hem binnenhaalden als een groot talent. Op de dag waarop zijn nieuwe dichtbundel Lunchpauzegedichten werd gepresenteerd, realiseerde hij zich dat. Toen is hij gesprongen. Hij voelde zich mislukt.’
U bent zelf ook zo’n buitenstaander uit overtuiging.
‘Alleen-zijn is de positie die ik heb ingenomen. Die zit nu eenmaal in het wezen, in dit geval, van deze mens. Collega-schrijvers zijn altijd op hun hoede voor me, omdat ik in staat ben een ijzige kilte te verspreiden. Schrijvers kruipen graag bij elkaar, om troost te zoeken voor hun eenzaam ploeteren. Maar in plaats dat die verheugenis van gedeelde smart hen nu allen opheft, vreten ze elkaar op uit jaloezie, haat, naijver en frustratie! Het is een ellendig bestaan, het schrijverschap. Je werkt je de pleuris, dan is het klaar en niemand die het weet. Je kijkt eens naar buiten, de buurvrouw zet het vuil op straat. En daar zit je, voor joker. Dat is bitter.’


