Gerrit Komrij (1944-2012)

door

Gerrit Komrij kan alleen maar beschreven worden in Multatuliaanse termen: hij was een wandelende paradox, een en al tegenstrijdigheid. En zelfs dat vond hij te manicheïstisch, te veel een tweedeling voor iemand met ‘zoveel ikken’.

Er zat een zigeuner in Komrij en een burger, een rebel en een redelijke, ook al was die van het formaat lilliputter. Hij werd heen en weer geslingerd door de avontuurlijke parachutist en de pantoffelheld. Hij wilde in de schijnwerpers staan, en afwezig zijn, hij wilde alles meemaken en nergens te vinden zijn. Hij wilde over alles een mening hebben, maar werd misselijk bij de gedachte dat hij zo iemand was die over alles een mening had. ‘Wij dromen beurtelings van het een en het ander’, zei hij in zijn dankwoord toen hij in 1993 de P.C. Hooftprijs kreeg, ‘maar onze heroïsche tweestrijd tussen parachute en pantoffel loopt meestal uit op het compromis van de sta-caravan, maar we zijn tenminste in staat toe te geven dat er in onze borst tegenstrijdigheden huizen, vechtend om voorrang.’

Foto: Koos Breukel

Hoeveel tegenstrijdigheid ook in hem huisde, en hoezeer hij ook echt een ‘gelukkige schizo’ en een ‘vitale pessimist’ was, Komrij heeft wel een volledig eenduidige kritische en polemische reputatie gekregen. Bij ‘Komrij’ denk je aan twee dingen: aan poëzie en aan scherpe, briljante geschreven columns. Zijn kritische reputatie begon met de stukken die hij in het begin van de jaren zeventig in Vrij Nederland schreef over Nederlandse literatuur, later verzameld onder de titel Daar is het gat van de deur. Daarna schreef hij in wekelijkse hoofdstukken zijn vermomde autobiografie over zijn jeugd Verwoest Arcadië. Hij schreef voor de Boekenbijlage een reeks schitterende stukken over vergeten meesterwerken, gebundeld in Verzonken boeken.

Spraakmakend waren ook zijn stukken over abominabele architectuur onder de titel Het boze oog. Van groot psychologisch vernuft getuigde zijn serie Humeuren en temperamenten waarin alle denkbare gemoedstoestanden voorbij kwamen. Kunstliefhebbers en kunstcritici schrokken wakker toen Komrij begin jaren tachtig de eerste Brandende Kwestie over de kunstkritiek voor de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) hield.

Komrij bedreef de filosofie van de vijfde colonne: ook al deed hij alles in het openbaar, hij bevond zich altijd in de loopgraven: er moest altijd iets neergesabeld worden, of verdedigd worden. Met name de poëzie moest in bescherming genomen worden, dat was voor Komrij de kern van de literatuur, aan de poëzie kon je zien hoe vitaal een cultuur was. In de poëzie werd het meest intieme verwoord, het was voor Komrij de bron van alles.

Gepubliceerd op: | No Comments