Gerrit Komrij wordt zestig: ‘Zolang ik leef ben ik de kluts kwijt’
door Mark Schaevers
Gerrit Komrijs zestigste verjaardag op 30 maart wordt luister bijgezet door zijn nieuwe roman en een expositie in het Letterkundig Museum. Hoogste tijd voor een gesprek over ouder worden, liefde, seksualiteit, zelfhaat en literatuur.
‘Ik had elders geboren moeten zijn: de Filippijnen, Haïti, Suriname… Nederlanders zijn écht heel vervelende mensen.’ Zegt Gerrit Komrij midden in het gesprek waarin we, alleen al omdat de schrijver binnenkort jarig is, geregeld even langs het Gelderse Winterswijk scheren, zijn geboorteplaats. ‘Mijn grote angst is dat er later in de encyclopedie achter mijn naam ook een Nederlandse sterfplaats zal staan: “Gerrit Komrij, geboren te Winterswijk, gestorven te… zeg maar: Diemen…—. Alles wat daartussen zit, is dan toch voor niks geweest? Dus zodra ik me een beetje slecht voel, zorg ik ervoor dat ik uit Nederland weg ben. Ik wil een mooie sterfplaats: “Port-au-Prince—. Kaapstad zou ook mooi zijn, “gestorven te Kaapstad—. Of nee: Klapmuts!’
Komrij speelt wel erg op veilig om niet in Nederland te sneuvelen, want hij is ver weg gaan wonen in Portugal, in een verbluffend huis in Vila Pouca da Beira, tegen de Serra da Estrela aan, waar het vanmiddag sneeuwt. De lente wordt ongeduldig afgewacht, de wijnstokken op het landgoed (wijnstreek: dão) staan al opgebonden, heeft Charles Hofman me getoond. Het is hun twintigste jaar in Portugal. Ze kennen elkaar veertig jaar. Gerrit wordt 30 maart zestig.
‘Het klinkt heel vervelend, zestig. Rolstoelen, beginnende incontinentie, grijze plukken, het is een rotwoord, maar meer is het ook niet: je wordt het vanzelf als je maar rustig op je kont blijft zitten. Op mijn twintigste dacht ik: vijfentwintig is wel érg oud, dan wil ik dood. Maar als het dan zover is, heb je de moed niet een pot met cyaankali door te slikken. Er komt nog iets bij in mijn geval. Als je kinderloos bent, verloopt de confrontatie met de ouderdom veel hardhandiger, meer schoksgewijze: met opgroeiende kinderen is er een natuurlijker overgang. Ik wil daar niet pathetisch over doen, dat is een feit. Zoals voor homoseksuelen ouder worden iets anders is. De hele homoseksuele mystiek is erg op jeugd gebaseerd, op mooi zijn. Ik eis het recht op van een gezonde middelbare leeftijd! Ik heb me nooit op mijn gemak gevoeld in mijn eigen lichaam. Maar ik ben nuchter genoeg om te beseffen dat je er geen andere kop op kunt schroeven. Schrijven is toch ook mijn verleidingstactiek – ‘Kijk eens naar mij!’ – waar je mee uitpakt omdat het je op een andere manier niet lukt. Ik had het anders gewild.
Er viel me iets op toen ik op de laatste twintig jaar terugkeek: eigenlijk ben ik een enorme sukkel, die altijd weer ergens aan begint – huizen, vriendschappen – met een bijna masochistisch doel om vast te lopen. Ik blijk altijd de verkéérde situaties te kiezen, en ik ben niet handig genoeg om er bijtijds uit te springen. Dat wou ik op een rijtje zetten: waarom ben ik zo’n dóétje? Waarom is de enige uitweg altijd een absolute breuk of een vlucht: schietstoelwerk dus! Waarom moest ik naar het buitenland verhuizen?’
In ‘Hercules’, je nieuwe roman, put je uit de ervaringen van de piepjonge Komrij die ‘voorgoed’ naar Kreta vertrok.
‘Die terugblik is me opgedrongen. Dat materiaal van mijn jeugd had ik nooit meer willen zien, maar nu moest het wel, omdat er in het Letterkundig Museum in Den Haag een tentoonstelling komt en er een Schrijversprentenboek over me verschijnt (Het fabeldier dat Komrij heet – MS). Alles overhoop gehaald, doos voor doos, de schimmel en de geur van tientallen jaren geleden hingen er nog in. De helft van wat er in die doos zit heb ik niet eens durven lezen – liefdesbrieven, op je achttiende geschreven! Maar ik dacht: hier wil ik over schrijven. Het was een vreemde periode in mijn leven. Ik was net van Winterswijk naar Amsterdam verhuisd, zo’n gek jaar, een scharnierjaar net voor ik mij in het burgermansleven stortte. Dat jaar op Kreta was een soort militaire dienst in de tropen die ik heb proberen weg te moffelen. Jongens, meisjes, ook op dat punt was ik erg in de war, toen. Anderhalf jaar heb ik het er volgehouden. Het was mijn eerste grandioze mislukking.’
Je verwarring op seksueel gebied is snel opgeklaard: je koos resoluut voor de herenliefde. Vragen over hoe het begon heb je altijd ontweken.
‘Ik lees nooit in interviews dat ze aan heteroseksuelen vragen: “Wanneer deed je het voor het eerst?— Wat is dat trouwens, de éérste keer? Is dat wanneer je heel schuchter iemand beroert, of wanneer iemand zich als een olifant op je stort? Het was heel moeilijk om in die tijd homoseksueel te zijn, ja, dus je was dubbelop homoseksueel, omdat het niet mocht en omdat het schokkend werkte. Mijn vader had toch het idee dat hij íéts moest doen, zodat ik achteraf niet kon zeggen: “Vader, ik ben nu zo’n ongelukkige flikker, had jij destijds maar iets gedaan!— Hij had me een draai om mijn oren kunnen geven, of hij had me, zoals een fatsoenlijke Italiaanse vader dat zou doen, meteen mee naar het bordeel kunnen slepen, dan hadden die hoeren ook gezegd: “Er is niks met hem aan de hand.— Maar mijn vader ging met me naar de huisarts. Die kon niets abnormaals ontdekken – voor die man was het natuurlijk ook iets geheel nieuws! Niks aan de hand, zei hij, en toen was het voor mijn vader ook in orde, heb ik er nooit meer wat over gehoord.
Ik vond het spannend iets te doen wat niet mocht, maar verder kon het me geen reet schelen wat anderen ervan vonden. Toen later iedereen de homoseksuelen ging doodknuffelen, had het helemaal geen zin meer om homoseksueel te zijn. Dan kom je er ook langzaam achter dat je het misschien niet bent. Of dat het een lege uitdrukking is. Het ligt er maar net aan op welke hoogte van de seksuele schaal je toevallig even stil blijft staan. In de definitie van homoseksualiteit zaten een soort maatschappelijke onaangepastheid en anti-religieus protest, een heidens element, en dat is er nu totaal uit weggeslagen. Sindsdien interesseerde me het ook niet meer er nog wat over te zeggen. Misschien heeft dat nu wel weer zin in verband met de nieuwe preutsheid en hypocrisie. Want al die pedofilieschandalen hebben de definitie van homoseksualiteit ook niet onaangeroerd gelaten.
Een roman over het nichtenmilieu? Da’s een goed idee. Ik heb toch een jaarlang vrij intensief in dat milieu rondgezworven, toen het nog clandestien was, meteen toen ik als plattelandsjongen in Amsterdam belandde, in de geheime kroegen als de McDonald’s en de Kosmo, waar je je langs portiers heen moest wringen en waar altijd gewaarschuwd werd als de politie in de buurt was – dan ging iedereen anders zitten, men verschikte zijn kleren weer. Al die nichten kwamen pas om tien uur als ratten uit hun holen gekropen, om dan de hele nacht de stad onveilig te maken… Alles was nieuw voor mij. Daar zou ik een boek over kunnen schrijven, ja. Het is een wereld die helemaal weg is hoor, opgelost. Goddank!
Ik vind de combinatie seksualiteit en liefde heel erg moeilijk, en kunstmatig. Ik begrijp wel waarom godsdiensten en maatschappijen liefde aan seksualiteit koppelen, waarom ze de liefde daartoe zelfs uitvinden. Ik heb seksualiteit nooit beschouwd als een vriendelijke meneer die je op gewenste momenten zacht op de schouder klopt. Het is een lastpak die je op de meest ongewenste momenten komt storen, en dan druk ik het wel erg vriendelijk uit. De liefde is gewoon een fake uitvinding, een fake woord, net als religie: je kunt er wel betekenis aan hechten, maar welbeschouwd betekent het niks. Nee, wat liefde echt is weet ik niet, behalve een soort seksualiteit met sokken aan.’
Ook de vriendschap moet er in recente teksten van je aan geloven: in ‘Demonen’ krijgen onder anderen Hans Warren en Boudewijn Büch postuum de volle laag.
‘Ik heb soms lange vriendschappen gekoesterd, die vrienden hebben daarover hun zegje gedaan, ik heb mijn mond gehouden, ze zijn doodgegaan, ik heb mijn mond gehouden, maar nu deed zich de kans voor om eens te zeggen hoe ik die vriendschappen zag. Ik ben daar vrij eerlijk in geweest. Ik moet toegeven dat ik heel hoge eisen aan de vriendschap stel, en er ook heel lang over heb gedaan om iets van mijn desillusie prijs te geven.
Vijanden maken is geen kunst, met al die lange tenen en gevoeligheden in Nederland. Maar een mens heeft natuurlijk wel graag vijanden van niveau. Aan de meeste vijanden valt geen eer te behalen. Het Is allemaal een beetje slapte en angst: meestal zijn je vijanden gewoon je vrienden die wat in de war zijn. Ook aan je vijand mag je eisen stellen: wat dat betreft is het maken van vijanden ook moeilijk. Mijn vijanden zijn eigenlijk alleen maar mensen die ik vervelend vind. Ik heb zelf geen vijanden, ik bén de vijand.
Ik ben natuurlijk geen echte misantroop. Een misantroop is iemand die neerkijkt op de mensen, die zichzelf een uitzondering vindt. Ik weet niet beter dan dat ik gewoon een van die mensen ben. Mijn misantropie sluit mezelf in. Dat is de Duitse Selbsthass. En als ik mezelf haat, dan moet die haat wel iets creatiefs zijn, anders zit je in een doodlopende straat. De ware zelfhater moet zichzelf om zeep helpen. Als je je voortdurend presenteert als iemand die ontevreden is met zichzelf, toon je toch je achilleshiel, waardoor mensen kunnen beginnen te wroeten en je pijn doen. Daar moet je je toch tegen wapenen. Maar waar de grens ligt tot de zelfdestructie, dat weet ik niet precies hoor.’
Haat moet wat opleveren, zeg je. Door er literatuur van te maken?
‘Natuurlijk, ik zit hier niet als burgemeester van Vlodrop, maar als schrijver. Mensen die het zonnetje in huis zijn, het de hele dag met elkaar eens zijn, boekjes schrijven die de lezers in slaap wiegen en de critici o zo blij maken, daar is de literatuur niet voor. Literatuur is er om voortdurend zelf te ontsporen en anderen te laten ontsporen. Het is vanaf mijn vroegste jeugd toch een drijfveer geweest tegen de mensen te roepen: “Als jullie mij niet moeten, dan zal ik jullie eens wat vertellen, ik moet jullie ook helemaal niet!— Een soort pre -emptive strike. Ik hou niet van schelden, maar ik heb het nodig, als een soort zelfreiniging. Af en toe wordt het me te veel, dan zitten de mensen me te dicht op mijn nek. Mensen lullen ontzettend veel, ook al weten ze bijna van niks, het is on-voor-stel-baar hoe weinig mensen weten, maar ze hebben overal een prachtige mening over. Of ze hebben meningen over mij. En dan wordt het je soms te machtig, en denk je, nu ben ik aan de beurt, en leg je eens uit wat je vindt van die en die. Omdat je die stinkende adem in je nek kwijt moet.’
De hoofdfiguur in ‘Hercules’ toont hoe het ook kan: niet reageren, gewoon niet thuisgeven.
‘Polemiek, liefde en haat, voor dat alles moet je minstens met twee zijn, ja. Als je doet alsof je er niet bent, houdt het op. Liefde en haat worden dan belachelijke begrippen. Het is een heel aantrekkelijke gedachte op die manier aan elke dialoog, aan het leven te ontsnappen. Ik wou dat ik een ficus was, ja, maar wel in een heel drukke tent, hoor.
Ik zie je denken dat je hier tegenover iemand aan tafel zit wiens leven aan een zijden draadje hangt, en die volkomen in de war is. Het aantal tegenstrijdigheden breidt zich zo uit, het aantal verwijten of vermoedens die over me geuit worden sporen zo weinig met mijn oorspronkelijke bedoelingen en de inzet en de eenvoud waarmee ik de literatuur ooit ben binnengetreden dat van lieverlede mijn hele leven een puinhoop is geworden. Zolang ik leef ben ik de kluts kwijt, ik ben nooit iemand geweest die dingen zeker wist. En mijn zoektocht heeft niet veel opgeleverd behalve de drift om voort te gaan met zoeken. Ik heb in mijn leven veel filosofen gelezen, en onder ons gezegd en gezwegen: die raken ook in de war als hun vriendin er vandoor gaat. Je probeert als schrijver zo onsystematisch en onfilosofisch mogelijk te zijn, en toch een zekere vorm van helderheid te bereiken, al is het niet meer dan de helderheid van het moment.’
In twee van je boeken heb je aan de hand van trefwoorden je zielenleven uitgekamd. Thema’s die terugkeren: liefde en haat, ambitie, irritatie, hallucinatie, vriendenverraad en onrust.
‘Ja, dat is mijn zelfportret. Een ambitieuze, hallucinerende imitator die door vriendenverraad zeer onrustig wordt. Onrust: gebrek aan haven, ja, aan thuiskomen. Maar zelfs het woord gebrek vind ik al gebrekkig, want ik zie dat niet alleen als negatief. Het is een noodzakelijke havenloosheid die mij onrustig maakt. Ik sta pas aan het begin van een speurtocht naar mezelf, ik snap er helemaal niets van. Je begint te schrijven, na twee boeken gaan die boeken – volgens de kritiek althans – een gesprek met elkaar aan, na drie boeken heb je een oeuvre, na tien boeken heb je ook nog wat te zeggen, na vijftien boeken informeren de mensen geïnteresseerd naar wat je te zeggen hebt en geloven ze je ook nog op je woord. Na twintig boeken komen ze je zelfs vragen wat je vindt over God, het Oranjehuis en de hele literatuur. En dan uiteindelijk ben je een dood gewicht dat nauwelijks de tijd heeft gehad om zich af te vragen waarom hij in godsnaam aan dat eerste boek is begonnen. Dat gevoel heb ik nu, maar dat komt omdat het zaterdagmiddag is en donker.’







Pingback: Gerrit Komrij [1944 &@8211; 2012] ii « net eamelje