Het dierlijke mensenleven
door Daan Heerma van Voss
J.M. Coetzee hield onlangs de openingsspeech van de conferentie Minding Animals. Diezelfde dag werd zijn vertaalde briefwisseling met Paul Auster gepresenteerd.
In de Utrechtse domkerk zat ik naast Coetzee (op de posters opmerkelijk genoeg ‘Coutzee’ genoemd) en kon ik hem helemaal in mij opnemen: zwarte sokken, nette zwarte schoenen met ronde punten. Zijn witte overhemd, zonder das, had een knoopje open. Hij zag eruit als iemand die zich niet helemaal verzoend heeft met het idee van nette kleren, maar toch nooit zou kunnen doorgaan voor een arbeider. Iemand die hetzelfde pak gebruikt voor feestrecepties als voor begrafenissen.
Op zijn schoot lag een bruine envelop met zijn lezing erin, die hij met beide handen vasthield. Toen hij in gesprek raakte met zijn uitgever, keek hij verstild naar een vrouw in een rode jurk: alsof hij naar een vergezicht staarde, iets wat niet tot zijn leven behoorde.
De lezing bestond uit een verhaal met Elizabeth Costello, Coetzees literaire alter ego, in de hoofdrol. Hij kondigde het aan als een ‘Lehrstuck’ over ‘nonhuman animals’. Coetzee spreekt beschaafd Engels, al trilt er nog wat Afrikaans in mee. Het verhaal: Elizabeth Costello heeft zich teruggetrokken in een onherbergzaam deel van Spanje, alleen met vluchteling Pablo en een grote groep verwilderde katten. Het woord ‘ziel’ viel verschillende malen in het verhaal.
Dieren, zo stelt Costello, hebben in tegenstelling tot mensen noch een gezicht noch een karakter. Wat ‘wij’ met ‘hen’ gemeen hebben, is de ziel: de vonk die hen in leven houdt. Het verhaal: op een dag ziet Costello een van de wilde katten op de grond liggen. Te midden van het vuil probeert het dier te baren. Costello wil het helpen, maar het blaast en stribbelt tegen. Vanaf dat moment, waarop haar redelijkheid het verliest van de herkenning van een moeder in nood, een moeder zoals zij, vangt ze vluchtelingen op. Hierin maakt ze geen onderscheid tussen mens en dier. Coetzee sprak zijn laatste zin, en kwam vanachter de kansel vandaan, onder een langdurig applaus.
Bizarre vragen
Geëngageerde literatuur kan onder het grote publiek vaak op waardering rekenen, maar leidt onder literatoren dikwijls tot argwaan. In het geval van Coetzee stelt men zich de vraag: staat het nadrukkelijke dierenengagement van de strenge vegetariër Coetzee zijn literatuur niet in de weg? Anders geformuleerd: is het niet zonde dat zo’n grote schrijver zijn tijd gebruikt om over katten en honden te schrijven?
Bizarre vragen, zo zag ik in, toen ik de man in deze grootse, uitverkochte kerk zijn verhaal zag doen: sereen en serieus. Wat hij vertelde, ging hem aan het hart. Hij sprak niet over dieren, maar over mensen. Dierenengagement, zowel het opkomen voor dierenrechten als het gebruik van dierensymboliek, is voor Coetzee juist de belangrijkste methode om geëngageerd te zijn met mensen, met zijn eigen psyche, met de menselijke conditie.
Het is een deel van zijn literatuur, van zijn literaire overtuiging, een kernonderdeel van zijn schrijven. Zonder dierlijkheid, lijkt Coetzee te willen zeggen, geen menselijkheid, of althans geen idee van wat die menselijkheid zou moeten voorstellen.Bovendien dienen zijn filosofische argumenten tegen het eten van vlees, tegen een onmenselijke behandeling van dieren altijd een literair doel. Dat is wat een roman onderscheidt van een morele aanklacht: meerduidigheid. Coetzee verwijten dat hij met zijn dierenengagement zijn literatuur tekort doet, is alsof je Newton verwijt dat hij zich te veel met vallende vruchten bezighield, en te weinig met natuurkunde.
Nee, Coetzee gebruikt geen literaire middelen simpelweg om het dierenleed onder de aandacht te brengen – zo modieus is hij niet. Zijn visie op dierenleed is onderdeel van een veel groter idee over wie wij zijn, of beogen te zijn. Het nauwelijks definieerbare begrip ‘menselijkheid’ is de inzet van het leeuwendeel van Coetzees werk, en wordt hierin vaak gecontrasteerd met primitiviteit en dierlijkheid. Hoe behouden mensen levend onder barre of vernederende omstandigheden hun menselijkheid? Hoe is het complexe wezen dat de mens is in verband te brengen met de vele irrationele, dierlijke krachten die in het leven een rol spelen: angst, lust, gevoelens van schande?
Nog afgezien van de verschijning van dieren in zijn boeken (vaak honden, zie Disgrace, in het Nederlands uitgebracht onder de titel In ongenade), heeft Coetzee een heel boek gewijd aan het al dan niet misdadige karakter van de bio-industrie, en de morele noodzaak tot vegetarisme: The Lives of Animals (2001, in het Nederlands verschenen onder de titel Dierenleven). Coetzee zou zichzelf niet zijn als hij de discussie niet op een literair ingekapselde manier zou voeren. Hij schrijft niet over zichzelf die twee lezingen komt geven op een universiteit (na een werkelijke uitnodiging van Princeton in 1998), maar, wederom, over Elizabeth Costello. Wat Costello drijft tot haar keuze van het onderwerp dieren? Niets minder dan ‘het verlangen om haar ziel te redden’.
Gesloten harten
Costello’s betoog is er een van empathie: het menselijk vermogen om zich in te leven, en zo tijdelijk het leven van een ander wezen te delen, is een voorwaarde voor een waardig menselijk leven. Costello’s grootste argument hiervoor is literair, verwijzend naar James Joyces personage Marion Bloom: ‘Als ik me kan inleven in het bestaan van een wezen dat nooit heeft bestaan, dan kan ik me inleven in het bestaan van een vleermuis of een chimpansee, of een oester, elk wezen waarmee ik het substraat van het leven gemeen heb.’Maar dat vermogen, dat volgens Costello meer is dan een vermogen – een humanitaire plicht – hebben wij veronachtzaamd. We hebben, en dat is onze grootste misdaad, onze zonde, ‘onze harten gesloten’.
Een uitermate sentimentele uitspraak, die moeilijk valt bij het academische publiek, temeer daar Costello de retorische misser begaat van een vergelijking met de Tweede Wereld oorlog: ‘Laat ik het hardop zeggen: we zijn omgeven door een onderneming in vernedering, wreedheid en moord, die alles waartoe het Derde Rijk in staat was evenaart, sterker nog, nietig doet lijken, in die zin dat onze onderneming er een zonder einde is, zichzelf regenereert, onophoudelijk konijnen, ratten, kippen, vee ter wereld brengt met het doel ze te vermoorden.’
Waarop de (eveneens fictieve) Joodse collega-academicus Abraham Stern reageert met: ‘Als Joden als vee werden behandeld, wil dat niet zeggen dat vee als Joden wordt behandeld. De omkering is een belediging aan de nagedachtenis van de doden.’Waarom doet Coetzee dit? Waarom schuift hij een personage naar voren dat dergelijke pijnlijke missers maakt, die mens en dier op zulke gruwelijke manieren verbindt, die haar betoog bovendien laat draaien om een semireligieuze vooronderstelling? Omdat, natuurlijk, dit de manier is om zo veel mogelijk schrijnende kwesties tegelijk te openbaren zonder tijd te verdoen met vragen naar waarom Coetzee zelf geen hamburgers eet, wanneer hij voor het laatst een kippendijtje heeft gegeten, en of hij zijn argumenten werkelijk (dat wil zeggen: ook in privésfeer) meent. Om het debat te maken tot meer dan een persoonlijke twist om eetgewoonten en het Morele Gelijk, namelijk een literair-existentieel debat, over welke wreedheden wij ons kunnen permitteren, zowel retorisch als fysiek, en wat onze menselijkheid inhoudt.
Warmteloos
Naast The Lives of Animals is er het hoge aantal dierenmetaforen in Coetzees boeken. Het is een stijlmiddel dat wanneer door Coetzee aangewend zo krachtig is, dat het woord ‘dierenmetafoor’ ontstellend lullig overkomt. Ook wanneer hij zijn eigen voorkomen of karakter beschrijft, gebruikt hij zulke metaforen graag. Zoals bekend legt Coetzee er eer in zichzelf als koud en afstandelijk te typeren. De keuze voor welk archetypische dier hem het best karakteriseert, komt hiermee overeen. In Zomertijd (2009), zijn meest onbarmhartige zelfportret, wordt de lezer uitgenodigd aan de hand van notities van de schrijver zelf, en van fictieve interviews met vijf vrouwen uit het leven van (de in het boek overleden) Coetzee, een beeld van de schrijver te construeren. Julia beschrijft hem als een kikker: ‘Hij was geen prins maar een kikker. Omdat hij niet menselijk was, niet volledig menselijk.’ Sophie: ‘Hij was van nature heel erg behoedzaam, heel erg als een schildpad. Wanneer hij gevaar voelde, trok hij zich terug in zijn schild.’ Margot noemt hem een eunuch, ‘iemand die onverschillig staat tegenover mannelijke dwaasheid’, tegenover dierlijke lust. Iemand die ‘warmteloos’ is, en ‘seksloos’. Adriana: ‘Hij miste een eigenschap die een vrouw zoekt bij een man, namelijk kracht, mannelijkheid.’
Kil, afstandelijk, koudbloedig en week. Dat is het beeld dat Coetzee van zichzelf schetst. Iemand die niet voldoet aan de sociale normen omdat hij een belangrijk element mist: irrationaliteit, roekeloosheid, dierlijkheid. Iemand die ongeschikt is voor een werkelijk intieme band met een ander. Een band zoals vriendschap.
Papieren intimiteit
De premisse van het brievenboek met Paul Auster, dat overigens in zijn Nederlandse editie de wereldpremière kent, is helder: twee niet bevriende schrijvers verleiden elkaar tot een papieren vriendschap. Hoewel de twee schrijvers al sinds 2005 contact met elkaar hadden, ontmoetten ze elkaar in 2008 voor het eerst. Niet lang na Austers terugkeer in New York ontving hij een brief van J.M. Coetzee: ‘Ik heb een voorstel dat je misschien zal interesseren, of misschien ook niet. Zou je iets gezamenlijks willen doen dat wat meer om het lijf heeft dan onze bijdragen aan de Beckett-editie? Ik heb nooit eerder met iemand samengewerkt… maar met jou lijkt het me leuk en misschien kunnen we zelfs, als God het wil, vonken op elkaar laten overslaan. […] Het lijkt me één manier om een vriendschap gestalte te geven wanneer je door afstand gescheiden bent.’ Auster stelde daarop voor om geen enkel onderwerp te schuwen en te schrijven over wat hen werkelijk interesseerde. ‘Eigenlijk,’ schrijft Auster, ‘het soort gesprekken dat we zouden voeren als we toevallig in dezelfde stad hadden gewoond.’
De brieven beslaan een periode van drie jaar, en zijn met tussenpozen van afwisselend weken en maanden geschreven, in het New York van Auster en het Australië van Coetzee.Brieven schrijven is uiteraard niet zomaar een manier om een langeafstandsvriendschap te onderhouden, zoals Coetzee met zijn formulering (‘één manier’) suggereert, het is de enige manier voor een schuw wezen als J.M. Coetzee. Het boek is daarom een interessante oefening in intimiteit, vooral voor Coetzee, een persoon die intimiteit een moeilijk, maar ontegenzeggelijk interessant goed vindt. Het is veelzeggend dat hij degene is die Auster verleidde, en niet andersom.
Provocerend
Wanneer je het boek leest, valt ten eerste op dat Coetzee aanzienlijk zuiniger is met woorden dan zijn briefvriend, zeker met al te complimenteuze woorden. Coetzee blijft altijd op zijn hoede. Bijvoorbeeld wanneer hij schrijft dat hij al jarenlang hooguit vier uur per nacht slaapt, waardoor hij overdag regelmatig ‘knikkebolt’: ‘kleine vluchten uit de wereld die gewoonlijk niet langer dan een paar seconden duren, maar zich soms uitstrekken tot vijf of zelfs tien minuten.’ Auster: ‘Ik wil mijn neus niet in je privézaken stoppen, maar wat je schrijft over je slaappatroon baart me zorgen.’ Austers vrouw, schrijfster Siri Hustvedt, inmiddels ook gesteld geraakt op Coetzee, is van plan enkele slaaptips naar Australië te sturen. Coetzee: ‘Dank voor je aardige zorgen over mijn slapeloosheid. Ik aarzel om je toestemming te geven Siri te vragen om te schrijven, niet omdat ik niet geloof dat ze over gespecialiseerde kennis beschikt, maar omdat ik het gevoel heb dat ik niet te helpen ben.’
Maar afstandelijk en kil, zoals hij zichzelf graag beschrijft in zijn boeken, is hij niet.De onderwerpen lopen inderdaad uiteen: Kafka, incest, vegetarisme, sport, heroïek, de kracht van literatuur, ‘dierlijke eetlust’. Als je kritiek op het boek kunt hebben, is het juist dat: vaak wanneer een onderwerp doorgrond lijkt te gaan worden, springen de twee naar een ander onderwerp. Ten voorbeeld een opmerking van Coetzee als: ‘Er is onvoldoende aandacht besteed, naar mijn mening, aan de rol die de leer van de veeteelt heeft gespeeld in het ontstaan van seksuele en raciale taboes – een leer, ontwikkeld in de loop van honderden generaties veefokkers, die dicteerde welke soorten met welke andere soorten mochten paren en welke mate van afstand er binnen een bepaalde stamboom in acht genomen moest worden.’ De koppeling van seksualiteit aan veeteeltprotocollen is provocerend, en veelzeggend voor het denken van Coetzee. Maar Auster reageert met een tamelijk vrijblijvende leeservaring, en vergeet de journalistieke vragen te stellen waar de lezer behoefte aan heeft – inderdaad, omdat hij geen journalist is, maar een vriend.
Permanente jetlag
Op het Spui stond een rij van zo’n twintig meter. Toen Coetzee aankwam, schoven de mensen opzij. Hij knikte wat in het rond, en sloop naar binnen. Zijn charisma bestaat uit de afwezigheid ervan: mensen worden ongemakkelijk van het feit dat hij er is, dat hij zo onopvallend gekleed gaat (een niet-modieus, groen overhemd), dat de meesten hem niet zouden herkennen als hij zonder iets te zeggen in de rij zou gaan staan. Een paar keer keek hij ongeduldig naar buiten, of in het gezicht van een stamelende handtekeningenjager. Maar meestal was hij voorkomend, vriendelijk en bescheiden. Het in folie verpakte broodje dat voor hem was besteld, bleef onaangeroerd. Zelfs toen een vrouw de op de signeertafel staande bloemenvaas omstootte, reageerde hij hoffelijk. Toen ik aan de beurt was, keek hij me diep aan, met enigszins rode ogen. Zijn baard leek een uitvloeisel van zijn bleke huid. Auster kent hem een permanente jetlag toe, en ik zag nu de contouren. Coetzee had een glimlach in zich, een kleine. Het is een man die zichzelf dingen toestaat, zo lang deze dingen maar klein zijn. Het is een mens om wie je je direct zou willen bekommeren, juist omdat hij daar geen behoefte aan heeft.
In de voorlaatste brief van Coetzee aan Auster, op het moment dat je het niet meer verwacht, op het moment dat Coetzee het zelf niet meer lijkt te verwachten, getuige zijn losse manier van formuleren, vind je een kernzin: ‘Ik betwijfel zelfs of dieren denken dat ze een lichaam “hebben”. Zij zijn gewoon hun lichaam.’
Het is een kernzin omdat het naast de empathie (hoe zou een dier denken?) die hij Elizabeth Costello laat vertolken, ook een andere kant van Coetzees engagement laat zien: jaloezie. Jaloezie op intimiteit. Intimiteit met het eigen lichaam, intimiteit met anderen, waar het dier in uitblinkt, omdat het hem natuurlijk valt, maar die voor de immer beschouwende Coetzee een onmogelijk goed blijkt. Een goed dat alleen maar in dierlijke termen te beschrijven valt, die hij zich nooit eigen zal kunnen maken.
J.M. Coetzee en Paul Auster, ‘Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011’. Vertaling: Peter Bergsma en Ton Heuvelmans, Cossee en De Arbeiderspers, 240 p., € 21,90

