Het koude oog van Gore Vidal (1925-2012)
door Carel Peeters
Gore Vidal maakte het essay in Amerika tot publiek genre, schreef drieëntwintig romans en joeg met zijn onafhankelijke geest voortdurend mensen op de kast.
Gore Vidals leven was een literaire en intellectuele schandaalkroniek. Never a dull moment, zelfs niet in het afgelegen, in de rotsen wit oplichtende zwaluwnest in Ravello aan de Amalfikust waar hij vanaf 1960 meestal woonde. Iedereen wist het te vinden, tot en met Hillary Clinton in 1994. Een symbolische locatie: hier kon hij zich terugtrekken om de historische romans te schrijven, zijn deadly wisecracks te testen en zijn snijdende satires op de Amerikaanse politiek te componeren.
Vidals schandaalkroniek begon in 1948, op zijn drieëntwintigste, met de publicatie van de roman The City and the Pillar, waarin hij onverbloemd over homoseksualiteit schreef. The New York Times kondigde meteen aan zijn romans voortaan niet meer te bespreken. Om dat lot te omzeilen, ging hij onder het pseudoniem Edgar Box schrijven. Daarna kwam zijn openbare ruzie met Truman Capote die hij een ‘dwangmatige leugenaar’ noemde (‘The instant lie was Truman’s art form’). Toen Capote overleed, zei Vidal dat hij daarmee ‘een wijze wending in zijn carrière’ had gemaakt.
Even langdurig was Vidals vete met Norman Mailer. Toen die hem op een feest een vuistslag gaf, merkte Vidal op dat Norman ‘andermaal de woorden niet wist te vinden’. In 1968 begon de slepende animositeit tussen Vidal en de conservatieve Amerikaanse politicus en commentator William F. Buckley. In een discussie op tv noemde Buckley demonstranten tegen de Vietnam-oorlog ‘pro-Nazi protesters’. Vidals reactie was dat hij bij een ‘pro-crypto-Nazi’ vooral aan Buck ley moest denken. Waarop Buckley hem toebeet: ‘You queer. Stop calling me a crypto-Nazi.’
De volgende affaire was zijn ingewikkelde sympathie voor Timothy McVeigh, de man die in Oklahoma een gebouw opblies waarbij 168 doden vielen. Vidal ging met hem corresponderen omdat McVeigh had verklaard dat zijn daad een antwoord was op de aanval van de FBI in 1995 op de sekte van de Branch Davidians in Waco, Texas. Daar vielen 76 doden. Vidal had liever gezien dat McVeigh ’s nachts, als er niemand in het gebouw was, het J. Edgar Hoover Building van de FBI in Washington had opgeblazen. (zie ook het VN-interview met Gore Vidal uit 2001)
Vidal was zo’n laconiek-onafhankelijke en scherpzinnige figuur dat er zich aan de lopende band iets voordeed waardoor mensen op de kast werden gejaagd. Hij kwam steeds weer met visies op politieke kwesties waarop niemand had gerekend. Was de Koude Oorlog in de jaren veertig niet uitgelokt door de Amerika nen? De moordaanslag op John F. Kennedy in 1963 was wat hem betreft opgelost, want hij wist wie erachter zat, hij gaf naam en toenaam. Wisten de Amerikanen nog wel dat ze een Bill of Rights hadden nu het land in een politiestaat aan het veranderen was? De sweeping statements vloeiden Vidal vooral uit de pen als het om Amerika ging. Hij was een Amerikaan die behoorde tot de school van de Democraat Jefferson, niet tot de Republikein Hamilton. Democratie, een zekere gelijkheid, grondig onderwijs en individuele vrijheid, daar ging het hem om. Het elke vier jaar kiezen van een president moest gebeuren, maar meer dan een ritueel met veel spektakel moest je er niet in zien. Amerikanen zijn onwetend en worden elk jaar onwetender. Hij schreef een boek met de titel Reflections on the United States of Amnesia: Amerikanen hebben geen geheugen en weten niets van geschiedenis, betoogde hij. De Amerikanen weten ook niets van economie. Zeventig procent van de Amerikanen weten hun eigen land niet op de landkaart te vinden. Te weinig Amerikanen kunnen The New York Times lezen zonder hun lippen te bewegen. Ze hebben het slechtste onderwijssysteem van de wereld. Gewone Amerikanen genieten geen niet goede onderwijs, omdat dat te duur is. Vidal noemde zichzelf ‘the master of the obvious’, want iedereen kon deze zaken opmerken, als ze het maar wilden zien.
Gore Vidal noemde zich een ‘isolationist’ omdat hij af wilde van het Amerika dat zich gedraagt als een ‘empire’, een rijk dat zich verder uitstrekt dan het eigen gebied. ‘Wanneer gaan wij eens beseffen dat wij niet de politieman van de wereld zijn?’ vroeg hij zich af. ‘Het is tijd om het idee dat we een imperium zijn op te bergen.’ De buitenlandse politiek draaide volgens Vidal vooral om olie. ‘Een wereld veilig voor pijpleidingen,’ dat was de eigenlijke boodschap van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Vidal schudde de getallen uit zijn mouw: sinds 1949 had Amerika tienduizend miljard dollar aan oorlogsvoering uitgegeven.
Voor onwetenden en aanstellers was Vidal een gesel. Wanneer het anti-intellectualisme ook onder schrijvers ging postvatten, zoals in het geval van Truman Capote, strafte hij het af. ‘Thank God we’re not intellectuals!’ kraaide Capote eens. ‘Speak for yourself,’ antwoordde Vidal.
Het optreden van de publieke intellectueel Vidal zou bijna het zicht ontnemen op de schrijver van meer dan 20 romans, 10 essaybundels, vele scenario’s voor film en televisiedrama, en zijn memoires Palimpsest en Point to Point Navigation. Vidal wilde Amerika een levende geschiedenis geven, vandaar dat hij historische romans schreef als Lincoln, Washing ton, D.C., Empire en 1876. Die werden vaak bestsellers, maar nooit erg lang. Om het daar uit te houden, was zijn historische fictie te sophisticated. Vidal romantiseerde niet. Hij maakte het niet spectaculairder dan het was, en hield zich zo veel mogelijk aan de historische feiten. In Julian, een briljante roman over de afvallige Romeinse keizer Julia nus, moet men zich verplaatsen naar de vierde eeuw na Christus, de tijd dat het christendom zich breed ging maken. Julianus, de neef van Con stan tijn die dat christendom zo goed gezind was, wilde de invloed van het christendom terugdringen om het normale, niet door enig geloof gestuurde denken weer ruimte te geven. Vidal weet de figuur van Julianus zo tot leven te brengen dat hij meer wordt dan een ver historisch personage. Omdat hij jong stierf, duurde Julia nus’ pogingen slechts enkele jaren, maar de herinnering aan dit heidense intermezzo weet Vidal met verve op te roepen. Julianus was wel een verliezer, maar, zoals altijd met verliezers bij Vidal, krijgt hij het volle pond aan allure.
Niet minder ambitieus, en een voorbeeld van hoe Vidal zich wist af te wenden van de actualiteit voor het schrijven van een roman die zich afspeelt in een volstrekt andere tijd, is de roman Creation uit 1981, bijna een roman Jorge Luis Borges waardig. Vidal brengt daarin vier beschavingen aan het einde van de zesde eeuw voor Christus op een geloofwaardige manier bij elkaar. Het Perzische Rijk, het Indiase Ko nink rijk, het confuciaanse China en het Athene van Pericles bereikten toen hun hoogtepunt. Ver tel ler is de kleinzoon van Zoroaster, Cyrus Spita ma. Hij is getuige en de vertolker van een ingrijpende mutatie in de beschaving: het afscheid van het mythische denken. De mensheid groeit uit zijn infantiele verbeelding. Boeddha en Confucius worden gezien als de eerste atheïsten en Democritus, de ontdekker van het atoom, is de eerste materialist, iemand die de aarde als bron van kennis opvatte en niet de fabeltjes van het geloof. Vidal gedraagt zich als romancier als een alleskunner wanneer hij in Creation ook nog als satiricus en criticus van zijn eigen bronnen optreedt. Hij laat Cyrus de betrouwbaarheid van historische overleveringen testen, die van de historicus Herodotus in het bijzonder. Die blijkt een partijdige propagandist van de Perzische Oor lo gen. Zelf gaat Cyrus niet vrijuit als hij de ‘autobiografie’ van Xerxes gaat schrijven.
Was Vidal een beter essayist dan romanschrijver? Er is geen Amerikaanse schrijver die naast 23 romans zo veel essays heeft geschreven. Hij heeft het essay in Amerika tot een publiek genre gemaakt, geholpen door The New York Review of Books en The Nation, waarin hij ze publiceerde. Er gebeurde iets in zijn essays. Dat had ook te maken met de soort essayisten waarbij hij zichzelf thuisvoelde en die hij als voorbeeld nam. Zoals Montaigne, natuurlijk, maar Vidal heeft deze ook losgelaten om er zijn eigen accent aan toe te voegen, vooral in politiek opzicht. Het Vidal-accent is de afwisseling en kruisbestuiving van fact and fiction, van politiek en literatuur, zoals in boeken als Matters of Fact and Fiction of Pink Triangle and Yellow Star.
Gore Vidal behoort tot de ‘deadly wits’ van de literatuur: essayisten en polemisten met een scherpe pen en een scherpe tong, een recalcitrante onafhankelijkheid en een extraverte instelling. Je ziet zijn geestverwanten in zijn essays opduiken: Jonathan Swift, schrijver van Gulliver’s Travels; Voltaire, van het groteske Candide; Thomas Love Peacock, van flitsende ideeënromans in het begin van de negentiende eeuw; William Hazlitt, de Engelse moderne opvolger van Montaigne; Mark Twain, satiricus en schrijver van Huckleberry Finn. De ongenaakbare journalist H.L. Mencken ontbreekt niet, evenmin als Oscar Wilde en Edmund Wilson.
Vidal lardeert gaandeweg zijn essays met herinneringen en persoonlijke ervaringen, zoals in het fameuze stuk uit The New York Review of Books van februari 1976 over zijn vriend Tennessee Williams: ‘Some Memories of the Glorious Bird and an Earlier Self’. Dat vroegere zelf van Vidal is bepalend geweest voor de rest van zijn leven: de Vidal uit 1948 toen hij, 23 jaar oud, zijn roman The City and the Pillar publiceerde. Die roman heeft zijn vroegere zelf als inspiratiebron, zoals hij was en wat hij meemaakte van zijn dertiende tot zijn zeventiende. Toen Vidal later zei dat hij koud van buiten en koud van binnen was (‘I’m exactly as I appear. Beneath my cold exterior, once you break the ice, you find cold water’), kon hij dat alleen maar zeggen omdat hij ooit, in zijn jeugd, warm van binnen was. Daar na kreeg hij het koude oog van de satiricus.
Over dat vroegere zelf vertelt hij in het derde hoofdstuk van zijn memoir Palimpsest: ‘The Desire and the Successful Pursuit of the Whole’. Dit is het verhaal over Jimmie Trimble, de jongen met wie hij op zijn dertiende bevriend raakte en die hij beschouwde als de ontbrekende helft van hemzelf. Het bestaan van Jimmie bevestigde voor Vidal het verhaal van Aristofanes over het ontstaan van de liefde in Plato’s Symposion, waarin door Zeus doormidden gesneden mensen op zoek gaan naar hun wederhelft. Ze willen verenigd worden. Vidal had zijn andere helft met Jimmie gevonden, een jongen die heel anders was dan hij, maar juist daarom. Jimmie was een atleet, een lezer die alles las wat los en vast zat en van jazz hield. Vidal leidde even het leventje van een prins in het huis van zijn grootvader, de senator in Washington, bij Jimmie ging het er eenvoudiger toe. Dit duurde tot zijn moeder scheidde van zijn vader en hij naar verschillende scholen werd gestuurd, zo ver mogelijk van haar vandaan. Jimmie en hij zijn een tijd onafscheidelijk en ‘inwisselbaar’. ‘Hij rook naar honing, zoals Alexander de Grote.’ De seks die ze hebben, is even vanzelfsprekend als opwindend. Het veroorzaakt een overweldigend gevoel ‘een geheel’ te zijn. Wanneer ze allebei naar een andere school moeten, zien ze elkaar meer dan een jaar niet. Wanneer ze elkaar weer zien, is het als vanouds. Het één geheel vormen met Jimmie werd daarna verstoord omdat ze allebei na de middelbare school in militaire dienst gingen. Ze kwamen beiden in actie in de oorlog, Vidal op een boot, Jimmie op Guam. Daar werd hij in 1945 tijdens een gevecht met de Japanners dodelijk getroffen. Vidal was daarna ‘een overlevende van wat een geheel was geweest’. De vriendschap met Jimmie bezorgde hem emotioneel zelfvertrouwen: het geheel bestond.
Deze werkelijkheid ligt aan de basis van de roman The City and the Pillar, die ook aan Jimmie Trimble is opgedragen. De roman is minder idyllisch dan de werkelijkheid. Jimmie had na het jaar dat ze elkaar niet zagen een meisje, maar dat was geen belemmering voor hun vriendschap. In de roman leiden meisjes juist tot problemen. De roman maakt van de hoofdpersoon Jim Willard een aantrekkelijke, atletische figuur, waardoor homoseksualiteit iets aantrekkelijks kreeg. Homo seksualiteit is hier geen maatschappelijk, maar psychologisch probleem, van dezelfde orde als in heteroseksuele liefde. Juist de vanzelfsprekendheid waarmee Vidal over homoseksualiteit schreef, maakte de roman in 1948 tot een schandaal. Vidal werd er in één klap bekend mee.
Het valt niet te ontkennen dat Vidals scherpe tong en pen de laatste jaren mandarijnentrekjes kregen. Hij werd erg tevreden met eigen sharp wit. Maar hij raakte niet blasé. Hij bleef verguld met lof van de juiste mensen. Zijn hart sprong op toen hij op de achterkant van de Nederlandse vertaling van Julian lovende woorden over het boek aantrof van een schrijver die hij altijd al bewonderde: Henry de Montherlant






