‘Ik voel dat ik 
politiek activist zou kunnen worden’

door

Gerrit Komrij schreef een roman over het verraad van links. ‘Elke morgen sta ik op, kijk naar buiten en zie tot mijn verbazing dat de massa’s niet op straat gekomen zijn.’

Straks als de mist optrekt zitten we in deze werkkamer op de voorste rij om Portugals hoogste bergen te aanschouwen, de Serra da Estrela. Het dorp achter ons heet Vila Pouca da Beira, de schrijver kent er naar eigen zeggen de zwaluwen van gezicht. Niemands dorp noemt hij het wel eens. Dankzij antenne en kabel bewoont hij met Charles Hofman een Nederlandse enclave.

Foto: Dana Lixenberg

Hij geeft me een print van een krantenbericht dat in licht gewijzigde vorm als addendum in zijn nieuwe roman De loopjongen is opgenomen. Zo wonderlijk kunnen de surfwegen zijn dat Komrijs oog, laat op een decemberavond van 2007, bleef hangen bij dít artikel: ‘Nederlandse 007 zette Mao voor gek’. Een roman kan óveral beginnen.‘Operatie Mongool’, daar ging het bericht over. Het komt erop neer dat de hoogste kringen in verre communistische landen zich decennialang lieten rollen door een spion van de Nederlandse veiligheidsdienst BVD. De man had een neppartij opgericht, de Marxistisch-Leninistische Partij Nederland, die hij door China liet financieren en die hem zelf tot in de hoogste regionen van het rode rijk bracht – aan tafel met Mao, Zhou Enlai, of in Albanië met Enver Hoxha. Tot na de Val van de Muur in ’89 werd volgehouden dat het hier om een gespierd partijtje van vier- tot vijfhonderd fervente maoïsten ging, terwijl de aanhang in feite tot zo’n 25 werknemers van de veiligheidsdienst beperkt bleef. ‘En dan waren er nog zo’n vijftien echte leden,’ zo werd de opperspion geciteerd, ‘die stom genoeg waren zich bij ons te voegen.’

Eén zo’n stommerik werd in het krantenbericht kort opgevoerd: een voormalig partijlid, nu vorser aan de universiteit, die twaalf jaar lang twintig procent van zijn salaris aan de MLPN (en dus eigenlijk aan de BVD) had afgedragen. Bij díé man bleef het oog van Gerrit Komrij hangen.

‘“Die kén ik!” dacht ik meteen, “da’s mijn oude schoolvriend Paul!” Hij zat in mijn klas in Winterswijk. Wat op scholen zit zijn meestal onbelezen boerenkinkels, dat is nú zo, dat was vroeger zo, maar hém mocht ik, hij was een van de leukere jongens. Vriendelijk, zachtaardig, een beetje vergeestelijkt. Van zijn moeder – ze was net als zijn vader dominee, alleen dat al maakte diepe indruk op me – kreeg ik mijn allereerste boekenkastje. Ik ben één keer bij hen thuis geweest, in de sjiekste straat van het dorp. Ze hadden een gong in de gang, ik geloof dat daar ook wel een echo van op te vangen is mijn boek Verwoest Arcadië. Kijk maar eens, zelf durf ik het niet te herlezen.

‘We gaan naar de ijstijd, alles is taboe’

Je zal wel aannemen dat dit artikel me héél erg intrigeerde. Hoe kon zo’n jongen betrokken geraken bij die maoïstische diehards, toch een soort fundamentalistische terroristen? Of is het niet zó onwaarschijnlijk: een mens wordt toch maar per toeval fatsoenlijk? Op een morgen werd ik wakker met het idee een volkomen fictief verhaal over zo’n jongen te schrijven. En anders dan in dat krantenbericht wou ik ’m intact laten, niet belachelijk maken. Ik heb dus geprobeerd solidair te zijn met iemand die heel ver van me af staat. Dit boek zie ik als een hommage aan de sukkels die erin getrapt zijn. Want zo’n jongen is twéé keer een slachtoffer: van de veiligheidsdiensten die hem gemanipuleerd hebben, maar ook van zijn tijdgenoten die hem verraden hebben, de Paul Rosenmöllers zal ik maar zeggen, die hun idealistische principes ingeruild hebben voor een makkelijke baan of een politieke carrière met chauffeur. Deze Paul heeft hard gewerkt voor hún idealen, en moest nog twintig procent afdragen ook. Ik eis van al die verraders dat ze tachtig procent van hun salaris afstaan! (Blijft boos, maar lacht) En ze moeten het in míjn potje storten!’

Het is niet voor het eerst dat je je linkse generatiegenoten van verraad beschuldigt. Mogen we spreken van een obsessie? 
‘Het is mijn leven geweest, en toch ook het maatschappelijk leven van de laatste vijftig jaar: de gebeurtenissen en idealen van de jaren zestig en de absolute neergang daarvan. Tot vandaag kan je toch niet anders zeggen dan dat die babyboomers een grote rol hebben in de politieke ontwikkelingen in de Lage Landen. Ik was in die jaren zestig nog erg naïef, maar heb toch meteen gemerkt hoe een paar van die geestdrijvers tóén de tent al probeerden over te nemen. Ik zal hun namen niet noemen, omdat ze op televisie nog altijd een grote rol spelen. Ik zag hoe die jongens sekslijnen organiseerden: ze hadden de truc ontdekt om al die nieuwe vrijheden, op erotisch, politiek en bestuurlijk gebied voor zichzelf te gelde te maken. Sommigen waren, zo werd gefluisterd, al miljonair. Ik heb een gruwelijke hekel aan al die slijmballen die de zaak verraden hebben. En dus wilde ik het in dit boek hebben over een jongen die door dit alles helemaal in de knel is geraakt. De mensen die hém besodemieterd hebben gaan nu door voor de goeien en de rechtvaardigen, en dat kan ik niet hebben. En ik wil niet dat een goeie jeugdvriend van me een idioot wordt genoemd! Het is ook een boek over vriendschap.’

Hoe het hem in werkelijkheid sinds zijn maoïstische dagen vergaan is, daar heb je geen idee van? 
‘Nee, ik heb hem de afgelopen veertig jaar nauwelijks nog gezien, waarschijnlijk is ’t helemaal anders gegaan dan ik beschrijf. Ik heb haast niks uit de werkelijkheid overgenomen: alleen dat zijn vader en zijn moeder allebei dominee waren, en dat ze tegenover de technische school woonden. En dat hij later docent gelukstherapie geworden is: mooier kun je het tenslotte niet verzinnen!’

Om zijn personage, Arend, in te kleuren ben je ook bij jezelf te rade gegaan. 
‘Ik vond het toch een beetje onzin dat níét te doen als het om een jongen uit mijn geboortedorp gaat, en om een tijdperk dat ik zelf heb meegemaakt. Ik stond met mijn neus vooraan: in de jaren vijftig was ik op school met hem, in de jaren zestig in Amsterdam was ik getuige van de rebellie die hem bevangen heeft, in de jaren tachtig maakte ik de desintegratie van die wereld mee.Dat maakte ook dat ik die roman vrij makkelijk kon schrijven, aus einem Guss. Ik zal dus maar toegeven dat het alweer óók een ellendig zelfportret geworden is, dat toont wat er van mezelf terechtgekomen is door zo hardnekkig aan sommige idealen van die tijd vast te houden. Ik was niet blij aan het eind dat ik van Arend af was. Integendeel, het deed pijn, ik vond het bitter dat ik ’m de keel moest omdraaien.’

Arend gaat, zoals je dat zelf deed, studeren in de stad. Maar jouw aankomst in Amsterdam was geen algeheel succes: ‘Mijn tweede geboorte was mijn dood,’ schreef je eens.
‘Amsterdam was voor mij begin de jaren zestig ook wel een enorme cultuurschok, al onderging ik die dan met mijn neus in de wind, met een gezicht alsof ik elke dag zoiets meemaakte. Als je in de jaren vijftig in de provincie kwam, was zo’n stad echt een hoorn des overvloeds. Ik wist níks van dingen die je vandaag op je tiende zelfs in de jungle al hoort te kennen. Wie met internet is opgegroeid, kan zich niet voorstellen hoe verschrikkelijk stom die jaren vijftig waren, hoe slaperig en geduldig. Daar heb ik ook mijn regressieve haat voor politici en regenten aan te wijten: hoe die het toch lukte om de mensen eronder te houden!Ik vond het dus wel mooi in de stad. Een beetje opstand! En dat heb ik nooit van me af kunnen schudden. Ik ben altijd en overal tégen.’

‘Ik vind het 
populisme het 
echte monster’

Over die opstand in de stad gaat het in het tweede deel van de roman: ‘Met grote regelmaat zijn er rookbommen te zien.’
‘Ik probeer de sfeer een beetje te beschrijven, hoe het was onder de studenten, in de cafés, op straat. In feite onderging je allerlei veranderingen op een laconieke manier: je rolde erin. Ik herinner me nog dat ik daar aan de gracht stond in ’66, toen er rookbommetjes gegooid werden naar de Gouden Koets waar prinses Beatrix en prins Claus in zaten. Achteraf is aan dat moment een bijna mythische betekenis gehecht, tóén stond iedereen erbij zo van: “Is dat het nou? Niet meer rook dan dat?” Er was geen jubelstemming, evenmin een sfeertje van: “Hè hè, dat hebben we lekker geflikt!” Geen enkel gevoel dat er geschiedenis geschreven werd.’

Arend, zo staat er, begint het woord ‘ons’ te gebruiken. Zelf heb je nooit zo’n ‘ons’ gehad? 
‘Toch wel. Ik probeer juist aan te duiden hoe algemeen het gevoel was dat er iets moest veranderen. Zelfs de rechtse corpsstudenten hieven hun eigen verenigingen op en gingen opeens in spijkerbroeken lopen. Ook al had je geen idee waar die landen lagen waar de Nieuwe Mens rondliep, je wist wel dat de oude generatie dood moest, dat de mariniers die de pleinen kwamen schoonvegen waar de radicalen zaten, niet deugden, en dat het leger moest worden afgeschaft. Zelfs de ouderen deden een beetje of ze dat ook allemaal vonden. Vandaar die uitdrukking: repressieve tolerantie. De opstandigheid was zo groot dat ook zij wel tolerant móésten zijn, anders werd hun keel eraf gesneden. We stonden allemáál aan de goeie kant, dat waren nog eens tijden!’

Ik ging tot nader order uit van wat Onno Blom opschreef in het portret Het fabeldier dat Komrij heet: ‘In politiek opzicht was Komrij een onbenul. Hij wist er simpelweg niets van.’ 
‘Dat heb ik voortdurend zelf geroepen, ja! Maar natuurlijk was ik politiek juist hyperbewust en heel gevoelig. Er had eigenlijk moeten staan: hij had zo’n groot politiek benul dat hij met politiek niets te maken wilde hebben. Ik zat bij een heel linkse studentenbeweging, de Olofspoort, een soort anticorps, daar zijn nog belangrijke mensen uit het Hollandse geestesleven uit voortgekomen. Ik was ook bevriend met enkele provo’s, Duco van Weerlee bijvoorbeeld, de provo-poëet. Die heeft er zelfs voor gezorgd dat mijn eerste gedicht gepubliceerd werd.

Achteraf besef ik dat ik toen heel dicht bij het vuur zat, maar ik was toch bezig met andere dingen – de dingen die uiteindelijk hebben gemaakt dat ik in deze ellendige situatie ben terechtgekomen dat ik iets moet voorstellen in de literatuur. Actievoeren zei me niet zoveel. Er moest altijd weer vergaderd worden, daar had ik een absolute afkeer van. Die actievelingen, dat waren studenten in de po-li-ti-co-lo-gie, daar had ik geen kaas van gegeten! Ik had andere dromen, ik was op zoek naar liefde, vertrok snel naar Griekenland. Toen ik terugkwam schreef ik al gauw voor een linkse krant, Vrij Nederland. Ik vond het leuk linkse mensen te pesten met rechtse praatjes. Het beeld van de kameleon is me altijd lief geweest, maar dan de kameleon die in de verkeerde kleur schiet in plaats van de goeie.’

Ik ben altijd en overal tégen

Je boek over een ex-maoïst verschijnt op een ogenblik dat de SP, een partij voortgekomen uit een maoïstische beweging, ongemeen populair is. De huidige leider Emile Roemer is zelfs de populairste politicus van Nederland. 
‘Wat dacht je van Barroso, de voorman van Europa? Die was ook maoïst, hè?’

Je vertelde me een keer van het voornemen op Roemers voorganger Jan Marijnissen te zullen stemmen, allicht staat Roemer je vandaag ook wel aan. Zit er een cryptomaoïst in je?
‘Goeie vraag. Ik vond het als gedachtenexperiment interessant om bij mezelf na te gaan of op een bepaalde leeftijd idealen werkelijk zo verwerpelijk zijn. Vooral omdat we nu toch weer in een tijd beland zijn dat de zaak absoluut vastloopt en dat de moordenaars van alle idealen het voor het zeggen hebben. En dan heb ik het over de hegemonie van de financieel-politieke wereld, die ook politici als Marijnissen of Roemer ver boven het hoofd gegroeid is.

We zijn machines geworden die geld dokken voor een commerciële minderheid. En iedereen vindt het maar best, zo diep zijn we al gezakt. Ik ben geen maoïst, ik heb niks met een samenleving die ook maar een beetje naar socialisme zweemt. Ik ben solidair met niemand. Maar vandaag ben ik wel een heel groot voorstander van het verbod op de economie, van het ophangen aan lantaarnpalen van alle bankiers. En eigenlijk ook van het wegsodemieteren van de hele politieke klasse die aan de macht is. Het is nog niet zover dat je me in een tentje op het Beursplein zal vinden, maar het komt héél dichtbij. Ik heb een mateloze sympathie voor die mensen, moet ik zeggen. Als je weet dat bijna alle hoop gedood is, moet je je toch automatisch scharen achter dat kleine vonkje dat nog gloort, in de hoop dat het weer een ferme vlam zal worden. Vandaag voel ik iets wat ik nooit eerder zo sterk heb gevoeld: dat ik politiek activist zou kunnen worden.’

Emile Roemer kan je zo komen vragen? 
‘Nee, want zelfs al zou ik dat willen: ik heb zo veel op mijn kerfstok dat ik meteen door de mand zou vallen. Maar ik wil het niet, omdat je via de huidige partijen niets kunt bereiken. De hele zaak moet op de schop! Als dat nog zou kunnen, want ze is al definitief naar de bliksem, geloof ik. Politiek, ook die van de socialistische partijen, gaat alleen nog over geld. De godganse dag hebben ze het daarover op tv, of de mensen een procentje voor- of achteruitgaan… Wat kan mij dat schelen?Dat gelul over geld stuit mij zwaar tegen de borst, die hele financiële hegemonie vind ik wal-ge-lijk. Het gaat nooit meer over grotere ideeën. De Nederlanders zijn een zwaar verwend volkje, veel te rijk. Je zou ze nog eens een hongerwinter toewensen om de zaak te reinigen. Ik zal me maar excuseren voor mijn rabiate fascistische praatjes, maar dat soort mensheid, daar moet gewoon de bezem door!’

Hoor ik je, met een ander stilistisch palet, iets soortgelijks zeggen als de Nederlandse opiniepeiler Maurice de Hond: we staan voor een crisis zonder weerga, zegt hij, en de politici krijgen dit keer de schuld, zij zullen boeten. 
‘Nooit eerder heb ik meegemaakt dat politici zozeer geminacht worden als vandaag, maar ik denk niet dat zíj zullen boeten. Ze zitten stevig in het zadel en zullen aan het langste eind trekken. Ze worden zelf ook weer gemanipuleerd door de financiële wereld die alles in zijn greep heeft gekregen. Elke morgen sta ik op, kijk naar buiten en zie tot mijn verbazing dat de massa’s niet op straat gekomen zijn. In Spanje heb je de indignados, en ook elders wordt het wat onrustiger, maar dat protest zal hard worden aangepakt, als het echt menens wordt. Nu al is het hele machtsapparaat er om de politici in bescherming te nemen tegenover de bevolking en dat zal nog uitgesprokener het geval worden. Het eerste wat ik dus eis is een verbod op elke persoonlijke beveiliging van politici. (Fonkelende ogen) Hun beveiliging wordt betaald door de mensen tegen wie ze zich beveiligen: dat kán toch niet?’

Fractievoorzitter van de PvdA Job Cohen is uit de politiek gevlucht. Hoe wil je hem uitwuiven?
‘Ik heb nooit begrepen waar die Cohen goed in was. In braafheid misschien, maar het zijn geen tijden voor braafheid. Hij verontschuldigde zich bij zijn vlucht voor het feit dat hij de boodschap van de PvdA niet voldoende had weten over te brengen. Dat haalt me de koekoek, er is helemaal geen boodschap. Ze hebben hem met een speelgoedpistooltje naar een slagveld gestuurd waar socialisten niet eens meevochten. Hij zal over een tijd wel terugkeren in een mooie baan. Directeur van een slaapmutsenfabriek, hoop ik.’

En zo komen hier via de schotelantenne ook nieuwe koppen binnenrollen: de kandidaten Martijn van Dam, Diederik Samsom… 
‘Het komt he-le-maal nooit meer goed met de PvdA. Ik kom uit een PvdA-gezin, en ik weet hoe die partij verweven was met de ziel, de genen, het geweten en noem maar op van de aanhangers. Die mensen zijn weg, die mensen zijn verraden, die mensen komen nooit meer terug. PvdA’er zijn was een lifestyle, een levenshouding, een statement. Wat nu resteert is een warrige collectie oudbakken leuzen uit de mond van carrièristen die gulzig loeren naar een vermeend gat in de markt.Welk antwoord heeft de PvdA op de grote golven van sociale onrust die ons staan te wachten? Er is een oorlog op til en de partijbestuurders zitten te bibberen en te bekvechten in hun gewatteerde fractiekamers. Het zwarte gat van hun aanhang zal ze niet komen redden. Martijn van Dam, geschikte ober in een theaterfoyer. Diederik Samsom, daar wil je toch geen vier jaar naar luisteren? Ronald Plasterk, hij geniet me te veel van de misstap die het was om de politiek in te gaan. Zou één van drieën ooit een substantieel deel van zijn salaris inleveren? Geen van drieën associeer ik in elk geval met hard werken. Maar tja, arbeiders werken ook niet meer. Diederik heeft inmiddels te lang in het vat gezeten, Martijn moet nog wat vet krijgen, dus de half-belegen Plasterk dan maar. Of nee, daar biedt zich nog iemand aan! ’t Is ook een beetje een handeltje in consumptieartikelen, nietwaar? Met de grote lijnen in de politiek, met de ideologie-discussies en met wat er in de wereld aan de hand is heeft het weinig te maken.’

Als ik zag hoe Van Dam en Samsom respectievelijk in De Wereld Draait Door en Pauw & Witteman begroet werden, dacht ik: de media zullen niet vriendelijker zijn voor om het even welke opvolger dan voor Cohen.
‘Als een politicus niet in staat is om op een beetje overtuigende wijze zijn eigen beleid uit te leggen, kun je er donder op zeggen dat er geen overtuiging is en geen beleid, en dan verdient hij het benaderd te worden zoals elke zwetsende beunhaas die louter uit is op zijn eigen gewin. Wat zouden ze graag de knipmessende media terug willen! Ja, excellentie. Nee, excellentie. Ze hebben hun auto met chauffeur, hun wachtgeld tot de dood en hun persoonlijke lijfwachten toch nog? Nu dan! Je moet die aanpak van de media ook een beetje zien als wraak op honderd jaar arrogantie.’

Binnenkort is het tien jaar geleden dat Pim Fortuyn werd doodgeschoten. Je was toen Dichter des Vaderlands, schreef meteen het gedicht ‘De zittende politicus’. Je had het daarin over een regerende politieke klasse die in de slotregel van het gedicht nog steeds ‘het echte monster’ niet ziet. Er is veel gediscussieerd over wat die regel zou kunnen betekenen. 
‘Dat gedicht wordt geregeld geciteerd op herdenkingen van Pim Fortuyn, op zijn begrafenis lag het tussen de bloemen. Ik wil met mijn interpretatie al die mensen hun gedicht niet ontnemen; het zijn gewoonlijk al mensen zonder gedicht, dan hebben ze er géén meer.’

Komaan, tien jaar later mogen we het wel weten: wie is het echte monster? 
(Aarzelend) ‘Als je mij kent, kun je wel bedenken dat ik het populisme het echte monster vind. Ik ben altijd erg bang geweest voor een zwijgende meerderheid die ineens een stem krijgt, en daar zitten we nu middenin. Hadden we de zwijgende meerderheid nog maar – want zij deed precies wat de bedoeling was: zwijgen! Wat dat betreft ben ik natuurlijk een traditionele, militaristische… hoe noem je dat… bandiet!Dat populisme is lang als iets leuks gepresenteerd, vervolgens is het overgenomen door belangengroepen die over de hele lijn gewonnen hebben en alle media hebben veranderd: media en tv brengen alleen nog wat de mensen willen, terwijl dat vroeger toch nooit hun hoofdtaak is geweest. Onze kinderen zouden onze wereld niet herkennen: waarheid en kwaliteit zijn vandaag belachelijke woorden geworden, je durft ze niet meer te gebruiken.’

Het is een decadente bol die we bewonen, zo lijkt het wel. Geniet je er nog wat van? 
‘Dit is een gelukkige wereld voor mensen die geld hebben. Maar voorts wordt de tent gesloten. Zelfs voor wie van decadentie houdt valt het tegen. We gaan naar de ijstijd, alles is taboe: seksualiteit is weer uit den boze, goeie eethuizen verdwijnen, restaurants zijn alleen nog voor financiële mensen.Het hele geestelijke klimaat staat me tegen. Kun je je een beetje voorstellen in welke ongelukkige toestand ik me bevind? Met al die schrijvers die het weer over God hebben, in de stommiteiten van gisteren terugvallen. Kousbroek, Hermans, Karel van het Reve, al die gezellige atheïsten en vrolijke mensen gaan dood, en in de plaats worden warhoofden en zwatelaars op het schild gehesen, krijg je halve onbenullen, blije kippen die zich naar de slachtbank laten leiden, van die zoekers, praatjesmakers die in iets hogers of iets blijers geloven. Hoe kunnen ze het, andere mensen gaan vertellen wat die allemaal moeten doen of niet doen? Rot toch op, denk ik dan. Het kost je toch al moeite genoeg om je eigen ruïnes bij elkaar te houden? Maar ik klaag niet, hoor. Ik voel dat de kranen en toevoerleidingen worden dichtgeknepen, maar ik geniet nog voldoende in het kleine fort waar ik me heb teruggetrokken met allerlei leuke dingen die aan de vlammen zullen worden prijsgegeven op de dag dat de Chinezen voor de deur staan. Ik geniet nog, maar ik voel wel dat ik er bijtijds uitstap. De jongens en de meiden van nu, hún toekomst beklaag ik.’

Enige vrolijkheid past bij de conclusie dat met deze roman een vijfendertigjarenplan is voltooid. In 1977 vertelde je Bibeb in Vrij Nederland: ‘Ik weet dat ik vijf romans zal schrijven.’ Vandaag is het zover. 
‘Dat vond ik toen blijkbaar veel, terwijl ik het nu weinig vind. Je kan trouwens zeggen dat ik er al zes heb, het is nu een beetje onzin een autobiografisch boek als Verwoest Arcadië níét mee te tellen, nu de grenzen van de roman zo hopeloos opgerekt zijn. Elk pak papier met woorden op een rij noemt men vandaag roman. Bekentenissen, dagboeken, avonturen uit het eigen volle leven, het is allemaal een roman. Dat móét wel, als er jaarlijks 247 nieuwe romans verschijnen, en dan heb ik Frankrijk, Engeland, Amerika en China nog niet meegerekend. Voor veel mensen is de roman een manier om even door te breken: voor het proeven van de romantiek verbonden aan het literaire leven is een roman toch heldhaftiger dan een gedicht of een verstandig woord.Je hebt ook het verschijnsel van de romanschrijvers die élk jaar een nieuw boek schrijven, je kan op ze rekenen als op een onweersbui na lekker weer. De nieuwe Van Royen! De nieuwe Japin! En die hebben blijkbaar genoeg gekken gevonden die dat willen volgen. Is het boek af, dan verschijnen ze overal, zwaaien ze naar de mensen. De boekhandelaars vinden het prachtig, ze weten op voorhand wat eraan komt en waarschuwen de juffrouw in hun buurt die die dingen koopt. ’t Is allemaal van een gemakkelijkheid die indruist tegen míjn jongensdroom van de literatuur. Ik heb de kunstenaars altijd aanstellers gevonden die te hoog van de toren blazen, maar ik moet ze toch verdedigen als ik gelijk krijg en iederéén dat gaat vinden. Als mensen niet meer lezen, geen schilderijen meer bekijken, geen muziek meer beluisteren, dan heeft dit leven nog bitter weinig zin. Dus moet je weer je best doen om duidelijk te maken waarom kunst zoiets hoort te zijn als ademhalen. Want tot de mensen die deemoedig de aftocht blazen wil ik niet behoren.’

Gepubliceerd op: | 1 Comment