‘Ik wil weg kunnen kruipen’
door Carolina Lo Galbo
Schrijfster Hanna Bervoets, ‘eigenlijk gewoon niet opgevoed’, is best gezellig, maar ook graag alleen. ‘Ik ben als de dood om afhankelijk te worden.’
Vorige week zou ze naar een feest in een loods gaan, maar zover is ze nooit gekomen. ‘Ik ben gevallen,’ zegt Hanna Bervoets. ‘Ik was op de fiets en ineens lag ik op de grond.’ Ze toont de beurse plekken en schrammen op haar benen. ‘Je ziet het niet goed door de panty, maar het is helemaal blauw. En ik heb een gekneusde wreef.’ Ze pauzeert even. ‘Dit is een gênant verhaal, ik moet dit verhaal stoppen, hier krijg ik spijt van.’ Dan: ‘Mijn zij is ook blauw, een soort doorligwond. Nuchter was ik niet, nee, ik ben door een vriendin in bed gelegd. Ik vond het eerst grappig, maar de avond erna dacht ik: nou zeg, búúú. Ik was bang dat er een scheur in het bot van mijn wreef zou zitten, maar gelukkig neemt de pijn af en kan ik weer gewoon lopen en alles. Het is mijn nachtmerrie om van anderen afhankelijk te zijn.’
Schrijfster Hanna Bervoets (28) leeft onstuimig en schrijft driftig, alsof ze geen seconde te verliezen heeft. Zo praat ze ook, rap en geanimeerd. Vaak maakt ze een geluid in plaats van te zeggen hoe ze zicht voelt: ‘ik dacht búúú’ of ‘ik had zoiets van ahhh’. Ze heeft waterige blauwe ogen met een onpeilbare blik, lange armen en benen, geen grammetje vet. Ze heeft iets fragiels en onverwoestbaars tegelijk.
Ze verschikt het kussentje in haar rug. Ze mag dan veel uitgaan, verreweg de meeste tijd brengt ze alleen door, hier op haar etage in Amsterdam-Noord. Het heeft meer weg van een schuilplaats dan van een huis. De woonkamer is ingericht met alleen het noodzakelijke: een bankstel, een kleine televisie op een kist, het tafeltje met twee stoelen. De vloerbedekking is verschoten, de muren hebben lang geen verf gezien. ‘In het dak zit een gat,’ zegt de schrijfster. ‘Dat laat ik maar. Boven is geen verwarming dus slaap ik in de winter met mijn kleren aan.’
Belachelijk beroep
In deze buurt vol sociale woningbouw speelt haar roman Lieve Céline (2011) zich af. Bervoets schetst daarin het claustrofobische universum van het laagbegaafde, zwaarlijvige tienermeisje Brooke dat in een kansarm, vaderloos gezin opgroeit. Na haar moeders dood leeft ze voor een ontmoeting met haar idool Céline Dion en stevent gelaten af op een tragedie. Met pijnlijke precisie beschrijft Bervoets Brooke’s hardnekkige pogingen om haar leven zin te geven. Ze won er in mei de Opzij Literatuurprijs 2012 mee. ‘Een slim en ontroerend boek,’ oordeelde de jury. ‘Bervoets provoceert, prikkelt en ontroert,’ vond Elsevier. NRC Handelsblad schreef: ‘Lieve Céline is een roman over mensen die verdoving zoeken om te kunnen vergeten dat ze er zijn. (…) Bervoets schept een wereld die langzamerhand absurder en ontroerender wordt.’ De filmrechten van het boek waren direct na de verschijning ervan verkocht.
Inmiddels is Hanna Bervoets onmisbaar in de scene van jonge hippe auteurs die schrijven en feesten moeiteloos combineren. Ze voelt zich er thuis. ‘Ik mag mijn generatie graag,’ zegt ze. ‘Ik kom ze tegen op de vele boekpresentaties en literaire evenementen die ik via Facebook volg. Het zijn leuke jonge schrijvers zoals Renske de Greef, Anna Drijver, Alma Mathijsen, Maartje Wortel. We delen onze liefde voor het schrijven en nemen het heel serieus. Dat moet ook wel, want het is een belachelijk beroep waarmee je niets verdient. Maar onze gesprekken zijn allesbehalve zwaar, we houden het graag leuk en luchtig.’
Ook in haar columns voor Viva en Volkskrant Magazine weerklinkt die tragikomische toon als ze beeldend en onthecht over media, relatie en families schrijft. Maar haar prijswinnende roman is naast onderhoudend ook treurig, en lijkt in die zin veel meer op de Hanna die hier aan tafel zit. Zeker, ze weet haar gehoor te plezieren met grappen en anekdotes, maar meestentijds is ze ernstig en bedachtzaam.
Roem is een terugkerend thema in Bervoets’ werk. In Lieve Céline vult een beroemdheid de leegte op die Brooke’s moeder achterlaat. In haar debuutroman Of hoe waarom (2009) grijpt hoofdpersoon Flora naar radicale middelen om zelf beroemd te worden. Bervoets schreef het boek nadat ze op een halloweenfeestje bij een vriend thuis in een plas wodka was uitgegleden toen ze een pirouette probeerde te draaien zoals Michael Jackson in ‘Thriller’. ‘Mijn gebit ving de hele klap op,’ zegt ze. ‘Ik was mijn voortanden kwijt en werd afgevoerd.’
‘Dit is een gênant verhaal, ik moet dit verhaal stoppen, hier krijg ik spijt van’
Vanuit haar ziekbed bedacht ze Flora Vos, een journaliste die voor het leesmaptijdschrift Haar verhaal bizarre interviews maakt met zieke mensen zoals de primordiale dwerg Mimi. Ze is het kind van een afwezige vader en een door uiterlijk geobsedeerde moeder die haar als baby in een funniest home video in de fik stak voor roem. De wanhoopspogingen die Flora later zelf onderneemt voor een vonkje bekendheid – zingen in de Mini Playbackshow, publiek zijn bij talkshows – lopen op niets uit. Centraal staat de (zelf-)destructie van een meisje dat gezien wil worden. Bervoets droeg het boek op aan ‘Britney, Lindsay, Amy en Mary-Kate’, actrices en zangeressen die hun carrière als kindster begonnen. ‘Ik vind het tragische vrouwen,’ zegt Bervoets, ‘heel ontroerende wezens. Net als Flora.’
Ontroerend? Flora ontpopt zich tot seriemoordenaar.
‘Ze wil gezien worden, maar niemand ziet haar staan. Ik vind de verloedering van die vrouwen ontroerend, schoonheid die zichzelf te gronde richt.’
Gaat Of hoe waarom daar volgens jou over?
‘Mijn redacteur zei dat het over uiterlijke schijn gaat, maar zelf ben ik niet met de thematiek bezig als ik schrijf. Elk boek hoort bij een bepaalde periode in mijn leven. In die tijd was ik gefascineerd door roem, kindsterren en high school shooters. Ik vond het ook intrigerend dat iedereen ineens in een realityshow wilde en stelde mij de vraag: ten koste van wat wil je beroemd worden? Flora interviewt mensen die hun ziekte uitbuiten om in de spotlights te staan. Ze kan niets en is ook niet ziek, dan is er nog maar één mogelijkheid om beroemd te worden: doden. Ze wordt een killer.’
Wat heb je met roem?
‘Mensen worden doodgegooid met het idee dat roem de weg is naar geluk. Zelf was ik als kind kindster-fan, ik hield lijstjes bij met hun namen en was fan van Macaulay Culkin uit de film Home Alone. Ik vond het zo knap! Ik wilde niet per se beroemd worden, ik wilde gewoon zo graag ín die film zijn, met een slee van de trap af racen, of op een paard zitten. Het zal een vorm van escapisme zijn geweest.’
Bervoets is voor de televisie opgegroeid, vertelt ze. ‘Elke avond keek ik een blok van drie soaps: Goudkust, Goede Tijden, Onderweg naar morgen. Ik vond het fantastisch en leefde intens met de personages mee, maar ik keek ook in de wetenschap dat mijn klasgenoten ernaar keken en ik de dag erna op school kon meepraten. Het was een ritueel. Zo is mijn fascinatie voor televisie en populaire cultuur ontstaan, mijn afstudeerrichting binnen de studie media en cultuur.’ Ze neemt een slokje water. ‘Ik kijk véél liever naar een realityshow dan naar Pauw & Witteman. Ik vind het heerlijk om zo’n aflevering met mijn vrienden te analyseren.’
Het bleef niet bij televisie kijken, Hanna wilde als kind zélf op televisie. Ze schreef met een vriendinnetje brieven naar de Mini Playbackshow, en kreeg op haar tiende een rol in een commercial van stichting De Zonnebloem. ‘In dat spotje had ik een vader en een moeder en was ik het kind. Ik kreeg midden op de dag kipkluifjes en dat vond ik zó leuk. We speelden een gezin.’
Touwtje uit de deur
Hanna Bervoets groeide op als enig kind bij haar moeder in Amsterdam. Haar vader zag ze zelden. ‘Toen mijn moeder drieëndertig was, wilde ze niet langer wachten met een kind en daarom vroeg ze een man die ze uit de kraakbeweging kende en aardig vond als donor.’ Later kregen haar ouders een latrelatie die sinds een paar jaar weer voorbij is. Ze spraken af dat Hanna bij haar moeder zou gaan wonen. Eens per week zou ze op maandag bij haar vader in de Amsterdamse Pijp logeren, eens in de twee weken ook op vrijdag. ‘Dan was ik er op zaterdagochtend nog en keek ik Telekids. Daarna ging ik weer naar huis. Die constructie was fijn voor mijn moeder, had zij ook een avond vrij. Zelf vond ik het na de basisschool gedoe worden. Vanaf mijn twaalfde ging ik niet meer.’
‘Mijn generatie is heel zelfreflectief, daar word je soms gek van’
Hanna speelde veel bij anderen, of anderen bij haar. ‘Mijn moeder was er niet vaak. Als ik uit school kwam, stak er een touwtje uit de deur zodat ik naar binnen kon. Ik vond dat ook wel fijn, want dan kon ik zelf bepalen wanneer ik naar huis ging. Mijn moeder heeft me een tijdje uit school opgehaald en daar werd ik heel onrustig van. Ik was steeds bang dat ze er niet zou staan. Het touwtje gaf me rust, ik voelde me er minder afhankelijk door.’
Als ze iets van haar moeder geleerd heeft, is het onafhankelijk zijn, ook financieel. Drie jaar voor haar geboorte belandde haar moeder in de bijstand door een ernstig verkeersongeluk. Ze deed er alles aan om weer uit de WAO te geraken en werd na twee studies freelance onderzoeker. ‘Mijn moeder heeft niemand nodig en verwacht niet van anderen dat ze haar nodig hebben,’ zegt Bervoets. ‘Ik heb van haar geleerd door naar haar te kijken, want levenslessen gaf ze niet. ‘s Avonds aten we met de tv aan, dan praatten we weinig.’
Haar jeugd was grenzeloos, ze is vrij opgevoed. ‘Of eigenlijk ben ik gewoon niet opgevoed,’ zegt ze. ‘Ik ben nooit ergens in gestimuleerd, maar ook nergens in gestopt. Als ik op ballet of fotografie wilde, mocht dat. Tijdens mijn schooltijd op het gymnasium mocht ik tot vijf uur uit, ik mocht roken, ik mocht alles. Regels waren bij jou niet nodig, zei mijn moeder. Die vrijheid was leuk, maar op mijn achttiende dronk ik soms echt te veel. Pas toen ik met een alcoholvergiftiging in het ziekenhuis belandde, zei mijn moeder: ik vind het erg. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt.’
Gestructureerd
Zo turbulent als haar sociale leven vaak verloopt, zo gecontroleerd is Bervoets als schrijfster. Met veel
discipline leidt ze haar talent in goede banen. Ze schrijft elke dag van tien tot zeven. Tussendoor eet ze, sport ze en ‘s avonds gaat ze uit of kijkt ze televisie. Ook dat doet ze gestructureerd. ‘Ik neem de series die ik volg op en om tien uur doe ik het licht uit en ga ik kijken. Ik zap nooit.’ Schrijven doet ze volgens een vast stramien. ‘Ik maak een plot outline waarin ik de grote lijnen schets en kijk vervolgens steeds drie hoofdstukken vooruit. Pas als ik daadwerkelijk achter mijn computer zit, schrijven de scènes en details zich. Wat romans schrijven zo fijn maakt: je kunt alles zelf verzinnen en hebt geen andere mensen nodig, zoals in de journalistieke reportages die ik schrijf.’ Romans schrijven geeft haar ook rust, meer dan het maken van een column. ‘Ik schrijf drie weken aan mijn boek, en twee weken aan mijn columns. Na die twee weken ben ik mezelf helemaal zat, dan ga ik mezelf echt háten en denk ik: wat een gezeik, hou toch eens je mond! Mijn generatie is heel zelfreflectief, daar word je soms gek van. Het is helemaal niet goed om zo met jezelf bezig te zijn.’
Op dit moment werkt ze aan haar derde roman. In het najaar komt de film Bowy is binnen uit, waarvan Bervoets het script schreef. De film is gebaseerd op de Love Parade-ramp in 2010, toen 21 mensen door paniek omkwamen bij het jaarlijkse technofestijn in Duisburg.
Verder vooruit plannen doet ze, anders dan haar meeste vrienden, niet. ‘Ze zijn net als ik eind twintig en sommigen zien deze periode als hun laatste kans om naar het buitenland te gaan voordat er kinderen komen. Ik ben daar helemaal niet mee bezig. Er zit geen lijn in mijn leven. Ik schrijf mijn columns en plan daarnaast een groot project voor de komende maanden, een boek, toneelstuk of film. Dat is mijn houvast.’
Geen wilde orgies
Er is een periode geweest dat een toekomstperspectief helemaal ontbrak. Ze had een half jaar scriptwriting gevolgd aan de New York University, ‘een te gekke tijd. Ik ging met een vriendin alle clubs af en dan mee in een limousine van iemand. Dan kwamen we in een huis met een groot bed en dan gingen we daar zijn.’
Zijn?
Ze lacht. ‘We hadden geen wilde orgies, hoor! We waren jong en onbezonnen, maar ik heb nergens spijt van. Het was fantastisch.’
Eenmaal terug in Amsterdam was het gedaan met de pret. Ze kreeg last van het hypermobiliteitssyndroom, een reumatische aandoening waardoor het bindweefsel van haar spieren en gewrichten te slap is en die makkelijk kunnen ontwrichten. ‘Het was alsof iemand voortdurend met een hamer tegen mijn rug, knieën en polsen sloeg. Ik was net aan mijn master journalistiek begonnen maar kon niets meer.’ Tijdens een intensieve revalidatie in het ziekenhuis trainde ze haar spierkorset. Ze fietst nog elke dag een uur in de polder en gaat twee keer per week naar de sportschool. ‘Daarmee compenseer ik een hoop zwakheid. Er valt mee te leven, maar ik was toen echt even bang dat ik geen toekomst had, want er zijn ook patiënten die in een rolstoel terechtkomen.’
Het versterkte haar oude angst: die voor afhankelijkheid. ‘Ik ben als de dood om afhankelijk te worden van anderen,’ zegt ze. ‘Daarom ben ik zo bang voor aftakeling en ouderdom. Ik vind ouder worden echt heel kut. Ik wil straks echt niet veertig zijn, dan ben je al op de helft!’ Leeft ze er daarom zo op los? ‘Ja, ik kan niet stilstaan. Dan word ik gék van onrust. Ik ga altijd door. Dat is voor mij de enige manier.’
Anders dan Bervoets is Brooke uit Lieve Céline niet bij machte om haar zelfstandigheid te bewaken. Ze heeft een moeder die zich in een invalidenvoertuig voortbeweegt en soaps kijkt, haar ongeïnteresseerde zus en dier vriend en een betrokken hulpverlener. Net als in Of hoe waarom is de hoofdpersoon een meisje zonder vader, opgesloten in haar huis. Ook nu is het kind een object en moet roem de leegte opvullen. Maar waar Flora het heft op verschrikkelijke wijze in eigen hand neemt, ondergaat Brooke haar lot gelaten door haar verstandelijke beperking. Eén voor één laten haar dierbaren haar zitten: eerst haar moeder, dan haar zus, haar vriend en ten slotte haar vertrouweling. Ze blijft achter met een baby, Céline, waar ze vanaf wil. Zo bezien leest Lieve Céline als Bervoets’ ultieme nachtmerrie van afhankelijkheid.
‘Ja,’ zegt ze desgevraagd, ‘Brooke lijkt zeker qua angst erg op mij. Het lijkt me walgelijk wat haar overkomt.’
Altijd de buitenste
Hanna Bervoets is opgestaan om het licht in de woonkamer aan te doen. Er hangt onweer in de lucht. Het pleintje voor haar huis in Amsterdam-Noord is ineens in duisternis gehuld. Een paar opgeschoten jongens scheuren op hun scooters weg. Als schrijfster is ze een outsider in deze wijk en daar gedijt ze bij. Ze vindt het lekker dat ze in haar ‘vormeloze’ joggingpak naar de supermarkt kan en dat er niet zomaar vrienden op de stoep staan. ‘Ik ben altijd ehm, hoe zal ik het zeggen… ik ben altijd de buitenste geweest. Ik organiseer nooit wat en er komen nooit mensen bij mij thuis. Ik vind dingen snel verstikkend en ga wel ergens heen als ik daar zin in heb, erg hè? Door mij aan allerlei verplichtingen te onttrekken, kan ik het naar mijn gevoel ook maken om niet op een verjaardag te verschijnen. Mensen rekenen toch niet op me, ze pikken veel van me. Soms laat ik een week niets van me horen om daarna weer boven te drijven. Ik wil weg kunnen kruipen.’
Je houdt afstand?
‘Ik denk het wel. Het is een nieuw inzicht. Ik dacht altijd dat ik heel open was, maar een goede vriend zei laatst tegen me: jij bent de enige die nóóit bij me aanklopt of om hulp vraagt. Waarom doe ik dat eigenlijk niet, dacht ik toen. Het is niet zo dat ik angstvallig dingen over mezelf verzwijg. Misschien wacht ik totdat mensen me iets vragen. Ik vind het ook moeilijk om hulp te vragen. Als er iets aan de hand is, denk ik wel eens: o, wie moet ik nou bellen? Ik denk dat ik alles alleen kan en ik kán het ook alleen.’
Je bent het in elk geval gewend.
‘Ja, ik kan dagenlang zitten mokken in mijn eigen zuurheid en negativiteit. Dan sta ik gewoon op dezelfde tijd op om te schrijven, maar bel ik niemand. Ik weet niet of dat goed of slecht is.’
In hoeverre kennen je vrienden je dan?
‘Ik dacht dat ze wel wisten dat ik ook heel zuur kan zijn, al straal ik dat natuurlijk niet uit als ik bij mensen ben, dat zou stom en gemeen zijn. Ik ben eigenlijk erg verbaasd dat ik volgens die vriend zo weinig deel.’
Is het niet vermoeiend om altijd mooi weer te spelen?
‘Ik speel helemaal niks! Het is mijn keuze om bij mensen te zijn, dus zien ze me alleen als ik me goed voel en gezellig ben. Anders blijf ik thuis.’
Haar ouders ziet ze weinig. Eens in de twee maanden luncht ze met haar vader. ‘Dat is altijd leuk,’ mompelt ze. ‘Ik zie hem niet vaak, maar hij leest wel alles over me, googelt me en zoekt tweets over me op.’ Lezen haar ouders haar romans? ‘Ik denk het wel,’ zegt ze. ‘Ik weet het eigenlijk niet. Toen ik in een interview zei dat mijn moeder Lieve Céline niet gelezen had, werd ze verdrietig. Ze zei: ik heb het heus wel gelezen, ik had alleen nog geen mening. Ze wil dat ik haar erop wijs als ik in een tijdschrift sta. Maar moet ik dan bij elk tijdschriftdingetje bellen? Een vriend vertelde dat hij alles heel erg voor zijn ouders doet en het belangrijk vindt dat ze trots op hem zijn, ik heb dat niet zo met mijn ouders. Bij een nieuw boek bel ik eerder mijn vrienden. Wat overigens niets zegt over hoeveel ik van mijn ouders houd. Volgens mij vinden ze het wel goed wat ik doe.’ Ze weet het niet zeker. ‘We praten niet zo heel lang over mijn werk.’
Haar romans gaan toch ook over haarzelf? ‘We praten gewoon niet zo veel.’ Na een stilte: ‘Ach, het is niet zo belangrijk of zo, ik ga niet dood als ze mijn werk niet lezen.’
Lezen haar ouders haar romans? ‘Ik denk het wel. Ik weet het eigenlijk niet’
De rest van haar familie ziet ze zelden. Haar oma van haar moeders kant is twee maanden geleden overleden. Bij haar vierde ze altijd Kerst. ‘Dat is nu dus ook weggevallen,’ zegt ze terwijl ze krullen in haar donkere haren draait. Als ze haar vaders familie weer eens bezoekt, zijn haar neefjes en nichtjes een meter langer en hebben haar tantes een andere man, vertelt ze. ‘Ik sta er een beetje buiten omdat ik door mijn moeder ben opgevoed en haar achternaam draag. Ik ben meer een Bervoets en voel me in dat opzicht een beetje het zwarte schaap.’ Het heeft ook voordelen, zegt ze snel. ‘Ik hoor dat vrienden met Pasen salades met hun familie moeten maken. Dat moeten lijkt me vreselijk, dat zou ik niet willen.’ Ze is even stil. ‘Maar nu we het er zo over hebben: eigenlijk kán ik ook nergens heen om salades te maken, dat is er gewoon niet.’
Neurotransmitters
Voor haar nieuwe roman duikt ze in de wetenschappelijke wereld. Veel wil ze er nog niet over kwijt, behalve dat de hoofdpersoon redactrice is bij een wetenschappelijk programma en alles biologisch duidt, zelfs de liefde. Vanochtend heeft Bervoets het lemma ‘verliefdheid’ op Wikipedia opgezocht als research voor haar boek. Dit stond er ongeveer: verliefdheid komt voort uit bepaalde stoffen. Mensen weten dit, en toch handelen ze er niet naar. ‘Dat móét wel door een zuur persoon geschreven zijn,’ gniffelt ze. ‘Al ben ik zelf ook van de stofjes. Ik ben een product van mijn tijd: van Dick Swaab, breinboeken, hersenscanners. Verliefdheid zie ik als een drug. Met een pilletje kun je hetzelfde gevoel opwekken, dan gaan exact dezelfde neurotransmitters in het dopaminecentrum in de hersenen werken en ga je ook irrationeel handelen. En verliefdheid is een verslaving, net als drugs. Je kunt ervoor kiezen om het object van je liefde bij beginnende aandrang uit de weg te gaan, net zoals je een gokhal kunt vermijden. Ik word wel érg zelfbewust van die biologische benadering: ik vind jou nu leuk omdat die neurotransmitters werken.’
Is verliefdheid meer waard dan xtc omdat het biologisch wordt opgewekt? Ze komt er niet uit. ‘Ik geloof dat als je verliefd bent op iemand, je aan hem verslaafd bent, en dat dat na een tijdje weer verdwijnt. Als je geluk hebt, kun je het misschien nog een keer beleven. Ik denk daar praktisch over.’
Ben je zelf wel eens echt verliefd geweest?
‘Jaaa… maar ik heb nog nooit een normale relatie gehad. Het duurde altijd kort, hoogstens een half jaar, en dan was het vrijblijvend en wiebelig. Samen op een cruise, samen naar een feest. Vroeger maakte ik het wel eens uit door nooit meer iets van mij te laten horen. Dat doe ik niet meer, nu haak ik af voordat het ook maar íéts is.’
Nooit gedacht: dit is leuk, ik wil door?
‘Jawel, maar dan ging het gewoon niet. Ik ben het soms ineens zat, dan vind ik het te beklemmend als iemand me te vaak sms’t. Ik wil dat stadium van verplichting niet, ik wil alleen maar leuk. Als ik seks wil, kan ik nu gewoon iemand bellen. Mannen zijn niet zozeer het probleem, het is wéér die afhankelijkheid. Ik ben relaties gewoon niet gewend en ben ook bang dat het me van mijn schrijven afhoudt. Het lijkt me heel moeilijk om monogaam te zijn en verantwoording af te leggen, iets van me te laten horen. Ik weet niet hoe dat moet. Ik vind het al heftig om iemand in mijn huis te hebben. Het is nu ook nog niet nodig.’
Nodig?
‘Nou, als je een traditioneel gezin wilt, dan is het wel nodig dat je een leuk iemand ontmoet waarmee je een relatie krijgt. Ik maak wel eens grapjes tegen vrienden: als ik een kind krijg, dan gaat het gewoon dood, want wat moet ik ermee? I don’t know. Maar ik wil wel een kind, ooit.’
Houd je je moeders mogelijkheid van een donor open?
‘Niet echt, al vind ik het tof dat ze het heft in eigen hand heeft genomen. Ik dacht eigenlijk altijd dat mijn ouders een relatie hadden toen ze mij verwekten, maar die relatie kwam pas later. Dat was wel een beetje bizar om te horen. Als ik achtendertig ben en geen man heb, móét ik misschien wel op zoek naar een donor. Maar ik zou het niet snel doen. Het lijkt me gek om zomaar van een vriend een kind te nemen. Mijn ideale volgorde is toch eerst een relatie en dan een kind. Als de relatie strandt, ga je verder als co-ouders. Ik hoef mijn kind niet per se samen op te voeden, maar ik zou toch wel graag met liefde beginnen.’
Was je liever uit verliefdheid ontstaan?
‘Dat kan ik niet tegenspreken, nu je het zo vraagt. Ik had het toch leuker gevonden als ik spontaan was verwekt in plaats van zo beredeneerd. Misschien ben ik toch een romanticus. Ik ben niet per se op zoek naar de liefde, maar het is wel een ervaring die ik zou willen hebben.’
Ze slaat haar lange benen over elkaar. ‘Het komt wel als ik een leuk iemand ontmoet, en volgens mij gaat het dan vanzelf. Ik ben ook gewoon een sociaal mens. Laatst stond er ‘einzelgänger’ als kop boven een interview met mij. Daar was ik niet zo blij mee, want ik ben geen kluizenaar die mensen haat. Eigenlijk ben ik allebei: een einzelgänger én gezellig.’ Zacht: ‘Iedereen wil toch gezellig zijn?’


