Jeroen Willems: ‘Ik ben soms best goed.’

door

Jeroen Willems (1962-2012) overleed gisteren plotseling aan een hartstilstand. In 2008 werd hij geïnterviewd door Ingrid Harms over zingen en acteren. Hij vertolkte toen een van de hoofdrollen in La Commedia van Louis Andriessen. ‘Ik wil iets toevoegen dat blijft, tot het einde toe.’ (TdG)

————————————————————————

Foto: Jeroen W. Mantel

Naast elkaar zitten ze aan de piano, de docente en de leerling. Ze kijken nog eens goed naar de listige noten van de componist. Het is 9 april, eind van de middag. Hond Sanka soest in de zon op de vensterbank, doof voor de klanken die Marjanne Kweksilber (sopraan) en Jeroen Willems (acteur-zanger) naast haar produceren. Na de kleine ademoefening (‘denk aan je afzetplekken: middenrif en borstbeen. Vergeet je rug niet, de onderkant van je longen’) komt Kweksilber, die leukemie heeft, even terug op de tijdelijke ‘verwarring’ die haar een paar weken eerder trof en waarover ze de vorige les vertelde: ineens was ze haar spraakvermogen kwijt, en dat dagen lang. ‘Of het nu de leukocyten waren of een virus, in elk geval zei de MRI-scan, iets drukte op mijn hersenen. Af en toe zoek ik nog naar een woord, maar ik voel me nu uitzonderlijk helder,’ zegt ze en ze pakt meteen de les weer op. Willems strekt zijn rug en concentreert zich op de ‘Wraak’-aria uit La Commedia, de nieuwe opera van Louis Andriessen. Hij vertolkt daarin de gevallen engel Lucifer, een van de hoofdrollen. Voor het eerst oefenen ze met de cd waarop de orkestrale begeleiding staat: heftig en complex.

Willems, onzeker: ‘Ik ben bang dat ik straks niet boven het orkest uitkom. Dat volume haal ik niet.’

Kweksilber, geruststellend: ‘Jij bent je eigen klankkast, net als de bas of de cello. Je hoeft niet de hele ruimte te vullen. Neem je vrijheid en de adem die je nodig hebt. Niet duwen. Het gaat hartstikke goed. Denk aan de klinkers, met je tong. Los de kaak. Laat je boventanden zien. De medeklinkers komen er vanzelf wel uit.’

Anderhalf uur later nemen ze afscheid. Willems gaat voor een korte vakantie naar Spanje en belooft flink door te studeren. Zeker vijf keer per dag de hele partij. Eén keer spreken, één keer zingen. Het was zijn op een na laatste les. Marjanne Kweksilber stierf op 12 mei.

Willems (Heerlen, 1962): ‘De dag daarvoor heeft ze me gebeld. Ik was in München, voor Twee Stemmen (zijn internationaal bekroonde solovoorstelling, oorspronkelijk uit 1997, waarmee Willems nog steeds over de wereld reist – IH). Het speet haar vreselijk dat ze haar werk niet kon afmaken. Ze voelde zich heel verantwoordelijk. Ik wist niet goed hoe afscheid te nemen zo aan de telefoon, en toch was het goed en geruststellend. Terug in Amsterdam sloeg ik de krant open en las in de overlijdensadvertentie dat ze al helemaal weg was, in besloten kring gecremeerd. Haar herdenkingsbijeenkomst was vier uur lang indrukwekkend liefdevol.’

Tellen

Zo’n vier jaar geleden kwam hij bij de sopraan op les, ter voorbereiding van Inanna, een ZTHollandia-productie, geregisseerd door Paul Koek. Muziek: Louis Andriessen, tekst: Hal Hartley, hier vooral bekend als maker van arty films. De Eastcoast Amerikaan ensceneert nu La Commedia (gebaseerd op Dantes La Divina Commedia), op film én live, voor het Holland Festival en De Nederlandse Opera, speciaal voor de zaal van Carré.

Willems: ‘Marjanne en ik konden meteen goed met elkaar overweg. Ik vond mezelf vaak lui, maar daar had ze geen problemen mee. In haar lessen combineerde ze op een goede manier de dingen die ik op de toneelschool ooit leerde: zorgen dat je spieren ontwikkeld raken zodat je daarop kunt vertrouwen. Je ademhaling zo goed mogelijk op de juiste plek zien te krijgen. Ze was heel goed in expressie, je gezichtsspieren laten voelen. Voor mijn Monteverdi-Orpheus-project was ze geweldig. Heel vreemd dat ze er niet meer is en de première van La Commedia niet zal meemaken. David, haar zoon, is musicus en speelt er ook in mee.’

De muziek van Andriessen, zegt hij, ‘daar moet ik hard aan werken. Het is ontzettend oppassen en tellen. Je denkt: nu weet ik waar een rust komt en dan komt ie net niet. Marjanne en ik hebben ook echt gepuzzeld op de noten en de sleutels. Het is heel spannende muziek om te zingen, ik voel me er wel verwant mee. Lekker om te doen. Het is ook fantastisch om door Louis gevraagd te worden voor zijn nieuwe opera. Twee en een half jaar geleden belde hij me op. Ik hoefde niet lang na te denken.’

Foto: Jeroen W. Mantel

Jeroen Willems is acteur, maar het zingen is nooit ver weg geweest. Bij Theatergroep Hollandia (het latere ZTHollandia) waaraan Willems van 1988 tot 2003 verbonden was, werd ‘theater voor de oren’ gemaakt. Met de muziek die er klonk én de muzikaliteit in de tekst. ‘Onze artistiek leiders, Paul Koek, slagwerker, en Johan Simons, die ooit danser was, kwamen uit een muzikale wereld. Allebei geen regisseurs bij wie een sterk psychologische benadering voorop stond. Daar hebben we elkaar ook in gevonden. Het echt durven opzoeken wat je puur muzikaal allemaal met een woord, zin, hele monoloog kunt. Dat was telkens een expeditie. Ik herinner me dat ik in een van de eerste monologen die ik deed met een hoge falsetstem ging spreken. Hoe dat werkte! Dat dat kon. Dat je via vorm nog directer een kern kunt raken. In Boeren sterven (1988) heb ik voor het eerst gezongen, het ‘Dies Irae’ uit het Requiem van Fauré. Met die hele hoge toon. Als ik de kans krijg, zing ik. Sentimenti, de laatste voorstelling waarin Johan, Paul en ik samenwerkten (2003; Simons ging daarna naar NTGent, Koek richtte zijn muziektheaterensemble Veenfabriek op, Willems werd freelancer – IH) was met veel Verdi en echte operazangers. Aan het eind heb ik ‘Addio del passato’ gezongen, uit La Traviata. Op mijn manier natuurlijk. Dat vond ik geweldig om te doen. Eng, zeker. Maar het moest. Ik had het eerlijk gezegd als voorwaarde gesteld. Ik wilde niet alleen de verteller zijn, ik wilde ook zingen. Ik vind het bijna frustrerend als ik in een muziekvoorstelling of opera gevraagd word voor de vertellende rol. Dan weet ik al dat ik alleen maar denk: meedoen, dat wil ik!’

Misdienaar

Ja, hij was misdienaar, vroeger, in Heerlen. En hij zat als jongen in een koortje. Thuis werd ook gezongen. ‘Ik kom uit een muzikale familie, vooral mijn moeder, voordrachtskunstenares, is erg van zingen. Ik zie ons nog voor me: mijn broer op de blokfluit, ik op de gitaar, mijn ene zusje met de harp, het andere achter de piano, iedereen zingend, mijn vader en moeder incluis. Een tijdje hebben we als familie gemusiceerd en gezongen. Mijn oudere zusje en ik hadden jammer genoeg ook last van een soort puberale opstand daartegen, tegen dat gezin zo samen…’ Hij trekt een vies gezicht. ‘Wij wisten niet dat het van zo korte duur zou zijn.’ Mooie herinneringen bewaart hij aan de zomervakanties in Frankrijk. ‘Mijn oom was pastoor en had een kerk annex cultureel centrum gebouwd in Alpe d’Huez. De kerk waar de wielrenners altijd langskwamen en die dan ook het perscentrum van de Tour was. We hebben er verschillende muzikale opvoeringen gedaan. Mijn vader, die dramadocent was, regisseerde er ook muziektheater, echt op de omgeving geschreven. De hele familie van moeders kant kwam daar ‘s zomers. Net een reünie. Echt op zangles ben ik niet gegaan. Wel zes jaar pianoles en tien jaar klassiek gitaar.’

In het laatste jaar vwo meldde hij zich bij alle toneelscholen aan. ‘Ik dacht na vijf afwijzingen: misschien moet ik toegeven dat ik dit niet kan. Maar twee maanden later wist ik heel zeker: het zal toch echt moeten. Het conservatorium en het zingidee, waar ik wel even naar gelonkt had, waren uit mijn hoofd weg. Ik heb me nooit kunnen voorstellen dat ik dat zou zijn: zanger. Toneel was dichterbij, ik wilde de regie/docentenkant op, ja, in het spoor van mijn ouders. Het was me vertrouwd. Het boeide me ook.’

‘Ik wil minstens zo genieten als degene die er naar kijkt.’

Hij moet nu echt even roken. Na zijn eerste haal vervolgt hij: ‘Mijn vader was de jongste van veertien kinderen en ging als eerste dood. Ik was veertien. Mijn zangstem heb ik van mijn moeder, het uiterlijk van mijn vader, Kees. In de familie zeiden ze: “Je bent de nieuwe Kees.” Verongelijkt zei ik dan: ik ben Jeroen. Ik had geen zin om de jonge uitgave van mijn overleden vader te zijn. Achteraf bezien lijk ik graag op hem. Ik zie hem als bijzonder, al heb ik te weinig van hem meegemaakt. Dat is zo zonde. Ik had behoorlijk wat van hem kunnen leren. Hij had altijd honderden ideeën en probeerde ze uit ook. Een poëet, Bourgondiër, inspirator. Nog steeds spreken mensen over de onuitwisbare indruk die hij naliet.’

20 mei, 14.00 uur. In de grote studio van De Nederlandse Opera is een van de wanden afgedekt met een wit doek. Ervoor staan vier forse monitoren opgesteld. Achter de regietafel kijkt Hal Hartley, als altijd in smetteloze lichtbruine Timberlands, spijkerbroek, hemd en jasje, naar de zwart-witte filmbeelden die hij, als onderdeel van decor en enscenering, met de zangers en figuranten maakte. Daar is Willems weer, alias Lucifer, zoals hij op een vroege ochtend eind maart rokend, eenzaam en ongemak oproepend in een Amsterdams café voor de lens zat. Even later zien we hem, gefilmd in de bovenfoyer van de opera, als de verlopen gangster Cacciaguida dronken fulmineren tegen het verval van Florence en iedereen die groter is dan hij. Een orkest verzeilt in een opstootje, mensen maken ruzie op het strand, een vrouw wordt aangereden. Intrigerend. Terwijl Hartley de beelden in de gaten houdt, vraagt hij sopraan Claron McFadden (Beatrice) en mezzo Cristina Zavalloni (Dante) traag over het rondlopend rooster op de vloer te bewegen. De assistent-dirigent slaat de maat, de pianist zet in, Zavalloni zingt, dansant en fluisterzacht, McFadden schrijdt zwijgend over wat straks, in juni, de pisterand van Carré zal zijn. Lucifer, in donkergrijs, blauw hemd, zwarte das en zwarte Italiaanse schoenen, houdt hen vanaf een verhoging in de gaten en sluipt dan naderbij. De regisseur zegt niet zo veel. Hij wil het drietal vooral door de ruimte zien bewegen. Dan concentreert hij zich op Deel III van La Commedia: Lucifer. Willems grijpt in immense transparante plastic ballen (Tranen? Zielen?), klemt er een vast en zingt Vondels Lucifer-strofen, getiteld ‘De Wraak’. Zijn blik is duivels duister. De regisseur knikt. ‘Good.’

Foto: Jeroen W. Mantel

Maar Willems is ontevreden. Met name over zijn zangprestaties. ‘Ik voel me nog totaal verloren en sta steeds te persen. Ik moet mezelf ergens doorheen zien te meppen.’ De assistent-dirigent stelt hem gerust. Dat komt wel goed. Wél wil hij wat accenten, tonen en medeklinkers doornemen. Sommige woorden moeten meer jazzy en de medeklinkers moet hij beslist wat nadruk geven. De pianist, ervaren begeleider, spreekt hem bemoedigend toe. McFadden heeft deze repetitiemiddag niet veel te doen. Als de regisseur even met de videotechnici overlegt, grijpt ze haar kans en zet een Monteverdi-partituur op de piano. Zavalloni is er meteen bij en wenkt Willems: doe nou mee! Hij durft niet echt. Heel even maar komt hij er zachtjes in. De dames weten van geen ophouden. Hartley schudt het hoofd, genietend. ‘I love this job,’ zegt hij en dan rondt hij af. De muzikale ondersteuners gaan nog een klein uurtje door met Willems. Hij moet Andriessens ritmische notatie niet te letterlijk nemen, zich niets van het orkest aantrekken, niet schromen de adem en de tijd te nemen die hij nodig heeft. Willems peinst. ‘Net wat Marjanne zei. Alleen moest ik van haar juist op de klinkers gaan zitten. Nu ja, we zien wel.’ Hij kijkt nog even rond in de lege studio. Zorgelijk: ‘Ik heb geen idee wat het wordt. In elk geval een gevecht tegen de gigantische filmprojecties.’

De wereldpremière in Koninklijk Theater Carré is op 12 juni. Meteen de volgende dag beginnen de repetities van Quartett, Heiner Müllers bewerking van Les liaisons dangereuses. Spel: Jeroen Willems en Barbara Sukowa, onder regie van Barbara Frey, het succes van de Salzburger Festspiele 2007. Vanaf donderdag 19 juni, de avond na zijn laatste Commedia, is het tijd voor verrukking en vernietiging in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Willems: ‘Het wordt wel zwaar, overdag repeteren en ‘s avonds de opera. Quartett hebben we vorig jaar hooguit acht keer gespeeld. Die tekst zit niet zo vast. Is nog niet ingedaald. Daar moet ik goed naar kijken. Dus daar ben ik mee begonnen.’

Dromen

Vijf jaar geleden verliet Willems ZTHollandia en de mensen met wie hij sinds 1988 aan een indrukwekkend oeuvre had gebouwd. Sindsdien werkte hij nog wel met Paul Koeks slagwerkgroep Track voor zijn Monteverdi/Orpheus-avond in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw in de serie ‘De keuze van de acteur’ (nog te beluisteren via ‘Uitzending gemist’, Concertzender, 9/12/06 – IH). Een ‘hartverscheurende en troostrijke’ belevenis die dit jaar met Pasen werd herhaald in Leiden. Willems’ donkere ogen glanzen. ‘Monteverdi en Orpheus: twee dromen die ik al lang koesterde, maar nooit durfde waarmaken. Dat zou ik toch nooit kunnen. Ineens besloot ik om het gewoon te doen. Liefst met Track. Ik vind slagwerkers geweldig. Daar kan ik niet genoeg van krijgen. De concentratie van die musici… In Leiden was de voorstelling gecombineerd met een diner. Orpheus en al dat eten, dat klopt in wezen niet, vond ik. En toch kwam het wonderbaarlijk goed bij elkaar, zeker ook door kookkunstenaar Amaro. Als verrassing heb ik toen bij het dessert een toetje verzorgd, “Emozioni”. Daar heeft Marco Borsato ooit de Soundmix Show mee gewonnen. Het leek me wel wat, na al dat drama van dood en die niet terugkerende geliefde. De mensen waren er kennelijk aan toe. Er zaten natuurlijk al wat glazen wijn in, maar ineens, het was heel grappig, gingen ze uit hun dak en ben je even popsterretje. Dat vind ik leuk. Ik ben aan het nadenken weer iets met mijn Brel-voorstellingen te doen. Ook over zingen als vorm. Ik kan er echt genot aan beleven.’ Hij heeft net een nóg heftiger, gruiziger Italiaans liedje gevonden, uit de jaren zestig. ‘Weer met zo’n gebroken stem. Zal het ook goed doen.’

Fun

Zijn veelgeprezen Brel-cd beluistert Willems ‘niet vaak, bijna niet, nooit eigenlijk’. Net als met Monteverdi: sinds hij er een programma van gemaakt heeft, niet meer. De laatste tijd luistert hij ‘ineens heel veel’ naar Schubert: ‘Ik ben nu aangeland bij Renee Fleming. Als ik dat hoor, denk ik: dan wil ik nu dit. Zo werkt het wel bij mij. Mijn fantasie is al op hol, het idee ligt bij Paul Koek en ons eerste gesprek erover hebben we inmiddels gehad.’

Ook met ‘oudere toneelbroer’ Johan Simons gaat Willems weer samenwerken. ‘Na vijf jaar niks met hem. Ik was echt weggegaan. Ik wilde ook weg. Ik zag het niet als een pauze, maar als weg. En dan kun je elkaar altijd wel weer tegenkomen. In januari gaan we voor het eerst iets doen. In München, met een aantal Duitse acteurs. Hij wordt daar in 2010 intendant, een grote meneer.’

Foto: Jeroen W. Mantel

Spijt heeft hij nooit gehad van zijn vertrek bij ZTHollandia. ‘Het moest gebeuren. Toen ik wegging, zat ik er zestien jaar. Ik wist wel dat ik een onbekende weg ging bewandelen, ik had ook geen plan en nog steeds heb ik dat niet duidelijk voor ogen, maar ik moest op eigen wieken vliegen. Dat is met vallen en opstaan gegaan, natuurlijk. Af en toe is het ook heel eenzaam. Dat je artistiek niet dat vanzelfsprekende gesprek hebt met een aantal mensen, vind ik nogal eens moeilijk. Ik zoek dat elders wel, kom heus ook mensen tegen met wie dat gaat, maar de vertrouwdheid waaraan je zo lang gebouwd hebt, ben je kwijt. Ik heb het in eerste instantie ook bewust niet bij mijn oude collega’s gezocht, want daar wilde ik juist even van weg. Bij de familieachtige groep rond de Zwitserse regisseur Christoph Marthaler, met wie ik gewerkt heb, vond ik het deels wel. De laatste tijd trek ik weer meer naar mijn Hollandia-collega’s: Jacqueline Blom, nu bij het RO Theater, Elsie de Brauw en Betty Schuurman die met Johan zijn meegegaan naar Gent.’

Enthousiast: ‘Als Johan naar München gaat, wordt het spannend bij NTGent. De leiding komt dan meer in handen van een acteursgroep. Dat vind ik wel goed. Toneelgezelschappen zijn de laatste jaren wel heel erg regisseurshuizen geworden. Ik vind dat er soms te veel eer naar de regisseur gaat. Spelers hebben ook een grote verantwoordelijkheid, daar wordt echt meer van verlangd dan loopjes uitvoeren. We bedenken, maken en creëren mee. Ik zou overigens ook niet anders willen. Vaak word je na de première een beetje aan je lot overgelaten en verwacht iedereen wel dat je het niveau behoudt. Prima. Graag. Ik heb het er met andere acteurs over gehad: dat moeten we meer laten horen. Dat we medemakers zijn. Ik wil zelf ook meer gaan regisseren. Omdat ik vind dat ik het moet doen en denk dat ik daarin wat kan betekenen. Ik zit in een ingewikkelde fase als acteur: enerzijds wil ik graag dat men mij om de oren slaat en me zegt hoe het anders zou kunnen, maar een heleboel accepteer ik niet meer. Laat mij maar even iets zelf uitzoeken. Ik weet het echt wel beter. En dat maakt mij niet de makkelijkste voor een regisseur. Dat realiseer ik me wel, maar ontkom er soms niet aan. Al zal ik eerst alles uitproberen wat hij of zij wil. Ik wil meer fun hebben. Niet altijd die zware projecten uitkiezen. Ik moet vooral iets luchtigs doen. Zingen: ja. Maar ze zullen mij bijvoorbeeld niet voor Het Schaep met de vijf poten vragen, bij wijze van spreken. Het zou goed voor me zijn meer in dat genre te werken. Ik heb ook aanbiedingen van een paar gezelschappen die mij “voor vast” willen. Daar denk ik in alle ernst over na. Omdat ik het natuurlijk ook wel heel erg mis.’

Kras

Muzikaal, prestigieuze prijzen, veelgevraagd, bijzondere producties, mooie recensies. En toch lijkt Willems bijna nooit tevreden over zijn prestaties. ‘Het is ook voor mezelf heel lastig,’ zegt hij, bijna deemoedig. ‘Ik wil minstens zo hard genieten als degene die ernaar kijkt. Toch heb ik niet het gevoel dat het onoprecht is, hysterisch of koket. Ik zoek naar mijn grenzen en heb erg de neiging mezelf te relativeren. Toen ik van de toneelschool kwam, dacht ik het niet langer dan een jaar of tien vol te houden. Ik houd me er al twintig jaar mee bezig. Maar de twijfel is er altijd. Helaas. Niet omdat ik bij uitstek perfectionistisch ben. Ik houd van de kras, niet van het perfecte. Ik wil iets toevoegen dat blijft, tot het einde toe. En dat is iets anders dan vers en fris. Maar je geluk mag er niet van afhankelijk zijn, vind ik. En deels ook wel. Laatst in München zag ik de mensen weer heel anders en blij de zaal uitkomen. Aan het applaus kwam geen einde. Het was de avond na het telefoongesprek met Marjanne. Ik voelde me vreemd. Jeroen, sprak ik mezelf toe, probeer hier een beetje geluksgevoel aan te ontlenen. Het is ook bijzonder, steeds opnieuw gevraagd te worden met een voorstelling van elf jaar oud. Zelfs nu vind ik het bijna eng om te zeggen: ik ben soms best goed. Alles is betrekkelijk. Over twintig, dertig jaar, als ik dit beroep niet meer uitoefen, wat is dan mijn gevoel van eigenwaarde? Vanaf de toneelschool, met het docententeam dat je op kwetsbare leeftijd dingen zegt, over je uiterlijk, je talent en die je persoonlijk diep raken, tot aan de dag van nu: elke dag valt het oordeel. Goed / niet goed. Dat is gevaarlijk voor jezelf, je gevoel van eigenwaarde. Dat blijft een gevecht.’

 

————————————————————————

 

Hal Hartley. Filmmaker, regisseur ‘La Commedia’

‘Jeroen is twee personages: Lucifer en Cacciaguida. De laatste is als die gangster, heet hij niet Holleeder? die betere tijden gekend heeft. Ik heb Jeroen in Inanna gezien en was erg onder de indruk. Ik wilde hem voor mijn nieuwe film, maar daar is het nog altijd niet van gekomen. Nu werk ik voor het eerst echt met hem. Heerlijk. Hij heeft een ongelooflijke verbeeldingskracht, is heel fysiek in zijn spel. In de eerste repetitieweken moet ik me op veel dingen concentreren, maar ik houd steeds één oog op hem gericht. Hij is continu bezig, probeert van alles uit. Zo kom ik ook op ideeën. Hij brengt zijn hele zelf mee. Dat ken ik niet, ben ik niet gewend van acteurs. Maar hij is natuurlijk zelf ook maker.’

Louis Andriessen. Componist ‘La Commedia’

‘Zowel Jeanette (Yanikian, zijn vrouw, gestorven op 6 februari 2008 – IH) als ik zijn fan van Jeroen sinds Hollandia, die magische verbintenis van Simons en Koek. Jeroens spel deed mij denken aan dat van Baal: grotesk, ironiserend. Een afstandelijke aangrijpende toneelstijl. Ik vond hem wel de meest malicieuze van de acteurs. De kwaadaardigheid die hij uitstraalt is gespeeld, uiteraard, in het dagelijks leven is hij een beminnelijk mens. Ten tijde van Inanna, dat ik met Hal Hartley voor ZTHollandia heb gemaakt, spraken we over Commedia. Het was toen al duidelijk: dat moest met Jeroen, mijn geheime Italiaanse wapen Cristina en daar bovenop Claron. Van Jeroen gebruik ik zijn dark side en zijn scherpte. Bij mij gaat hij door merg en been, door hart en ziel, die snijdende stem. Als hij Brel zingt, is hij aardiger dan als Lucifer. Ik weet nog dat hij hier de trap afliep, lang geleden, ik was nog aan het schrijven en hij zei: maak het niet te makkelijk. Dat heb ik niet gedaan. Hij is drie Lucifers in de grote monoloog. De eerste, van De Wraak, klinkt als Ernst Busch, zanger van Eisler en Weill: boosaardig en gedecideerd. De tweede is die van Adams Val: luchtiger, alles is aanstellerij, met toch een Busch-achtig slotje. De derde is heel traag, zachtjes, verleidelijk, geparfumeerd. De gemeenste van de drie. Jeroen was de ideale protagonist voor dit werk.’

Paul Koek. Musicus/regisseur, Ex-Hollandia/ZTHollandia, nu artistiek leider Veenfabriek Leiden

‘Wat meteen opviel: Jeroens muzikaliteit, in het gebruik van zijn stem. Zowel in klank als timing. Hij is zeer geïnteresseerd in de essentie van muziek. Als ik bijvoorbeeld Schönberg liet horen, stelde hij de lastigste vragen. Wilde weten, begrijpen: welk moment moet ik horen? Wat moet ik horen? Hoe moet ik horen? Zingen wilde hij. De vreugde spatte eraf. Zijn ambacht is toneelspelen. Zingen is een uiting waarmee hij iets heel anders moet aanraken. Daarin ondervindt hij geen belemmering van de wetten die hij kent. Hij durft gewoon. Van toneelspelen wordt hij ongelukkig. Hij focust zich op de mindere momenten. Dat kan heel vervelend zijn. Ook voor de andere makers. Met zingen is het luchtiger. Voor De Perzen heb ik een tekst van Xerxes voor hem op noten gezet, in een te hoge falset. Hij zong het. Een stuk van meer dan een kwartier, uit zijn hoofd. Exact. Echt nergens ernaast. Heel knap.’

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.