Lanoye, Hemmerechts & Brusselmans: ‘Wij zijn neerlandofiel’

door

Eerst was er een portaal geweest, toen een deur met camerabeveiliging. Op de eerste verdieping had een stevige deur iets open gestaan en konden we door de kier een glimp opvangen van een schuw iemand. Was dat Herman? We hadden toch afgesproken? De schim had de deur iets geopend, fotograaf en journalist binnengelaten en direct was de deur weer achter ons gesloten.

Foto: Jasper Zwartjes

We bevonden ons nu in een loft-achtige ruimte. Thuis bij Herman Brusselmans. De schrijver met de mooie stijl en de scherpe toon. De aandoenlijke man die de wereld moeilijk lijden kan. De man die snel een beetje bang kan zijn en die zijn vrouw liever op huwelijksreis zag gaan met haar moeder.

In Gent heeft hij rond zich een cocon gebouwd die maakt dat hij zich kan concentreren op kleine worstelingen die almaar grote romans opleveren.

Het gaat niet zo goed. Sinds zijn grote liefde Tania hem heeft verlaten, verkeert Herman in een impasse. Hij heeft erover gedacht om iets, tja, te dóén. Zijn haar afknippen of zo. Of verhuizen. Ooit woonde hij aan de overkant van de straat, hij zou nu wel een stukje verderop kunnen gaan wonen.

Trouwens, Herman hééft iets gedaan: hij heeft een katje genomen. Seinfeld.

In de ruimte staat een kooi. Die is voor als het hondje er is. Het hondje woont in Tania’s huis, maar soms moet Tania uit werken gaan en dan moet Herman de hele dag op de hond passen. Het katje gaat dan in de kooi, want die twee samen, dat gaat ook al niet goed.

Antrax

Nu komt vriend Tom binnenvallen, met de mededeling: ‘Ik moet eerst pissen.’ Hij kijkt dan toch nog eens de ruimte rond en ziet het katje.

‘Huisdieren.’ Slagerszoon Tom Lanoye spreekt het uit alsof hij het over antrax heeft.

Herman stoeit door met Seinfeld. ‘Wat is dat? Wat is dat? Is het opeens druk hier? Krijg ik kusjes? Krijg ik kusjes? Kusjes. Druk hè, man, druk. Ja, het is druk. In de neus bijten, ja, in de neus bijten.’

En tegen het bezoek: ‘Fantastisch hè, die kleine diertjes.’

Spelen, spelen. Herman is de hele nacht op en een kat is een nachtdier, hè. Wat Seinfeld het leukst vindt, is over het toetsenbord van de computer lopen. Hermans volgende roman zal iets later verschijnen dan voorzien.

Luid fluitend komt Tom Lanoye terug van de wc.

Hij gaat dan ook maar wat stoeien met het katje.

‘Is het een meisje?’

‘Nee, een jongen. Van de week moeten z’n ballen d’r af, hè.’

Slecht onderwerp. Beter met hun rappe tongen de Hollanders wat plagen. Laat nou net het Nederlands voetbalelftal een dag eerder op de kloten hebben gekregen. De grappen vliegen door de ruimte.

Foto: Jasper Zwartjes

De zoon van veehandelaar Brusselmans en de zoon van slager Lanoye komen beiden uit het Waasland, de streek direct ten oosten van Antwerpen. Hun spraak wordt gekenmerkt door een lange, half nasale a, die erg lijkt op de a van het Zuid-Afrikaans. Vandaar dat Lanoye – die een paar maanden per jaar in Kaapstad woont – denkt er nooit meer van af te komen. Wanneer ze samen zijn, stapelen ze grap op grap op grap. Er is slechts een ding wat de vrienden elkaar níét gunnen: het laatste woord.

Stampij maken

Als Kristien Hemmerechts iets later arriveert, wordt terstond besloten af te dalen naar het café een verdieping lager. Daar is het ‘koffie all around’, behalve voor Lanoye, die een cosmopolitan bestelt.

Ja mensen, de sfeer zit er meteen in.

Ik heb de drie bij elkaar geroepen omdat ik benieuwd ben naar hun ervaringen van de afgelopen dertig jaar. Begin jaren tachtig kwamen ze de literatuur binnen swingen. De Angry Young Belgen Herman en Tom stonden in de bundel Mooie jonge goden. Kristien – ‘Daar waren alleen mánnen in opgenomen!’ – Hemmerechts stond in de erop reagerende bundel Vrouwentongen.

Behalve natuurlijk dat ze alle drie ‘nog zo mooi’ zijn, ziet Hemmerechts meer gemeenschappelijkheid. Ze hebben alle drie literatuur gestudeerd en: ‘Ik denk dat wij drieën onszelf hebben uitgevonden. Wij traden niet in iemands voetsporen. We pasten niet in een traditie.’

Er was ook geen duidelijke generatie voor hen. Ja, je had de ’68-ers met hun air van ‘wij hebben de maatschappij opnieuw uitgevonden’. En de Zeventigers in Nederland. Je bedenkt het niet, zegt Lanoye, maar de Vlaamse Zeven­tigers noemden zichzelf ‘de stille generatie’. Nou, niemand die dát tegensprak. De literatuur was suf en lag op zijn gat. En was statig en serieus.

Lanoye: ‘Het klinkt nu bijna raar om te zeggen, maar wij waren er niet vies van om in de media te komen. Net met de opkomst van talkshows, media en interviews begonnen Herman en ik stampij te maken. En Kristien kwam met haar ”een vrouw kan ook schrijven” én met boeken die dat ook bewezen. Redelijk snel heeft ze toen ook de Staatsprijs gekregen.’

De rust in de letteren was verstoord. De drie sterke, jonge persoonlijkheden mengden zich in elk debat.

Karel Appel-gevoel

Brusselmans: ‘Tom was een performer. Hij was een vedette binnen de Universiteit van Gent. Hij trad daar ook op. Die houding stond mij aan. Ik dacht: dat is wat literatuur ook moet zijn. Ik had ook het beeld van dat suffe voorleesgedoe, van “de dichter leest nu voor uit zijn bundel…”‘Hemmerechts: ‘Sáááái!’Brusselmans: ‘Tom, dat was cabaret, dat was stand-up comedy, dat was noem maar op. En ik dacht: als dát literatuur is, dan wil ik het ook wel doen.’

Hemmerechts: ‘We communiceerden. We hadden het besef: ik moet de mensen wel raken. Je hebt ook dichters die vinden: ik ben zo’n groot genie in mijn ivoren toren, en de wereld moet maar dankbaar zijn voor mijn fantastische, geniale werk.’

Na enkele jaren lukte het hen min of meer om van de pen te leven. Hemmerechts geeft ook les op de universiteit, is moeder en oma. De andere twee hebben geen kinderen. Brussel­mans heeft nog altijd het Karel Appel-gevoel van ‘ik doe maar wat’. Elk jaar verdient hij genoeg om het uit te zingen en aangezien hij de hele dag maar ‘wat zit rond te suffen’, maakt hij niet veel op.

In de jaren negentig kregen jullie te weinig erkenning van de literaire kritiek. Jullie hebben ook nauwelijks grote prijzen gewonnen. Waarom?

Brusselmans: ‘Wij hadden een slechte naam. Wij waren de schuimbekkende generatie. Wij deden onnozel op tv.’

Lanoye: ‘Op een bepaald moment had ik “buitenliteraire elementen” ín mijn boeken. Dat kan toch helemaal niet?’

Hemmerechts: ‘Ik denk dat de generatie na ons de literatuur en zichzelf weer veel meer au sérieux neemt, échte literatuur wil. Wij hebben eigenlijk nooit échte literatuur bedoeld. Nu steekt het idee weer de kop op van: mooie zinnen, nadrukkelijk literaire zinnen, en zo. Ik denk dat geen van ons drieën zich daar ooit aan bezondigd heeft.’

Lanoye: ‘Je kunt dat toch ook niet zeggen van Dimitri Verhulst, Bart Koubaa.’ Hemmerechts: ‘Erwin Mortier doet dat toch wel.’ Lanoye: ‘Ja, maar Godenslaap is wel een meesterwerk.’ Hemmerechts: ‘En Van Reybrouck.’Brusselmans: ‘Stefan Brijs, da’s echt literair, hè. Maar je moet rekenen, met z’n drieën hadden we ook een zekere aantrekkingskracht. Je had: de hetero, de homo en de feministe.’ Lanoye: ‘De heilige drievuldigheid. Dat is het geheim van onze generatie! Noem nog eens drie mensen die je zo kunt noemen.’

Dat ze niet op hun mond waren gevallen maakte ze verdacht in de verheven wereld van de letteren, die in België wat deftiger was dan in Nederland.

Waardering vanuit Nederland was er eerst wel, toen weer niet en nu weer wel. Begrijpen jullie dat?

Brusselmans: ‘Dat gaat met golven. In Neder­land zijn de Belgen soms in de mode en dan weer niet.’

Hemmerechts: ‘Ja, we worden telkens weer opnieuw ontdekt.’

Brusselmans: ‘Maar ik vind dat we niet moeten klagen. In Nederland is in wezen veel meer belangstelling voor alles wat Vlaams is dan omgekeerd. Ronald Giphart, Joost Zwagerman, die worden hier totaal niet gewaardeerd. Maar nu, met het Boekenweekgeschenk…’Lanoye: ‘Ja, ik ben een establishment-figuur geworden. Ik ben de verrader.’

Brusselmans: ‘Hij is ge-ar-ri-veerd!’Lanoye: ‘Ik ben die welwillende homo. Mij durven ze iets minder te discrimineren dan een hetero en een feministe.’

Hemmerechts: ‘Als ik in Nederland kom – ik zit daar nu aan de VU – dan is het van: u bent toch wel een van de bekendste en belangrijkste schrijvers. Hier behandelen ze mij als een loslopend…’Brusselmans: ‘Da’s die Vlaamse identiteit.’

Lanoye: ‘Jij bent zo krachtig geweest, Kristien, dat je hier een icoon bent geworden. Jij bent een literaire Jane Fonda in Vlaanderen.’

Achterlijk

Ook als het over de statuur van collega Hem-merechts gaat, weet de immer ongedurige Lanoye het gesprek weer binnen enkele wendingen in een lange zin te brengen naar een politiek-sociaal onderwerp als het Belgische boerka­verbod. Hemmerechts: ‘Vlaanderen is rechtser dan rechts.’

Brusselmans, op z’n droogst: ‘Kristien, jij hebt het over rechts of conservatief Vlaanderen. Ik zou het eerder het áchterlijke Vlaanderen noemen.’

Lanoye: ‘Oké, ik pas. Give me another one! Give me a cosmopolitan.’Brusselmans: ‘Mensen kunnen hier nog heel achterlijk zijn. Bij mij is het: ”o, die van kut en lul”. Ge schrijft vijftigduizend bladzijden, en nog altijd is het: “Ik heb nog nooit een boek van jou gelezen, maar gij zijt toch die van dat poepen, hè.”‘

Hemmerechts vult snel aan: ‘Poepen is hier neuken.’

Brusselmans: ‘Tom, jij krijgt haatmail van “Vuile Jeannet!” Dat komt niet van intelligente mensen. Bij mij is het: ”die met die lange haren, met zijn puistenbakken en zijn schijten”. En bij haar is het: “die feministische trut die waarschijnlijk nog nooit is klaargekomen…” Ach nee, ik citeer nu uit mijn eigen oeuvre!’

Tom Lanoye en Kristien Hemmerechts proesten het uit.

Brusselmans: ‘Excuseer, in mijn veertiende boek heb ik dat op een blauwe maandag per ongeluk geschreven.’

Foto: Jasper Zwartjes

Ik vind het raar om van jullie te horen dat men in Vlaanderen nog achterlijk is. Jullie zijn toch op allerlei gebieden Nederland voorbij? Jullie samenleving is kosmopolitischer, jullie hebben de echte problemen, maar ook de geweldige muziekscene, het theater floreert…

Brusselmans: ‘Pas op, Sander! Als ik zeg achterlijk, dan is dat niet tegenover Nederland. Je kan in Nederland op plaatsen komen waar ze nóg achterlijker zijn dan in Vlaanderen. Wij komen niet alleen op universiteitscampussen, hè. Ook in een bibliotheek in Puppingedam, waar zes oude dames op de eerste rij zitten, die dan na twee minuten voorlezen alle zes weggaan.’

In de jaren negentig hadden Vlamingen een overdreven belangstelling voor de grachtengordel. Het was een soort vermenging van opkijken en dan zeggen: ‘Zie die arrogante Hollanders.’

Lanoye: ‘Dat is de essentie van elk minderwaardigheidscomplex. Bewondering en haat tegelijkertijd.’

Hemmerechts: ‘Nederland, dat was de norm. Daar keek je tegen op.’

Lanoye: ‘Nederland was een beter België. De generaties voor ons móésten opkijken naar Nederland alsof het daar wél goed pratende übermenschen waren.’

Hemmerechts: ‘Je werd opgevoed met het idee dat je tegen ze op moest kijken: men praatte beter, men schreef beter. Alles was er meer en beter. En wij moesten onze taal altijd maar bijschaven naar het beeld van het Nederlands. Dat is helemaal omgeslagen. Nu heb je hier een enorm cultiveren van de eigen streektaal. Vlaanderen heeft zich echt afgekeerd van de grote broer.’

Lanoye: ‘Nederland is, ik zal niet zeggen in mijn achting gedaald, maar… Vroeger was het heel belangrijk in het toneel om te passeren via Amsterdam. Eerst daar, en daarna ging je naar Europa. Op dit moment begin je in Vlaanderen en dan ga je naar Europa, en laatste stop – áls het al lukt met de commerciële instellingen – is Amsterdam. Dus mijn grote liefde Nederland – want dat is het wel als we eerlijk zijn: wij houden toch van Holland? Afijn, ik toch alleszins.’

Brusselmans: ‘Ik ook.’

‘Mijn grote liefde Nederland!?’

Lanoye: ‘Ja.’ Brusselmans: ‘Ja, van mij ook, mij ook.’

Lanoye: ‘Nederland is echt een grote liefde.’

Brusselmans: ‘Wij zijn neerlandofiel, absoluut.’

Dit, beste lezer, is geen scherts. Deze Vlamin­gen spreken zich bloedserieus uit.

Lanoye: ‘Maar dat gaat gepaard met een minderwaardigheidscomplex, met schelden enzovoorts. Afgunst kán liefde zijn.’

Brusselmans: ‘Maar mijn achting voor Neder­land is gedaald. De achting voor Nederland is mondiaal gedaald.’

Lanoye: ‘Ons beeld was té groots. Wij keken alleen naar de grachtengordel.’

Brusselmans: ‘Nederland was: vrije drugs, vrije liefde.’

Lanoye: ‘Gidsland, hè.’

Brusselmans: ‘Nederland is nu: Wilders.’

Lanoye: ‘Wat mij de ogen opende was: die rare Balkenende kwam terug van een of andere top met twee trofeeën: Europa mocht niet meer de Europese vlag gebruiken en er mocht geen Europees volkslied komen. Twee symbooltjes die werden gevierd als een overwinning! Echt zielig. Zelfs onze nationalisten zijn vóór Euro­pa.’ Hemmerechts: ‘Aan de andere kant, wat Wilders wil bereiken met die hoofddoek, dat is bij ons al lang een feitelijkheid. Je mag aan een loket niet een hoofddoek dragen. Leerlingen mogen in de klas geen hoofddoek dragen.’

Lanoye: ‘Zeg Sander, waarom ben jij eigenlijk zo verbijsterd als wij zeggen dat we neerlandofiel zijn?’

Nou, wij zijn toch helemaal niet… we zien er niet uit, we praten te hard, op straat zijn we agressief en we denken dat we overal recht op hebben.

Brusselmans: ‘Jij woont midden in Amsterdam. Je moet eens meer naar het platteland gaan.’

Lanoye: ‘Ik heb in de Boekenweek een tour door Nederland mogen doen, dat was zó ontnuchterend. In Vlaanderen is er inmiddels een vadsigheid aan het groeien van: wij hebben Nederland voor niets meer nodig, wij zijn ze voorbij gestoken. Maar de literatuur, de hoeveelheid schitterende boeken… En ik weet dat de klad erin zit, maar dan nog: jullie komen uit een hoogconjunctuur, jullie behoren internationaal nog altijd tot de top! Wat er tijdens die Boekenweek gebeurde: in heel het land, de leesclubs, de bibliotheken, de mooie boekhandels – dan smelt mijn hart toch wel weer van Nederlander-liefde. Echt waar, hoor.’

Hemmerechts: ‘Kom Sander, gooi eens een nieuwe vraag op tafel! Een intelligente dit keer.’

Gegniffel

Bij gebrek aan zo’n intelligente vraag komen we te spreken over het ouder worden. Hoe ervaren de drie schrijvers het dat hun lezers en critici jonger worden? Hoe is het om een jongere dokter te hebben en op jongere politici te stemmen? Kristien valt op dat jongeren het wiel opnieuw uitvinden en dan trots denken dat ze de eerste zijn. Warempel, ze zegt: ‘Ik als oudere vind dat de wijsheid van oude mensen zwaar onderschat wordt.’ De paar tellen stilte die hierop volgen voelen ongemakkelijk aan. Heeft ze dat nou echt gezegd?

Brusselmans: ‘Ónderschat?’Beetje gegniffel.

Hemmerechts: ‘Ónderschat, ja. Men onderschat de ervaring van oudere mensen. Een dertiger denkt niet dat iemand van mijn leeftijd seksuele ervaring heeft.’

Brusselmans: ‘Ik vind de jeugd heel, héél, egocentrisch maar ben daar niet gefrustreerd door. Ik denk niet van: stómme jonge mensen.’

Hemmerechts: ‘Sander, vind je het oubollig als ik zeg dat de wijsheid van oude mensen onderschat wordt?’

Ja.

Lanoye: ‘Mag ik nou eens iets ten voordele van de jeugd zeggen?’

Hemmerechts: ‘Maar ik ben echt pro-jeugd!’

Lanoye: ‘Ik ben jaloers op mensen die nu jong mogen zijn. Als je sterk in je schoenen staat en nieuwsgierig bent, dan is het een gewéldige tijd. Maar voor wie die kracht niet heeft, is het een verpletterende tijd. De eisen zijn zo hoog. Je moet op zo veel verschillende terreinen volgen.’

Hemmerechts: ‘Ik heb wel het gevoel dat voornamelijk mannelijke jonge dertigers een gigantische geldingsdrang hebben. Dat had jij ook. Die moeten alles voor hen wegschoppen, die moeten ruimte hebben.’

Lanoye: ‘Zeg, je gaat toch niet zeggen dat jij geen geldingsdrang had! Kristien, jij hebt geeneens testosteron nódig om geldingsdrang te hebben.’

Tom, heb jij minder geldingsdrang?

Lanoye (gebeten, strijdlustig): ‘Dan wat? Dan wie?’

Dan twintig jaar geleden.

Lanoye: ‘Ik denk het niet.’

Hemmerechts: ‘Maar ik heb het nooit zo gevóéld alsof ik geldingsdrang had.’

Iedereen kijkt haar zo verbaasd aan dat ze in de lach schiet.

Lanoye: ‘Kunnen wij een leugendetector aanzetten? Ik denk dat jij méént wat je zegt, maar het is evidently niet waar, schat, komaan!’

Herman komt terug van een sigaretje roken. Over geldingsdrang kan hij niet goed praten, dat is iets voor als je niks aan je kop hebt. Hij zit in een moeilijke, persoonlijke situatie en dat overheerst zijn manier van schrijven, zijn manier van leven. Hij is alleen nog bezig met ‘mijn wijf is weg’.

Brusselmans: ‘Zij hadden het over jonge mensen. Maar ik ben nu zo voor driekwart vrijgezel en ik date vaak met jonge… meisjes eigenlijk. Omdat ik erop val. Het is fantastisch met drieëntwintig-, vierentwintigjarige meisjes ergens naartoe te gaan, te praten, en dat duurt zo twee, drie weken. Ik amuseer me daarmee en dan heb ik het gehad, hè. Dan denk ik: fuck off! Ik houd het niet meer vol, en dat is gewoon door het leeftijdsverschil. Ze weten niks, hè. Ze weten níks gewoon.’

Waarom dan geen oudere vriendin?

Brusselmans: ‘Omdat ik fysiek val op jonge vrouwen, hè.’

Hemmerechts: ‘Dus tussen ons zal het niks worden, Herman?’

Brusselmans: ‘Vroeger wel, Kristien, maar het is te laat. Jij wou met die fuckin’ Herman de Coninck. Toen wel, hè, maar jij was zot van Joost Zwagerman en alles. Dan stond je weer te muilen op tournee. Maar: soit.’

Impotent

De grappen blijven komen, hoe neerslachtig Herman ook is. Tom en Kristien doen hun best hem op te beuren. Tom vertelt dat hij altijd met het gevoel heeft geleefd dat alles nog moet beginnen. Dat helpt niet. Herman zegt droef: ‘Bij mij is het echt: ik heb het gehád.’Hemmerechts: ‘Maar dat is een fáse, Herman.’

Lanoye: ‘Absoluut, Herman, da’s een fase waar je doorheen moet.’ Hemmerechts: ‘Ik heb een leuke vriendin die een vent zoekt.’

Brusselmans: ‘Ja, wie?’

Hemmerechts: ‘Een soprane. Ze houdt veel van seks!’

Brusselmans: ‘Maar ik ben impotent, Kristien.’

Foto: Jasper Zwartjes

Hemmerechts: ‘Je bent… impotent?’

Brusselmans: ‘Ja, ja, ik ben impotent. Sémi-impotent.’

Lanoye: ‘Hoe bedoel je nou: semi-impotent?’

Brusselmans: ‘Die is al halfstok, hè Tom? Zo: halfstok.’ Herman houdt een gekromde wijsvinger in de lucht. ‘Twintig jaar drie pakjes sigaretten en dan is het halfstok, hè jongen.’

Hemmerechts: ‘En viagra, helpt dat niet?’

Brusselmans: ‘Ja, maar die bijwerkingen!’

Lanoye: ‘Wat zijn de bijwerkingen?’

Brusselmans: ‘Woa! Ik heb hier in december in mijn marcelleke (een onderhemd, SP) op het terras gelegen omdat ik een lichaamstemperatuur van 68 graden had.’

Tom hangt dubbel in zijn stoel om de openhartige Herman. Kristien kijkt… onbestemd.

Wordt je lichaamstemperatuur daar heel hoog van?

Brusselmans: ‘Ja, en een hartslag, niet te geloven.’

Lanoye: ‘Maar een erectie, hè, een erectie!’

Van een week!?

Brusselmans: ‘En wel gepoept, hè Tom.’

Lanoye: ‘Ja Herman, je moet er íéts voor over hebben!’

Brusselmans: ‘Da’s just.’Hemmerechts: ‘Maar kan je die aders niet laten ontstoppen, of zo?’

Brusselmans: ‘De aders in mijn dijen zijn al volledig gestent, maar je kunt moeilijk een stent in je lul laten steken.’

Lanoye: ‘Ik weet het niet. Ik zou het proberen, ik zou het proberen.’

Brusselmans: ‘Ik heb gewoon in mijn leven te veel gerookt en mijn aders zijn overal dicht, behalve rondom mijn hart, vreemd genoeg. Ik heb mij kapot gerookt, en nog.’

Hemmerechts: ‘Maar kan het op bed misschien ook op andere manieren…’Brusselmans: ‘Jawel, hè, ik ben de beste beffer van Vlaanderen. Da weet je toch wel?’

Lanoye: ‘Voilà: beffen. Dat moet die jonge vrouwen toch iets zeggen? Die staan voor jou toch in een rij?’ Brusselmans: ‘Kijk, van die jonge vrouwen met wie ik omga – en dat zijn er sinds Tania weg is ondertussen een stuk of twaalf à vijftien – is er geen enkele seksueel geïnteresseerd in mij. Ik ben voor hen de oudere man, de vaderfiguur. Daar kun je iets tegen kwijt. Ik drink niet, dus ik ben nooit zo dronken dat ik meisjes lastigval. Ik ben seksueel eigenlijk ongevaarlijk. Mede door het probleem van die semi-impotentie denk ik van: ja, het zal toch niet gaan, dus ik ga die niet lastigvallen.’

Zelfmoord

Herman is bezig aan een soort onemanshow over zijn eigen leven. Tot groot vermaak van de rest van de tafel. Het lijkt hem zelf ook goed te doen, de zelfspot en relativering. Verteld als verhaal is de werkelijkheid hanteerbaar.

Hemmerechts: ‘En wat voor vrouw heb je dan graag? Moet ze opgewekt zijn, moeten ze diep…’Lanoye: ‘Moeten ze neerslachtig zijn!?’Brusselmans: ‘Ze moeten ongelooflijk depressief… Ze moeten aan de rand van de zelfmoord zijn! Ze moeten het koord al in hun zak hebben, eigenlijk.’

Hoe ontmoet je die meisjes?

Brusselmans: ‘Wat ik vroeger totaal niet durfde: als ik nu een mooi meisje zie, ga ik er gewoon naartoe en zeg: “Mag ik uw telefoonnummer? Ik bel u vanavond om morgen iets te gaan eten.” Soms werkt dat.’

Kristien Hemmerechts moet even weg. Tom buigt zich naar Herman en zegt: ‘Maar Herman, zo’n massagesalon: voor je etalagebenen moet je je toch laten masseren? Of gaan die stents dan off?’

Brusselmans: ‘Die stents gaan los, natuurlijk. Die zitten dan in mijn billen en voeten. Of dan zit alles ineens in m’n nieren. Heb ik stents in m’n nieren!’

Lanoye: ‘Maar een massagesalon…’Brusselmans: ‘Wat ik overwogen heb, Tom, nu nog eigenlijk, maar ik durf het gewoon niet, is een hele goeie, dure callgirl.’

Lanoye: ‘Maar waarom zou je dat níét doen. Doe dat gewoon, Herman. Allez, moet ik eens komen helpen, enkel met bellen?’

Brusselmans: ‘Maar ik weet de wegen wel, hoe je die kunt bereiken.’

Lanoye: ‘En waarom niet, dan?’

Brusselmans: ‘Omdat ik een broekschijter ben, Tom, dat weet jij ook wel. Ik zou in mijn broek schijten, hè.’

Spreken over ouderdom, over het veranderende leven; Herman is er nog te droevig voor. Herman houdt niet van veranderen. Telkens vertelt hij weer over zijn vrouw en hoezeer hij emotioneel nog aan haar vastzit. Als Herman vertelt hoe zij hem nog dagelijks helpt ‘met eten en drinken, en wassen en plassen’, suggereert Tom toch nog eens de combinatie van een oudere vrouw en een soort verpleegster voor de seks: ‘Je weet het begin van Disgrace. Een van de eerste zinnen van Coetzee is: “Hij dacht dat hij het probleem van de seks had opgelost.” En dan gaat die professor naar de hoeren. Dat is wat ouder worden wel voor mij betekend heeft: ik heb een ongelóóflijk bevredigende relatie met René en wat seks betreft is dat zo helemaal open dat het uiteindelijk onbelangrijk geworden is. Ik ben nu bijna vijfentwintig jaar samen met René en dat wordt alleen maar intenser. Hoe ouder je wordt, hoe minder belangrijk dat probleem van die seks wordt. Je moet dat maar zien op te lossen.’ Hij voegt eraan toe: ‘Een lekkend dak is erger.’

Gepubliceerd op: | 1 Comment


  • http://twitter.com/joostcanters Joost Canters

    haha een fijn interview en ik wens Herman veel sterkte

© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.