Paul Auster: ‘Je moet in boeken en de liefde jezelf compleet uitleveren’
door Christine Otten
Paul Auster wil geen poppenspeler zijn die de baas speelt over zijn romanpersonages, nee, hij wil ‘naar binnen’. Schaamteloos. ‘Ik zoek naar intimiteit.’
Het ging vanzelf, dat schrijven in de je-vorm. Op een vrieskoude grijze winterochtend in januari 2011 noteerde de beroemde Amerikaanse auteur Paul Auster in zijn schrift: ‘Misschien kun je voorlopig beter even wachten met je verhalen en eerst proberen te onderzoeken hoe het vanaf het eerste bewuste moment van je bestaan tot de dag van vandaag is om in dit lichaam te wonen.’
Ruim een jaar later, op een zonnige dinsdagmorgen in mei, spreek ik Auster in zijn Amsterdamse hotel over Winterlogboek, dat net is verschenen in Nederland (in Amerika komt het pas in augustus uit). Een boek in de vorm van een lang gesprek met zichzelf, over zichzelf. ‘Alsof ik met een vreemde praatte, en zo voelde het ook. Want in wezen ben ik een vreemde voor mezelf, ondoordringbaar. De ik-vorm zou te exclusief zijn, alsof mijn leven zo speciaal is, de hij-vorm te afstandelijk. “Je” was precies goed. Ik presenteer mezelf als een gewoon iemand. Anybody. Ik geloof niet dat ik een buitengewoon interessant leven leidt. Natuurlijk zijn de ervaringen die ik beschrijf specifiek voor mijn leven, maar tegelijkertijd zijn ze universeel. Iedereen heeft angsten en pijnen, iedereen beleeft genot. We leven allemaal in een lichaam dat ten diepste mysterieus is. Vind jij je lichaam niet mysterieus?’
Verhoorkamer
Nog geen tien minuten is het gesprek gaande. We zitten in de bibliotheek van het Ambassade Hotel. Een kleine chique ruimte vol boeken en prachtige oosterse tapijten, maar zonder ramen. ‘Een verhoorkamer,’ zegt Auster. Eigenlijk is het een typische Paul Auster-locatie, want hij voert in zijn boeken vaker personages op die langere tijd achtereen in een afgesloten ruimte verblijven, liefst alleen. ‘I want my books to be all heart, all center, to say what they have to say in as few words as possible,’ stelde hij jaren terug in The Red Notebook, een ander autobiografisch werk, en in levenden lijve lijkt Auster hetzelfde te beogen. Alles wat hij zegt moet ertoe doen. Alsof hij geen tijd te verliezen heeft.
Dat maakt praten met Paul Auster (1947) fascinerend. Hij is gul in het delen van zijn overpeinzingen. Het is bijna alsof je je fysiek ín zijn boeken begeeft, alsof hij je medeplichtig maakt aan iets. Net als in zijn romans en verhalen (Orakelnacht, Onzichtbaar, Leviathan, De New York-trilogie), waarin de stem van de verteller altijd warm en melodieus is en getuigt van een diepe compassie voor de karakters, zo spreekt hij ook in het echt, met een laag doorrookt timbre, in meanderende zinnen waarin hij ter plekke zoekt naar antwoorden. ‘Waarom?’ is een verkeerde vraag om aan Paul Auster te stellen. ‘Waar, hoe, wanneer; daar kan ik mee uit de voeten. Maar ik weet nooit waarom ik aan een boek begin. Als ik dat zou weten, zou ik het waarschijnlijk niet schrijven.’ En net als in de meeste van zijn romans, die zelfs na een tweede of derde lezing nog mysterieus blijven, is Auster tijdens dit gesprek ook huiverig voor al te duidelijke verklaringen of waarheden over zijn nieuwste Winterlogboek, dat toch voor zich spreekt.
Want zelden was de schrijver zo schaamteloos openhartig over zijn leven, zijn liefdes, zijn jeugdige bezoeken aan prostituees, zijn mislukte eerste huwelijk, zijn paniekaanvallen na de dood van zijn moeder, zijn onmacht te rouwen, zijn adoratie voor zijn echtgenote (de schrijfster Siri Hustvedt), ouder worden, de dood…
Het grote lichaam
Winterlogboek is geschreven in lange lyrische zinnen die in hun monotonie iets bezwerends hebben. Heen en weer springend in de tijd. Totaal plotloos, maar eindeloos meeslepend. En centraal in elke herinnering en gedachte staat het lichaam van de schrijver.
Paul Auster: ‘In mijn laatste roman Sunset Park (2010), over de verstoorde relatie tussen een uitgever en zijn zoon, komt een jonge vrouw voor, Ellen. Ze wil zich ontwikkelen als kunstenaar en op een gegeven moment heeft ze het over het lichaam. “Het menselijk lichaam kent tal van geheimen en het onthult die slechts aan degenen die hebben leren wachten. Het menselijk lichaam heeft oren. Het menselijk lichaam heeft handen.” Enzovoort, enzovoort. Het eindigt ermee dat ze zegt: “Het menselijk lichaam moet aangeraakt worden – niet alleen kleine lichamen maar ook grote lichamen. Het menselijk lichaam heeft huid.” Op de een of andere manier bleef die lyrische passage in mijn hoofd spoken en nu ik erover nadenk, moet Winterlogboek toen geboren zijn.’
En ja, natuurlijk heeft het boek alles te maken met zijn vorderende leeftijd, de behoefte terug te kijken, de balans op te maken voordat hij de laatste fase van zijn leven ingaat. Vijfenzestig is Auster, zijn vader heeft hij al overleefd. ‘Het is een schok te bedenken dat mijn tijd langzaam op raakt. Maar ik probeer niet te bang te zijn voor de dood – wat waarschijnlijk gewoon ontkenning is – maar veel meer dan bang ben ik verwonderd over het ouder worden, over het leven. Want hoe in hemelsnaam heeft dat dit kleine jongetje uit New Jersey dat ik ooit was kunnen overkomen?’ Auster tilt zijn armen de lucht in, bekijkt zichzelf met verbazing. ‘Zullen we even buiten roken?’ vraagt hij terwijl hij een doosje Schimmelpennincks tevoorschijn tovert.
Ziel van de werkelijkheid
Het is mijn tweede ontmoeting met Paul Auster. Vier jaar geleden sprak ik hem toen hij in Nederland was vanwege het verschijnen van de roman Man in het duister (2008), die hij schreef naar aanleiding van de gewelddadige dood van de zoon van zijn vriend David Grossman, de bekende Israëlische schrijver. Toen zei hij: ‘Ik denk dat de roman een veel betere vorm is om de werkelijkheid mee te lijf gaan dan non-fictie. Omdat je in een roman kunt doordringen tot in de ziel van de personages. De roman is een van de weinige plekken waar twee volstrekte vreemden elkaar intiem kunnen leren kennen.’ Nu ligt er Winterlogboek, waarin geen enkele ervaring, gedachte of gevoel gefictionaliseerd is.
‘Dat is het moment dat de paniek je overweldigt, waarop je lichaam het begeeft en op de grond valt. Op je rug liggend voel je het bloed ophouden door je aderen te stromen, en je ledematen stukje bij beetje veranderen in cement. Dat is het moment waarop je begint te janken. Je bent nu van steen, en terwijl je daar in de eetkamer op de grond ligt, verstijfd, je mond open, niet in staat om te bewegen of te denken, jank je van angst, terwijl je wacht tot je lichaam verzinkt in de diepe zwarte wateren van de dood.’ (uit Winterlogboek)
‘Laat ik mezelf tegenspreken,’ zegt Auster. ‘Non-fictie kan dezelfde kracht hebben als een roman, maar het is zeldzaam. Ik heb mijn eigen esthetiek, ik weet wat ik met mijn werk wil bereiken en toen ik Winterlogboek schreef, was mijn aanpak niet wezenlijk anders dan wanneer ik aan een roman werk. Ik wil naar binnen. Ik ben niet geïnteresseerd in boeken waarin de schrijver als een poppenspeler de baas is over zijn personages en het verhaal. Dat heeft iets kouds en mechanisch. Ik zoek intimiteit. Winterlogboek is een heel naakt boek. Ik probeer niets te verbergen.’
Intimiteit
Al in 1993, toen ik nog worstelde met mijn eigen debuutroman, schreef ik Auster een brief waarin ik vroeg of ik met hem kon praten over zijn werk. Er was geen andere auteur die me zo inspireerde en met wie ik me zo verwant voelde. Door zijn thema’s: bijna al zijn hoofdpersonen zoeken hun fysieke en mentale grenzen op en verliezen zichzelf gaandeweg, ze nemen soms een andere identiteit aan. Maar het meest raakte me die intimiteit waarover Auster het nu heeft, die aanvoelt als een autonome kracht, en bijna los lijkt te staan van het verhaal dat hij vertelt.
Destijds schreef hij terug dat hij aan een roman werkte en ‘onzichtbaar’ wilde zijn. ‘Misschien ontmoeten we elkaar in de toekomst.’ Nu, ruim twintig jaar later, nu hij misschien wel zijn meest intieme werk tot nu toe heeft geschreven, komt het gesprek al snel op die andere autobiografische ‘meditatie’, zoals hij het zelf noemt, The Invention of Solitude (1982), over zijn vader die kort tevoren plotseling aan een hartaanval overleed en over wat het betekent schrijver te zijn. Auster: ‘Mijn vader was de grote afwezige in mijn leven, een onzichtbare man, ik kende hem amper. Met dat boekje wilde ik hem terughalen, suck back into life, en hem alsnog leren kennen. Eigenlijk was het een overdenking in hoeverre het mogelijk is werkelijk door te dringen in een ander mens. Al mijn latere romans en verhalen kwamen voort uit dat ene boekje dat ik dertig jaar geleden schreef.’
In Winterlogboek schrijft Auster uitgebreid over de periode die voorafging aan dat debuut. Hoe hij vastzat in zijn eigen leven, zijn werk. Net gescheiden, een zoontje van twee jaar, geen geld. Tot dan toe had hij alleen nog maar een paar gedichten gepubliceerd en recensies in kranten, hij woonde alleen in een krappe benauwde kamer. En dan op een dag nodigt een vriend hem uit om mee te gaan naar een dansrepetitie van een vriendin van hem, Nina W., zij is de choreografe. En terwijl hij naar de dansende lichamen kijkt, armen en benen die draaien en vallen en zwaaien, lichamen die elkaar raken, die bewegen zonder muziek, terwijl hij de geluiden hoort van stroeve voeten die over de houten vloer glijden, gebeurt er iets wat hij zijn leven niet meer vergeet. ‘
[…] op een bepaald moment begon er iets in je te openen, voelde je jezelf door de spleet tussen woord en wereld vallen, de kloof die het menselijk leven scheidt van ons vermogen om de waarheid van het menselijk leven te bevatten of uit te drukken, en om redenen die je nog steeds verbazen, vervulde die plotselinge val door de ledige, onbegrensde lucht je met een gevoel van vrijheid en geluk.’
Paul Auster zegt daar nu over: ‘Dat moment was bepalend voor mijn schrijverschap. Ik wilde dolgraag romans schrijven, vanaf mijn tienertijd wilde ik dat al, maar het lukte me domweg niet. Ik schreef gedichten, goede gedichten hoor, maar ze waren cryptisch, hermetisch bijna. Ik denk omdat ik probeerde waarheden over het leven te vangen. Uit steen gehouwen levenswijsheden om op terug te vallen. En op een of andere manier, toen ik die dansers zag, brak er iets open en besefte ik dat zulke waarheden niet bestonden en dat ik kon schrijven wat ik wilde, in welke vorm dan ook, en dat mijn teksten tegenstrijdig mochten zijn, net als ik zelf was. Kort daarna begon ik aan een tekst, White Spaces, ook een soort meditatie. I dedicate these words to the things in life I don’t understand. Dat schreef ik. De avond dat die tekst af was, stierf mijn vader.’
Goede moedermop
In Winterlogboek schrijft Auster uitgebreid over zijn moeder, die in 2002 stierf. ‘Schrijven over haar was een totaal andere ervaring dan schrijven over mijn vader. Zoals ik mijn vader juist in taal tot leven wilde wekken, zo moest mijn moeder eerst meer verdwijnen voordat ik over haar kon schrijven. Ze was alom aanwezig in mijn leven, tot het laatst toe. Een charismatische, gecompliceerde vrouw. Ze vertelde graag goede moppen – gek werd ik af en toe van haar – maar ik hield zielsveel van haar. In dit logboek beschrijf ik alle huizen en plekken waar ik ooit heb gewoond; maar mijn leven begon ín haar lichaam. In Man in het duister modelleerde ik al een personage naar haar, de zus van de hoofdpersoon, de oude schrijver August Brill. Natuurlijk gefictionaliseerd, maar net als mijn moeder ontroostbaar na de dood van haar tweede man die veel te jong stierf aan hartfalen. Als mijn stiefvader gezond was geweest, had haar leven er heel anders uitgezien. Zijn slechte gezondheid maakte heftige angsten in haar wakker. Ze had pech. Ze was voorbestemd tot betere dingen.’
Doordat Auster zich zo blootgeeft in Winterlogboek en zich niet beter voordoet dan hij is (ontroerend is het verhaal over de begrafenis van zijn vader, wanneer diens oud-collega Tom hem komt condoleren omdat hij wil laten weten dat zijn vader ‘een goed mens’ was. Maar een oom stuurt Tom weg omdat de plechtigheid ‘alleen voor familie’ is. Dat Auster toentertijd niet optrad tegen zijn oom, houdt hem nu nog soms uit de slaap), gebeurt er iets wat moeilijk te omschrijven valt. In Winterlogboek schrijft hij ‘je hebt er bewust voor gekozen iedereen te zijn, om iedereen in jezelf te omarmen teneinde volledig en vrijelijk jezelf te zijn, omdat wie je bent een mysterie is en je geen enkele hoop koestert dat het ooit wordt opgelost.’
Ik zeg hem dat het lezen van het boek is alsof je een glimp opvangt van de kern van het bestaan, het leven, niet alleen van dat van de schrijver. Paul Auster lacht en zegt: ‘Toen ik zeventien was, vroeg mijn vader waarover ik wilde schrijven. “Wat het betekent om te leven,” zei ik. Mijn theorie over liefde raakt aan die over schrijven. Ik geloof dat je iemand pas echt kunt liefhebben wanneer je bereid bent jezelf compleet uit te leveren. Als je niet bereid bent jezelf op te geven, zul je altijd opgesloten blijven en nooit door de barrière breken die jou scheidt van een ander mens. En áls je jezelf dan geeft, en die ander doet hetzelfde en geeft zich aan jou, dan ontstaat er iets wat niet meer jij is of die ander, maar iets nieuws. Dat onbenoembare “iets” is wat jou verbindt met de ander. Pas wanneer je jezelf helemaal verliest, vind je jezelf. Schrijven werkt volgens mij precies hetzelfde. De lezer moet zich openstellen. Maar als schrijver moet je je dus wel overgeven.’
Paul Auster, ‘Winterlogboek’, De Arbeiderspers, 191 pagina’s, € 19,95





