Zo dwalen gedachten
door Rob Schouten
Naarmate zijn dichterschap vorderde, kreeg de psychiater in Rutger Kopland het steeds meer voor het zeggen.
Zomaar een herinnering aan Rutger Kopland, op een dichtersfeestje. Een vriendelijk gesprek. Opeens passeerde de dichter Ilja Leonard Pfeijffer en hij verstarde, zei even niets meer. Pfeijffer had lelijk over hem geschreven en dat herinnerde hij zich precies. De man die zo’n vriendelijke en wijze indruk maakte, de dichtende psychiater wist heel goed wie zijn vrienden en vijanden waren. Hij kon ook best kwaad zijn, maar niet in zijn gedichten.
Hij debuteerde er in 1966 mee, midden in het seizoen der veranderingen, popmuziek rukte op, hippies en provo’s beklommen het toneel, de seksuele bevrijding kwam eraan, Nederland ontzuilde in rap tempo. Onder het vee heette Koplands eersteling, alsof Nederland weer terug werd gestopt in het boerenland dat het ooit was geweest, maar de geest was nieuw, teder en melancholisch jazeker, maar ook ironisch, anekdotisch. Geen ‘verheven’ poëzie: ‘De dichtkunst beoefenen is / met de grootst mogelijke zorgvuldigheid / constateren dat bijvoorbeeld / in de vroege morgen / de lijsterbessen duizenden tranen dragen / als een tekening uit de kindertijd / zo rood en zo veel.’
Koplands simpele geluid sloeg aan. In het schoolkrantje dat ik als Groningse middelbare scholier in die dagen las, schreef een enthousiasteling dat dit nou eens poëzie was die met de cynische en klinische wereld brak. Het paste bij ons gevoel dat de wereld er anders uit moest gaan zien. Zonder dat de dichter zich direct engageerde, hield hij onze verstarde beschaving tegen het licht, vonden wij. Oudere lezers van dat moment zullen er allicht een reactie op de Vijftigers of ander zwaarwichtig dichtersgedoe in hebben gezien.
Twee bundels later schreef Kopland zijn evergreen die opmerkelijk genoeg juist het verdorren der dingen bezingt: ‘Jonge sla’. Het is inmiddels stuk geciteerd en gebloemleesd, laat ons het met rust laten, maar dat iedereen het kent, zegt genoeg.
Allengs begon hij zijn debuut te ontstijgen. Steeds langer en weifelender meanderden zijn zinnen, steeds meer kwam het paradoxale karakter van onze gedachten, gevoelens en waarnemingen op het programma te staan. Je kreeg ook de indruk dat andersoortige dichters hem in zijn greep kregen, Pessoa uit het buitenland, Kouwenaar van eigen grond.
Ergens in de jaren tachtig waren Koplands gedichten van eenvoudige komaf complex aan het worden en leken zijn gedachtenkronkels, die aanvankelijk voor ‘poëzie van het kleine geluk’ doorgingen, steeds meer in de hermetische hoek te verzeilen. Dat stelde mij aanvankelijk teleur; waar was de dichter van de directe, pakkende regels gebleven, dat wat je herkende, de milde en huiselijke variant van seks, drank en rock-’n-roll: ‘Wat we mooi vinden, zonder cynisme, dat / is de liefde en het café achteraf.’
Later snapte ik dat het onvermijdelijk was; wie zoals Kopland de menselijke ziel in de poëzie ten tonele voert, moet na een tijdje wel laten zien hoe ingewikkeld het allemaal is, hoe onaf en recursief, hoe draaiend en vluchtend, zoals in ‘Die Kunst der Fuge’: ‘Zo dwalen gedachten, dwalen ze, zich herhalend / als beken door bergwei, altijd een beetje anders, // altijd een beetje hetzelfde, allemaal naar iets / verlangend, een ergens, elders, een herinnering / zoekend daar naartoe.’
Wat er in die latere gedichten enigszins afging, was de relativerende ironie, het werd een stuk ernstiger en bedachtzamer, allicht zoals de dichter zelf groeide, almaar dieper borend in het inzicht dat we niks weten.
Ik denk dat naarmate zijn dichterschap vorderde, de psychiater in Kopland het steeds meer voor het zeggen kreeg. De hoogleraar biologische psychiatrie die in zijn professionele leven slaap en dromen bestudeerde en onder meer de elektroshock herintroduceerde, als het ware om ons denken een stoot in de goede richting te geven, beschreef als dichter de menselijke onmacht om met al onze geestelijke en talige vermogens de problemen op te lossen. Zo bijvoorbeeld in het late gedicht ‘Oneindig veel problemen’:
Het is dus beter het woord probleem niet te gebruiken
want de problemen die er zijn en er niet zijn
zijn dezelfde.
Zo zou ik kunnen doorgaan tot ik ophoud.
Daar is veel voor te zeggen, niets daarna.
Dat is ook ironie en relativering, maar van een andere, diepzinniger orde. Met die onmiskenbare evolutie van jong gemak naar oudere ingewikkeldheid was Kopland misschien wel de meest ‘ontwikkelde’ dichter van zijn tijd.
‘Het gaat niet lang meer duren ‘
‘Ik ben gewoon uitgeteld,’ zei Rutger Kopland deze zomer tegen interviewer Daan Heerma van Voss, ‘het gaat niet lang meer duren.’Heerma van Voss verbleef enkele dagen bij de dichter in diens woonplaats Glimmen, in de provincie Groningen. Kopland was ernstig verzwakt. In 2005 was hij, na vermoedelijk een hartstilstand, met zijn auto tegen een boom gereden. Hij was gereanimeerd en had dagenlang op de intensive care gelegen. Zijn geheugen was beschadigd, het bewustzijn in de war en hij had enkele weken in een psychiatrische kliniek moeten doorbrengen.’
Na het ongeluk zijn de namen van bloemen, bomen en struiken weggeraakt,’ zei hij erover. ‘Dat is iets heel raars. Als ik door mijn tuin loop, denk ik voortdurend: hoe heet dat ook alweer? En dan komt er niets. Die kennis is naar de flodderbiesjes.’
Gedurende een aantal dagen liet de dichter Heerma van Voss toe in zijn leven. Ze bekeken oude foto’s en ongepubliceerde gedichten. Kopland sprak over zijn vak als psychiater, over het dichterschap en waar die twee in hem combineerden.
Volgende week in Vrij Nederland het hele interview.



