Het geluk van een parallellogram
door Arnon Grunberg
Recentelijk vroeg een vriend die ging trouwen aan zijn gasten of zij bij wijze van huwelijkscadeau iets wilden bijdragen aan de universitaire opleiding van zijn tweejarige zoon. Het ligt in de bedoeling dat de zoon in Amerika gaat studeren en onderwijs is daar duur.
Veel Amerikaanse ouders beginnen dan ook direct na de geboorte van hun kind te sparen voor de opleiding van dat kind en in sommige gevallen zelfs ervoor.
De vaak aanzienlijke economische investeringen in het onderwijs van onze kinderen, geeft aan hoeveel belang er in wordt gesteld. Vaak wordt het opgevat als sleutel tot opwaartse sociale mobiliteit. De overheid lijkt het belang van opwaartse sociale mobiliteit minder serieus te nemen. Het oude ideaal van de verheffing van de arbeider is in ongerede geraakt, maar veel ouders denken daar vermoedelijk anders over. Armoedebestrijding begint nu eenmaal met beter onderwijs. Deze kalenderwijsheid wordt niet alleen in Afrika verkondigd, maar ook in eigen kring serieus genomen. Kinderen die naar basisschool gaan, zullen niet beseffen dat ze al bezig zijn hun toekomstige armoede te bestrijden, maar als ik zo de ouders om me heen beluister, zouden ze in elk geval een vermoeden moeten hebben. Het verband tussen de huidige schoolprestaties en het werk dat later zal worden verricht en daarmee het inkomen dat zal worden verkregen, wordt regelmatig gelegd (‘Als je later astronaut wilt worden, moet je wel goed kunnen rekenen’). Wanneer ik mijn petekind voor de lunch afhaal van zijn school in de Amsterdamse binnenstad en zijn klasgenootjes naar buiten zie rennen, kan ik mij daarom dikwijls niet aan de gedachte onttrekken dat ik omringd word door jeugdige armoedebestrijdertjes. Een weemoedig besef, onderwijs als bezwering van het noodlot.
Volledig gebrek aan verwachtingen van de ouders kan uiteraard net zo fnuikend zijn als ouders die extreme ambities hebben voor hun kind. Maar doorgaans zijn ouders erop gebrand hun kind te laten excelleren.
Wraak op de meritocratie
Wanneer het kind telkens weer ondermaats blijkt te presteren bij diverse toetsen – scholen beginnen steeds vroeger met steeds meer toetsen – dreigt het ontsporen al op zes- of zevenjarige leeftijd. Ondermaats presteren wordt immers beschouwd als een ontsporing, al was het maar omdat het kind zich niet ontwikkelt conform de verwachtingen van de ouders. Het omgekeerde, dus een kind dat hoog presteert terwijl zijn ouders dat niet van hem verwachten, komt ook voor, al zal dat uitzonderlijk zijn. Om zich aan te passen aan de norm van zijn klas of zijn vriendjes kan het kind zijn prestaties als onwenselijk beschouwen. Het is niet verwonderlijk dat in een maatschappij die geobsedeerd is door veiligheid, het onderwijs er in eerste instantie op gericht lijkt te zijn al te grote ontsporingen te voorkomen. Er dient een bepaald percentage kinderen per jaar bepaalde resultaten te halen bij toetsen.
Regulier onderwijs is in het gareel lopen, dat wil zeggen dat de leerling zich op het gewenste moment bepaalde vaardigheden eigen maakt. De preventie van bedrijfsongelukken staat centraal in het onderwijs, kennisoverdracht is slechts een middel om aan dat bedrijfsongeluk te ontkomen. Een bedrijfsongeluk is een kind dat niet voldoet aan de eisen die de school waar het staat ingeschreven aan het kind stelt, zoals in een fabriek producten van de band kunnen rollen die niet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen en die daarom worden vernietigd.
Onze maatschappij is volledig gericht op prestaties en tegelijkertijd, een voorbeeld van extreme hypocrisie, worden wij officieel geacht ons niet al te zeer op die prestaties te laten voorstaan. Wij moeten veinzen dat de prestatie geluk was. Succes moet wel op een of andere manier een vorm van geluk zijn, anders hebben de niet-succesvollen het allemaal aan zichzelf te wijten en dergelijke ‘Amerikaanse toestanden’ willen wij voorkomen. Tegelijkertijd leven wij in de illusie dat omgevingsfactoren er niet toe doen. In Nederland zou iedereen gelijke kansen hebben, wat niet echt een adequate beschrijving van de werkelijkheid is.
Onze verhouding tot onze eigen prestaties is een dubbelzinnige. Aan de ene kant mogen wij niet onbescheiden overkomen en moeten wij niet vergeten dat wij ons succes aan anderen te danken hebben – denk aan de speeches bij de Oscaruitreikingen en wie daar niet allemaal bedankt worden, ook in Amerika houden ze niet van ‘Amerikaanse toestanden’ – aan de andere kant zijn wij ons bewust van mogelijke toekomstige wanprestaties en dienen wij alleen al daarom de huidige prestaties te relativeren. Denk aan de juichstemming rondom Bert van Marwijk twee jaar geleden en hoe hij tijdens het recente EK werd weggehoond. De Griekse goden mogen er niet meer zijn, maar het publiek dat spreekt door de monden van diverse commentatoren en columnisten beschouwt hybris nog altijd als een grote zonde. En het bestraffen van hybris is een vorm van leedvermaak, het is een verkapte wraak op de meritocratie. Niemand kan echt iets, er bestaan alleen zakkenvullers die veinzen dat ze iets kunnen.
Controle
In onze seculiere meritocratie heeft het kind – het is vaker opgemerkt – de plaats van God ingenomen. Aan het kind wordt alles opgeofferd. Niet alleen ten behoeve van het kind, dikwijls dient het de verwachtingen en dromen van de ouders waar te maken. Het kind is heilig en het moet ook te wijten zijn aan de heiligheid van het kind dat veel ouders als afgematte priesters door het leven gaan. Niemand had hun van tevoren verteld dat het offeren aan de goden zo veel werk met zich zou meebrengen.
Om voort te blijven bestaan dient een religie de gelovigen te controleren, zo ook de meritocratie. Controle gaat dikwijls gepaard met centralisatie en bureaucratisering. Wat ooit een zaak was van het gezin is een zaak van de school en van de overheid geworden. Toen ik in de jaren zeventig een zwemdiploma moest halen, was dat iets tussen mij en mijn moeder. Ik verzette mij tegen het zwemdiploma – het koude water beviel me niet – en mijn moeder brak mijn wil. Een zwemmeester in het Zuiderbad zei tegen haar over mij: ‘Daar zult u nog een harde noot aan te kraken hebben.’ Een zin die mijn moeder vaak tegenover mij herhaald heeft. Nu er niemand meer is om mij te kraken en ik het zelf moet doen, geef ik toe dat de zwemmeester gelijk had: ik ben een harde noot.
Ik sloot mijn lagere school af met één Citotoets – tegenwoordig wordt er al in de onderbouw om de haverklap getoetst – en in de jaren ervoor schreef de meester, meneer Geel, ik zat op een montessorischool, drie keer per jaar brieven aan zijn leerlingen waarin minstens zo diep werd ingegaan op emotionele ontwikkelingen als op vorderingen inzake het decimale stelsel.
Dikwijls begonnen wij de dag met een half uurtje yoga. Een aanzienlijk gedeelte van mijn lagereschooltijd heb ik op een matje gelegen, starend naar het plafond terwijl ik zogenaamde ontspanningsoefeningen deed. Ik ben er niet echt ontspannen door geworden, maar ik heb er ook niets aan overgehouden en aan meneer Geel bewaar ik de beste herinneringen. Niet dat ik hier de afgoderij van de nostalgie wil bedrijven, ik geef slechts aan, op grond van anekdotisch bewijs, dat onderwijs dat in de greep is geraakt van de angst voor het bedrijfsongeluk zelf één groot bedrijfsongeluk zal worden.
Hoe je overleeft
Reken maar dat ouders op dergelijk onderwijs – de ontwikkeling van het kind dient gestaafd te worden met harde feiten – anticiperen. Zo kun je nagaan welke school gemiddeld de hoogste resultaten haalt bij de Citotoets en je kind op die school doen in de hoop dat deze school het beste uit hem zal halen. Dit is niet onbegrijpelijk, maar het betekent wel dat de wat mij betreft intieme relatie tussen onderwijzer en kind a priori wordt gewantrouwd. Niet het oordeel van de onderwijzer telt, maar de resultaten van een gecentraliseerde test.
Zonder het belang van uniforme toetsen volledig te willen relativeren, kan men stellen dat zo’n toets uitgaat van een betrekkelijk benauwde kijk op kennis en kennisoverdracht. Het is maar de vraag of het grote belang van basisonderwijs werkelijk gelegen is in het bijbrengen van basisvaardigheden als rekenen, spellen en algemene kennis. Zeker ouders die hoge verwachtingen van hun kinderen hebben, zullen in staat zijn hun kinderen dergelijke vaardigheden ook thuis bij te brengen en thuisonderwijs is onder strikte voorwaarden legaal in Nederland. Het basisonderwijs onderricht vooral in wreedheid. Het kind moet zich in een groep zien te handhaven en overleven in een omgeving die vermoedelijk niet geneigd is het kind het voordeel van de twijfel te geven. In de meeste gevallen zal het thuis net iets ‘veiliger’ zijn dan op school. Door het aanleren van sociale intelligentie leert het kind eigen en andermans wreedheid reguleren. Nooit zal ik het intense genot vergeten dat het uitstoten van een kind uit de groep mij opleverde, en nooit zal ik de pijn vergeten die het uitgestoten worden veroorzaakte.
De essentiële vraag van het basisonderwijs is niet hoe je ’t kofschip toepast, maar hoe je overleeft in een groep die bereid is je te verscheuren als de kansen zich daartoe aandienen.
Ontwikkelingsgelijken
Wat kan het onderwijs nog meer, behalve het bijbrengen van enkele basisvaardigheden en het op min of meer beschaafde wijze aanleren van sociale intelligentie, waarbij de onderwijzer veeleer spelleider en scheidsrechter is dan leraar in de strikte zin van het woord? Om dat te onderzoeken besloot ik mij eens niet te richten op de achtergestelden, maar juist op hen die vaardiger zijn dan de gemiddelde leerling en die wellicht sociaal wat achterliggen.
Op een vroege donderdagochtend in juni meldde ik mij bij de Theo Thijssenschool in de Amsterdamse Jordaan om een dagje mee te lopen met de Day A Week-school, een buitenschools programma voor een dag in de week.
De Day A Week-school biedt, volgens de eigen website, onderwijs aan ‘excellente’ leerlingen, dat wil zeggen ‘kinderen die uitblinken qua prestaties en denkstrategieën’. ‘Zij komen één dag per week bijeen met ontwikkelingsgelijken van verschillende scholen,’ zo staat het er. Het is een uit Engeland overgenomen systeem waarmee nog tot 2013 in Amsterdam zal worden geëxperimenteerd. Daarna zal worden besloten of het experiment de niet-experimentele fase in mag gaan. Kinderen die meedoen, moeten in staat zijn het reguliere lesprogramma in vier dagen af te werken.
‘Waar kan ik Fransca Hoetink vinden?’ vraag ik aan twee juffrouwen. Ze wijzen naar boven. In een lokaal dat gebruikt wordt als mediatheek vindt de Day A Week-school plaats. Er staan computers, enkele boeken die inderdaad vooral informatief van aard lijken te zijn, bijvoorbeeld over geweld of over dolfijnen, en tafels en stoelen. Fransca Hoetink blijkt een aardige vrouw van eind dertig die tegen mij zegt: ‘Ik vind het eigenlijk het leukst als je gewoon meedoet. Ga erbij zitten en doe mee met de kinderen.’
Stiekem was ik ook van plan te doen alsof ik een excellente leerling ben. Een potlood en een opschrijfblokje heb ik meegenomen.
Zon + wind = weer
Juffrouw Fransca – nu ik mezelf ga voordoen als excellente leerling lijkt me dat de juiste benaming – legt spelletjes op tafel. Langzaam druppelen de kinderen binnen. Ze zijn tussen de acht en elf jaar oud. Veelal zijn ouders meegekomen. De kinderen met een ouder beginnen samen een spelletje te doen. Zo is er een spelletje waarbij je kralen van verschillende grootte in een ronde bak moet zien te krijgen. Als je het niet goed doet, houd je kralen over.
Ik heb geen flauw idee hoe het moet, maar gelukkig krijgen de vader en zoon die eveneens dit spel spelen het ook niet voor elkaar.
Het binnenkomen van de kinderen verloopt uiterst vredig en gedisciplineerd. Bijna geruisloos. Weinig herinnert aan het feit dat we op een school zijn. Wel valt het me op dat de meeste ouders niet met elkaar praten, maar dat heeft er natuurlijk ook mee te maken dat de kinderen van verschillende scholen komen.
Een meisje zegt: ‘Juf, mijn moeder is gevallen op de brug. Ik kon mijn huiswerk niet maken.’
De juf vindt dat geen probleem. We beginnen de les met het kijken naar een computer waarop live een vogel met haar jonkies in een nest te volgen is. Een jongetje houdt een presentatie over deze vogel. Hij spreekt over de vogel alsof hij haar al jaren kent en wekt de indruk dat hij het jammer vindt dat er naast vogels ook nog mensen op deze wereld rondlopen. Ik herinner me van mijn lagereschooltijd een clubje jongens die zich de ‘ornithologen’ noemden en die in hun vrije tijd vogels keken. Ik hoorde niet bij dat clubje, ik bekeek mensen in mijn vrije tijd. Pas in het lokaal van de Theo Thijssenschool dringt het tot me door dat interesse een afweermechanisme is tegen angst. Wie zich op vogels richt, kan mensen makkelijker vergeten.
Het huiswerk van de vorige week wordt behandeld. De juf schrijft in letters ‘twee + twee = vier’ op het bord en daarnaast ‘zon + wind = weer’. Elke letter staat voor een cijfer en het gaat erom uit te vinden welke letter voor welk cijfer staat. (Een mogelijke oplossing van twee + twee = vier: t=2; v=4; w=3; i=7; e=9; r=8; een mogelijke oplossing van zon + wind = weer: z=3; o=2; n=4; d=5; e=6; r=9; w=1; i = 3.) De meeste kinderen hebben de sommen goed, al hebben ze soms wel hulp gekregen van hun ouders. Ik begreep de oplossingen, maar was nog lang niet klaar met het oplossen toen de juffrouw begon met de uitleg.
Moordenaar
We gaan door met wiskunde. De juf tekent een vierkant op het bord. ‘Een vierkant,’ zegt ze, ‘kan op veel manieren in stukken worden verdeeld. Is de vorm van die stukken gelijk, dan noemen we ze congruente delen. Op hoeveel manieren kan een vierkant worden gesplitst in twee congruente delen, zonder rotaties en spiegelingen mee te rekenen? Haal een potlood en een geodriehoek en kleurenpotloden en kleur de vakjes in, dan zie je het beter.’
Ik sluit me aan bij de rij voor de geodriehoeken. De kleurpotloden deel ik met mijn buurman, een jongetje met steil haar. Ik kom tot twee oplossingen. Er zijn zes oplossingen. Ik staar naar het vierkant, maar ik zie het niet. Naast mij zijn ze al klaar. Ik gum en begin te zweten. Een journaliste van de Volkskrant biechtte in een artikel over de Day A Week-school op dat sommige van de opdrachten haar boven de pet gingen, maar ik ben geen journaliste van de Volkskrant, ik zit hier als excellente leerling.
Een meisje glimlacht mij vriendelijk maar ook met iets van mededogen toe. ‘Ik ken jou van mijn school,’ zegt ze. Ze noemt de naam van de school. ‘Ja,’ zeg ik, ‘daar zit mijn petekind op.’
De jongen naast mij zegt: ‘Vlees eten is moord op je geweten hebben.’ Ziet hij een vleeseter in mij of meer een moordenaar in het algemeen? Omdat het mij maar niet wil lukken – ik heb het vierkant slechts op drie verschillende manieren in twee congruente delen weten te splitsen, onderwijl beseffend dat ik het ruimtelijk inzicht heb van een peuter – begin ik een gesprekje met de vegetarische jongen: ‘Eet je wel vis?’
‘Dat moet wel,’ zegt hij. ‘Sushi is mijn lievelingseten.’ Hij zegt dat hij Swip heet en vernoemd is naar een kunstenaar. Dan komt de juf langs. Ik probeer mijn papier te verbergen. Tevergeefs uiteraard. Ik doe wat lacherig over mijn falen en mompel ‘moeilijker dan ik had gedacht’, zoals de volwassene die zijn wanprestaties charmant weet te camoufleren.
Na de wiskunde gaan we gelukkig iets doen wat mij meer ligt. We moeten op een papiertje zo veel mogelijk overeenkomsten tussen een fiets en een krant opschrijven. Daarna lezen we die hardop aan elkaar voor. Zo weet ik dat een fiets en een (opgerolde) krant allebei als wapen kunnen worden gebruikt en is zowel het besturen van een fiets als het lezen van een krant een vaardigheid die oefening vereist. De juf zegt dat het erom gaat op een dag in zo’n groep iedereen in iets te laten excelleren en daarbij kijkt ze me schalks aan. Ik vermoed dat ze me wil troosten.
Denkhoeden
In de pauze deelt de juf ontbijtkoek met me, want ik heb geen brood meegekregen. Een meisje eet pasta. ‘Ik houd niet zo van brood,’ zegt ze. ‘Daarom neem ik altijd pasta mee.’ De juf vertelt me discreet dat veel van de aanwezige kinderen op hun eigen school gepest worden omdat ze anders zijn.
Na de pauze doen we een proef met een kurk. Hoe komt het dat een kurk altijd naar de rand van het glas drijft, behalve als het glas helemaal vol is? De kurk wil naar het hoogste punt toe en alleen als het glas tot de rand toe is gevuld, bevindt het hoogste punt van het water zich in het midden van het glas. Weer iets geleerd.
In de middag komen de denkhoeden tevoorschijn. Denkhoeden zijn manieren van denken. Een gele denkhoed representeert positieve argumenten, een rode emotionele argumenten, een witte neutrale argumenten, feiten en cijfers, een zwarte negatieve, een groene creatieve en een blauwe denkhoed vat alle argumenten samen. De juf heeft denkhoeden bij de hand die ze fysiek kan opzetten, wij hebben denkbeeldige denkhoeden. We moeten met diverse denkhoeden discussiëren over de vraag of de Olympische Spelen naar Nederland moeten komen. De denkhoeden bevallen me. ‘Zet even je gele denkhoed op,’ klinkt aangenamer dan ‘doe eens even positief’.
Het valt me op dat kinderen veel makkelijker overweg kunnen met abstracties, het oplossen van wiskundige problemen, dan met nadenken over hypothetische maar concrete problemen als de voor- en nadelen van het organiseren van de Olympische Spelen. Een meisje wil weten of de juf vroeger ook hoogbegaafd was. Ze geeft een sympathiek maar ietwat ontwijkend antwoord. Een klein jongetje dat volgens de juf schaakkampioen is, kan de Olympische Spelen geen zier schelen. Hij zit over zijn papier gebogen en is maniakaal bezig een parallellogram in zo veel mogelijk congruente delen te verdelen.
Confrontatie met mezelf
Dat onderwijs meer kan zijn dan lessen in wreedheid en het bijbrengen van basisvaardigheden is me aan het eind van de dag duidelijk geworden. Juist omdat de Day A Week-school presteren anders definieert dan als in het gareel lopen en het je eigen maken van vaardigheden op door de overheid vastgestelde tijdstippen. Presteren wordt zo meer dan preventieve armoedebestrijding, het krijgt de frivoliteit die aan kennisverwerving moet kleven. Althans aan kennisverwerving die zich onttrekt aan het utilitarisme dat altijd weer antwoord verwacht op de vraag: wat heb je er later aan? Wat dat betreft is het jammer dat niet meer scholen voor deze aanpak kiezen, en zouden niet ook leerlingen die níét gekwalificeerd worden als excellent baat hebben bij een dergelijke aanpak?
Maar deze dag op de Day A Week-school was vooral ook een beangstigende confrontatie met mezelf. Al mijn prestaties en wanprestaties vergeleek ik met die van andere kinderen. Ook nu was ik niet werkelijk in de ban van een parallellogram, ik was uitsluitend gefascineerd door mijn medeleerlingen.
Toch lijkt me het jongetje dat geobsedeerd was door het parallellogram of het schaakbord autonomer en daardoor gelukkiger dan iemand die zich dwangmatig bezighoudt met andere mensen. Genoeg hebben aan het gezelschap van een parallellogram is een nastrevenswaardig ideaal.








