‘Het is alsof je tegen de lucht vecht’

door

Op zijn zeventiende ging Kevin C. Powers het leger in. In 2004 en 2005 diende hij in Irak, als machine gunner in Mosul en Tal Afar.

‘Het land zelf vecht terug, je voelt je daardoor weerloos’. Foto: Alex Lake

Voorafgaand aan onze ontmoeting moet ik het stellen met twee foto’s op knipsels. Het beeld: baard, motor en tatoeage. Ruige oorlogsveteraan, romantiseerde ik.

Hij oogt anders: een keurige jongeman met all-American-kapsel, solide blazer en beheerste, licht-Zuidelijke dictie. Slechts het ontbreken van sokken in de loafers – het is die dag uitzonderlijk warm – maakt hem iets losser. Maar zo gauw hij zijn mond opendoet, spreekt de voormalige militair in hem. Hij geeft adequaat, bondig en nuchter antwoord, met een voorkeur voor technische verklaringen – is het niet over de aard van de projectielen die hij afvuurde dan wel over literaire techniek. Aan speculatieve antwoorden begint hij niet. Anekdotiek is hem ook vreemd. Poseren, toneelspel, geveinsde emotie, snoeverij, zich ‘verkopen’ of gewoonweg ouwehoeren is er evenmin bij. Op tamelijk vlakke, op en top beheerste toon spreekt hij welwillend en volledig reactief. Geen spatje van de literaire vervoering en de fijnzinnigheid waarmee hij in De gele vogels schrijft over de getroebleerde soldaat Bartle.

Onoverwinnelijk
Dit is een van zijn eerste interviews, hij is daar merkbaar van onder de indruk en wil een goede, correcte, nette indruk maken. Zijn tatoeagecamouflerende jasje houdt hij aan, heet of niet. Alsof de soldaat tegen een officier spreekt.
Zijn antwoorden zijn aanvankelijk navenant. Ja, hij is altijd een fervent lezer geweest. Zijn moeder was ook een echte lezer. Wekelijks gingen ze naar de boekhandel en daar mocht hij een boek uitkiezen. Op zijn twaalfde waren dat de verzamelde gedichten van Dylan Thomas, hij begreep er niks van, maar de taal, ja: ongelooflijk.

Zeker, hij maakte aantekeningen tijdens zijn verblijf in Irak. Die indrukken kwamen in zijn dagboek. Niets daarvan belandde in zijn roman.
Absoluut, hij las oorlogsliteratuur voor hij soldaat werd. Op school. Voor de lijst. Hoe kon ik me daar iets bij voorstellen, zonder de echte ervaring, vraagt hij zich nu af. Misschien omdat hij zich toen jong en onoverwinnelijk voelde, zoals iedere adolescent.
Opmerkelijker is z’n passagegewijze duiding van het duistere gedrag van zijn drie belangrijkste personages. Dat verklaart hij liefst in technische schrijftermen. Alsof hij een wapen demonteert en weer in elkaar schroeft.

Pas bij de directe vragen over hemzelf neemt hij vrijaf van zijn taak.

Waarom ging u in dienst?
‘Het was eervol om te doen. Ik kom uit Virginia, een zuidelijke staat, en mijn familie telt van oudsher veel militairen. Mijn vader diende tijdens de oorlog in Vietnam, mijn oom deed dat, mijn grootvader vocht in de Tweede Wereldoorlog. Een kwestie van traditie en vaderlandsliefde, niemand van mijn familie maakte zijn carrière in het leger. Dienst nemen hoorde er gewoon bij. Ik dacht dat het iets heel opwindends zou zijn. Bovendien was er een praktische reden. Ik wilde studeren aan de staatsuniversiteit, maar dat is erg duur en het leger zou de studie betalen als je gediend had.’

U was zeventien toen u zich als vrijwilliger aanmeldde. Wat zeiden uw ouders?
‘Mijn moeder was niet opgetogen. Mijn vader ook niet. Maar hij steunde mijn besluit. Voor je dat doet, zei hij, moet je begrijpen hoe serieus het is. Het is niet alleen maar een avontuur, het is niet de padvinderij.’

Klopte dat? 
‘Het was erger: je moet constant op scherp staan. Anders overleef je het niet. Toen ik in Irak was, was het duidelijk dat je relatief veilig was op de basis. Ging je naar buiten, dan kon alles gebeuren. Je kon niet naar een café of winkel, je was constant in gevaar. Als een soldaat dat toch ging doen, wist iedereen hoe het zou aflopen. Je kon verbaasd en geschokt zijn over de vaart en de beestachtigheid waarmee hij vermoord werd, maar niet over het feit dat hij eraan ging.’

Was het een persoonlijke oorlog?
‘Het is zo zeldzaam dat je de vijand ontmoet. Alsof je tegen de lucht vecht: onze voornaamste wapens zijn bommen, je ziet de vijand dan niet eens. De vijand lijkt gezichtsloos. Het land zelf vecht terug, je voelt je daardoor weerloos.’

Kevin C. Powers. Foto: Alex Lake

Kan uw land deze oorlog winnen?
‘Ik weet niet wat winnen betekent. Hoe bepaal je wat een overwinning is? Die gedachte kwam in ons op omdat we daar steeds dezelfde taken moesten uitvoeren en we er het nut niet van inzagen. Misschien is het een overwinning dat Irak nu iets stabieler is dan toen ik er was. De vraag of we kunnen winnen, is irrelevant. Waar het om gaat is: wat hebben we daar te zoeken? Afghanistan is een ander geval. De terroristen die de Twin Towers aanvielen, waren in Afghanistan geweest. Maar de oorlog in Irak is een dwaling.’

Wanneer kreeg u dat door? 
‘Ik nam dienst vlak voor de oorlog uitbrak. Mijn motivatie was loyaliteit aan degenen met wie ik diende. Ik had een belofte gedaan dat ik ten oorlog zou trekken als dat gevraagd werd. Ik vertrouwde er in die tijd op dat mijn regering me niet zou sturen tenzij het nodig was. Dus ging ik.
Ik denk daar nu anders over. De verantwoordelijke politici waren dolgelukkig dat ze mij naar een slachtveld konden sturen, waar dat ook maar te vinden was. Ik hoop wanhopig dat ze dat deden omdat ze geloofden dat de zaak het waard was. Het is gruwelijk om je voor te stellen dat ze andere motieven hadden. Laat ik het erop houden dat Irak een beoordelingsfout was, op zijn minst.’

De loyaliteit die u net noemde, gaat in uw roman niet uit naar de officieren. 
‘Zij behoren tot een andere klasse. Die maatschappelijke scheiding tussen voetvolk en officieren werkt al door sinds de oprichting van het Amerikaanse leger. Officieren zijn toebedeeld met absolute macht, in de burgermaatschappij zijn ze ook altijd onze meerderen en de enige manier voor een gewone soldaat om zijn zelfrespect te behouden, is door dat arrogante echelon volledig te verwerpen, af te wijzen, ze ertussen te nemen.’

Beschouwt u uw ervaringen in Irak als een vormende ervaring die u scheidt van uw generatiegenoten die niet gingen? 
‘Ja. Ik ben vergeleken met hen voortijdig volwassen geworden. Ik acht niets meer vanzelfsprekend in het leven, je krijgt niets cadeau. Ik probeer aardig te zijn. Dat ervaar ik als iets positiefs. Ik doe vrijwilligerswerk in een veteranencentrum. Ik lees daar poëzie met ze, gedichten over de oorlog, gedichten van veteranen, gedichten die me dierbaar zijn. De genezende, vitaliserende kracht van taal, die nergens krachtiger is dan in poëzie, helpt ze hun ervaringen te verwerken. Ik merk daar dat er een onbenoembaar begrip bestaat tussen veteranen, uit álle oorlogen.’

Kevin C. Powers, ‘De gele vogels’, vertaling Peter Abelsen, Prometheus, 239 p., € 16,90

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.