‘Ik heb mezelf losgelaten’

door

In Anton Valens laatste roman, Het boek Ont, leren we ‘Man&Post’ kennen, een Groningse mannenpraatgroep waarbij de deelnemers elkaar van hun postprobleem afhelpen.

Het gaat om mannen die hun post niet durven openen. Het komt erop neer dat zo’n man zijn ongeopende post ter vergadering meebrengt, waarna een lotgenoot die post voor hem opent en bespreekt. De ironie: kort na publicatie ging Valens als postbode werken.

Het boek Ont verscheen in het voorjaar, kreeg lovende kritieken, beleefde verscheidene drukken (goed voor een paar duizend exemplaren), niets zou, na tien jaar schrijverschap, zijn doorbraak met dit vijfde boek in de weg kunnen staan. Genoeg reden om hem te interviewen, besloot ik. Maar Valens moest toen om gezondheidsredenen afzeggen. Het ging even niet zo jofel.

De schrijver nu, aan de schone keukentafel in zijn bovenwoning in nazomerend Amsterdam-Oost: ‘Ik had lang achtereen gewerkt aan dit boek, met een strakke planning om de Boekenweek te halen. Ik denk dat vermoeidheid me parten speelde, en het contrast dat je in je eentje werkt aan zo’n boek en dat het opeens in de openbaarheid komt, publiek bezit is en besproken wordt. Hoe dan ook, schrijven ging niet meer, schilderen ging niet meer. Ik wilde fysiek aan de slag – buiten zijn, dus vanaf mei jongstleden werk ik als postbesteller.’

Voor het afspreken moesten onze agenda’s scherp op elkaar worden afgestemd: Anton Valens (1964) werkt parttime als (fietsende) postbesteller, en daar is hij elke week van dinsdag tot en met zaterdag mee onledig. Die dagen zijn weg: ‘De bedoeling is dat je je post ophaalt tussen tien en één en als die vracht om vijf uur bij mensen in de bus ligt, is iedereen tevreden. Alleen: om tien uur is die post zelden gesorteerd. Morgen (we spreken elkaar op de vrije maandag, JV) kan ik daardoor pas om half twaalf beginnen. Ik heb twee vaste wijken, in de Rivierenbuurt. Een wijk is in deze terminologie een stuk straat. Of twee straten, met nog een zijstraatje erbij. Die ene is een grote wijk, de Vechtstraat – daar ben ik zeker twee uur mee bezig. Met die andere een uurtje, denk ik. Tussentijds moet je natuurlijk die postzakken weer gaan ophalen. Maar het grote voordeel van dit werk blijft: je neemt het niet mee naar huis.’

Dat was wel anders bij een eerdere betrekking van Valens, die hij literair gestalte gaf in z’n debuutroman Meester in de hygiëne (2004) en Dweiloorlog. Verhalen over oude mensen (2008): de thuiszorg. Tien jaar deed hij dat werk, van 1992 tot 2002.

U voltooide de opleiding schilderen aan de Rietveld Academie. Daarna werd u toegelaten voor een vervolgstudie aan de Rijksacademie. Hoe verzeilt een beeldend kunstenaar in de thuiszorg?
‘Uit bittere noodzaak, ik moest geld verdienen. Ik wilde weg uit de pompeuze sfeer van de Rijksacademie en me nuttig voelen. Bij thuiszorg zaten ze in die tijd te springen om mensen die in vaste dienst wilden komen werken. Het is intiem werk en het bood mij een onbekende wereld. Ik woonde al jaren in Amsterdam en ik kende zulke hulpbehoevende mensen niet. Je krijgt via de telefoon een lijstje adressen mee. Ik weet die eerste ochtend nog heel goed, een mevrouw in Buitenveldert, een lieve mevrouw. Ik kwam in het huis van m’n oma terecht, zogezegd.’ Op zachte toon: ‘Ze worstelde ermee dat ze niet op bepaalde woorden kon komen. Saucijzenbroodje, of reiger.’ Er valt een stilte. ‘In het begin was het gevarieerd. Je leerde ervan. De verhalen over hun leven. Hoe mensen spraken. Sommige oude mensen spraken in een taal die bijna uitgestorven is. “Vanochtend had ik een Oostenrijker,” zei een mevrouw. Nooit van gehoord. Blijkt een mazzeltje te betekenen.

In die tijd was het officieel de bedoeling dat je maximaal een jaar bij iemand werkte. Om te voorkomen dat er te hechte banden ontstonden. Dat werkte natuurlijk niet in de praktijk: als zowel de cliënt als de hulp tevreden waren, zaten ze niet te wachten op vervanging. En leidinggevenden hadden het te druk om steeds nieuwe roosters op te stellen. Mijn maximum was drieëneenhalf jaar. Iemand gaat naar een verpleegtehuis, iemand sterft, of je gaat zelf weg. Het aspect van de vergankelijkheid ontbrak bij de andere baantjes die ik gehad heb en dat maakte ze toch lichter. Ik herinner me maar één geval van een jong iemand bij wie ik kwam die ook beter werd; ze had haar been gebroken en was alleen. In die tijd had je minder goede medicatie voor aids dan nu, ik kwam bij mensen met gezwellen. Het ging bij de meesten bergafwaarts. Ik ging er weg met een stevige burn-out. Te lang doorgegaan.’

Was schrijven de uitweg?
‘Ik heb altijd veel geschreven, voor mezelf. Ik was ook altijd geïnteresseerd in literatuur. Ik ben eigenlijk pas begonnen met lezen toen ik naar de Rietveld ging en in Amsterdam ging wonen, begin jaren tachtig. Ik kende geen hond hier, ik zat op een zolderkamertje vlak achter het Mercatorplein, ik had geen geld en er hing op de Rietveld een anti-intellectuele stemming. Ze wilden met hun handen werken, niet met hun hoofd. Elke week kocht ik een boek, meestal tweedehands, fictie, non-fictie – vooral geschiedenis. Ik raakte toen in de ban van Romeinse literatuur, Latijnse poëzie. Voor een prikje had ik dan weer zo’n Penguin Classic, waar ik een week mee toe kon, uitstekende vertalingen. Nog steeds lees ik minimaal een boek per week. Schrijven en lezen behoort voor mij tot één wereld. Omdat ik schilder, zag ik mezelf uitsluitend als schilder, hoe belangrijk het schrijven ook voor mij is. Het kwam nooit bij me op om daarmee naar een uitgever te stappen. Maar via-via, toeval dus, kreeg Tilly Hermans, die net haar uitgeverij Augustus begon, een verhaal van mij te lezen en ze vroeg: heb je meer liggen?

De noodzaak om te schrijven was heel groot toen ik bij thuiszorg werkte. Om het vol te houden, en uit frustratie. In de artistieke kringen waar ik rondhing wilde niemand iets over mijn werk horen, al die verhalen over dood en ziekte. Bovendien was ik het zwaar oneens met bepaalde besluiten in de thuiszorg-organisatie. Opeens had ik een onderwerp in handen: de thuiszorg. Al vond ik het moeilijk om structuur aan te brengen in het materiaal, in die verhuisdoos vol aantekeningen.
Ik had me voorgenomen: als ik hier voor mijn veertigste niks uit weet te halen, dan moet ik kappen met schrijven.
Ga maar na: ik werkte in de thuiszorg, ik schilderde, ik had bijbaantjes en ik schreef, het was bijna niet te behappen.

Na het contact met Tilly besloot ik het schrijven een jaar lang voorrang te geven, ik moest nog veel leren. Het meest intensief heb ik met Tilly gewerkt bij Het boek Ont. Redacteur is een waardevolle functie, vanwege de betrokkenheid die je daarvoor moet hebben bij de schrijver. Ik ben bang dat zulke redacteuren in de uitgeverij verdwijnen. Zo iemand leest ongelooflijk aandachtig, dat kost veel tijd en energie, maar het loont wel de moeite. Bij mijn debuutroman zei Tilly al: waarom schrijf je niet wat meer over die hoofdpersoon Bonne? Maar dat lukte toen niet. Mijn novelle Vis gaat al die kant op, maar Het boek Ontis het minst ingehouden.’

Foto: Jeroen W. Mantel

En hoe: de eerste zin van Het boek Ont luidt: ‘Het was dinsdagavond kwart voor acht en een van de laatste dagen van oktober in het roemruchte stervensjaar van de gulden, dat schitterende, harde betaalmiddel met zijn waaier van kleurige biljetten als de staart van een paradijsvogel, dat met goedvinden van de kroon door de directeur van De Nederlandsche Bank verkwanseld werd voor een grauwe eenheidsmunt waar er al zoveel van zijn en die de “euro” wordt genoemd.’

‘Ik heb,’ zegt Anton Valens, ‘de wens telkens onbekend terrein te betreden met mijn schilderijen en boeken. Iets nieuws te doen, zonder plan of berekening. Met Vis, over een intellectueel die komt te werken op een visserskotter, hield ik vast aan m’n eigen ervaringen. Bij Het boek Ont heb ik mezelf naar mijn gevoel losgelaten, ook al zitten er eigen ervaringen in. Ik ontdekte daarin dat ik met het schrijven alle kanten op kon. Ook in de taal. Als kind verzamelde ik al zinnen. Onbetekenende zinnen. Daar houd ik erg van.’

Waar komt Het boek Ont uit voort?
‘Ik ben wel eens met iemand die ook zijn post niet openmaakte, die net als ik een puinhoop maakte van zijn administratie, op een avond gaan zitten om samen die enveloppen te openen. Een heel goed idee, vond ik zelf, net als mijn hoofdpersoon Isebrand. Toen ik dat gegeven combineerde met de figuur van de bemiddelde en uitbundige organisatieadviseur Meckering, die ook bij de mannenpraatgroep komt, ging het verhaal rollen.’

Van Meckering komt ook die krankjorume taaltheorie over de betekenis van het voorvoegsel ‘ont’ en wonderlijk aan elkaar geprate begrippenparen als ‘ontslapen’ en ‘ontwaken’.
‘Die is gebaseerd op iets wat in mijn familie besproken kan worden, de vaderskant van mijn familie. Dat oreren waarin ook altijd zo’n woede meespeelt, is typisch iets wat ik ken van die kant van mijn familie. In die ont-theorie zit ook een element van strijd. Om de wereld te laten zien dat je daardoor heel bijzonder bent, omdat de anderen dat niet snappen en dus stommeriken zijn. Het onderwerp maakt feitelijk niet eens zoveel uit. Dat zou bij wijze van spreken ook over de Olympische Spelen kunnen gaan die op een andere manier georganiseerd zouden moeten worden of over de aanleg van sluizen die niet op de goede manier gebeurt. En daar dan veel te lang over door gaan zagen.’
Valens kijkt gekweld: ‘Ik heb daar nooit aan meegedaan. Als kind voelde ik me er al niet prettig bij. Het is heel dominant gedrag.’

In uw roman is de uitbater van het ondergrondse urinoir op de Groningse Grote Markt waar Isebrand werkt, ook al zo vechtlustig als het om Groningse taal, geschiedenis en folklore gaat. Is dat een streekgebonden trekje?
‘Ik ben geboren in Eelde-Paterswolde, vlak onder Groningen, het uiterste puntje van Drenthe. Maar ik denk toch wel dat ik kan zeggen dat in Groningen, in alle lagen van de bevolking, ook al ontkennen ze het soms, een sfeer van verongelijktheid bestaat ten aanzien van het Westen. In de Groningse geschiedenis is dat een constante lijn. Die vorm van opstandigheid kwam vanzelf in mijn roman terecht.’

Het pakt daar bijzonder humoristisch uit.
‘Ik vind Het boek Ont niet altijd even grappig: de situatie waarin nogal wat personages verkeren is niet leuk. Ik behoor tot een generatie die in de jaren tachtig, een crisistijd net als nu, volwassen werd. Ik ken veel mensen die maatschappelijk de boot gemist hebben. Ze zijn niet achterlijk, maar als je, wat veel mensen overkomt, je studie niet goed hebt afgerond en je komt zoals Isebrand terecht in zo’n callcenter, en dat lukt dan weer niet, dan kom je uit op: kantoren schoonmaken. Als je niet gehaaid genoeg bent, de juiste mensen niet kent, of niet snel genoeg met je tijd bent meegegaan, dan zit je klem. Ik heb soms heel barre financiële tijden meegemaakt en dan dacht ik: als ik nu een universitaire studie had gedaan, wat zou er dan van me geworden zijn? Maar leven zonder kunst kan ik me toch niet voorstellen.’

Wat was uw eerste kunstwerk?
‘Toen ik een jaar of dertien was, plette ik vullingen met inkt tussen bakstenen. Ejaculaties op papier waren het eigenlijk, Pollock-achtig. Nou ben ik echt met kunst bezig, dacht ik toen.’ Hij lacht, kort, en vervolgt: ‘Mijn moeder zegt dat ze het altijd wel zag, die kunstzinnigheid. Maar ik twijfelde tot op het laatste moment wat ik ging studeren, want ik had veel interesses. Toen kon ik via een uitwisselingsprogramma een jaar studeren aan een universiteit in Pennsylvania. Op een bepaalde dag was er in een grote ronde zaal op de campus, de Arena, de mogelijkheid je in te schrijven voor cursussen in dat semester.

Op levensgrote borden kon je van minuut tot minuut zien welke cursussen er nog over waren, waar je nog op kon intekenen. Ik werd ter plekke gedwongen te kiezen en ik koos allemaal vakken die met tekenen en schilderen te maken hadden. Toen wist ik het.

Ik geloof wel dat er iets van het schilderen terecht is gekomen in mijn schrijven. Dat je een soort vormen ziet, geen mensen of gezichten, maar vormen in taal. Schrijven is een organisch proces, ik weet niet altijd waar ik mee bezig ben. Ik kies ook geen onderwerpen, ze dringen zich op.’

Snel zwenkende geest
Valens spreekt ontspannen door over kunst. Over de soorten verf die hij gebruikt, over zijn eerdere grote atelier en het huidige gemis van een atelier, over het verschil tussen werken op klein of groot formaat, over bewonderde schilders, en meer. Een woordenstroom die in schril contrast staat tot de manier waarop hij daarvoor sprak.

Want mijn weergave van ons gesprek tot dusver is fictie. Niet inhoudelijk, maar na vrijwel elke vraag volgde een lange, lange stilte. Zo’n ongemakkelijke stilte die sommige interviewers effectief inzetten om de ander aan het praten te krijgen. Menige vraag beantwoordde Valens kort met ‘ja’, ‘nee’, ‘misschien’ of een stilte. Bovenstaand gesprek is een gecomprimeerde weergave van een urenlang samenzijn, met weglating van de onderbrekingen, verzandende vragen en stiltes. Bij het praten hield Valens zijn gezicht zijwaarts gekeerd, om dat bij de staart van de zin naar mij toe te draaien.

Dit alles is geen pose. Net zoals zijn hoofdpersoon Isebrand dat doet met zijn bestaan, doet hij merkbaar pogingen om zich te hernemen, modern gezegd: zichzelf een boost te geven. Dat kost hem zichtbaar inspanning, maar het werkt: hij spreekt dan opeens sneller, waagt zich aan een minder genuanceerde uitspraak, humor steekt eventjes de kop om de hoek.

Al met al levert het een bevreemdende discrepantie op: in Vis en met name de roman Het boek Ont leren we Valens kennen als een heel talige, barok formulerende, doorgefourneerd ironische persoon met een snel zwenkende geest, die uiting geeft aan krankzinnige invallen, kortom een geheel andere persoon dan de diepe zwijger en moeizame, ernstige prater. Dat vraagt om een tweede gesprek, waarin dit nader door hem verklaard kan worden.

Hij denkt lang na, zegt daarna: ‘Het zou ermee te maken kunnen hebben dat ik heel lang alleen voor mezelf schreef en er nooit over sprak. Nog steeds spreek ik er niet over. Soms met Tilly, even. Wat dat betreft ben ik een gespleten persoonlijkheid, want uiterlijk hebben mensen niet het idee dat ze te maken hebben met iemand die schrijft op de manier zoals ik schrijf.’

Komt de papieren Anton Valens ook niet tevoorschijn bij intimi?
‘Met hen is het niet veel anders, moet ik je bekennen. Dat heeft ook sterk met mijn humeur te maken. Soms ben ik iets… makkelijker aan het woord dan op andere momtenten, maar over het algemeen is het verschil erg groot tussen hoe ik me presenteer in het dagelijks leven en wat ik in de schrijverij of mijn kunst doe.’

Gaat het luik open, bij het schrijven en de kunst?
‘Het is het gevoel dat ik me niet hoef aan te passen.’

Zou u bij uw banen uit de toon zijn gevallen als u zich toonde als in uw proza?
‘Ja. In de thuiszorg zeker. Het is iets wat diep ingesleten is. Bij ons thuis was wel veel lawaai, maar niet veel communicatie. Sommige familieleden zijn zelfs heel goed gebekt…’ Stilte, dan snel: ‘Toen ik een jaar of twaalf was, heb ik me vrij sterk teruggetrokken in mezelf. Mijn ouders hadden voor het eerst een wat groter huis, ik kreeg een eigen kamer en daar bouwde ik een eigen wereld in. Daar mochten andere mensen eigenlijk ook niet komen. Op een gegeven ogenblik was het zo dat als mijn ouders bezoek hadden, ze kleine rondleidingen naar mijn kamer organiseerden. Ik had daar allerlei dingen gemaakt, er hing van alles aan de muur en aan het plafond, schilderijen. In feite – toen kende ik dat woord helemaal niet – was het een soort installatie waar ik ook in sliep.’

Vond u zulke bezoekjes vervelend?
‘Nee. Tijdens die rondleidingen bleef ik gewoon op mijn kamer, dan zette ik ook een bijpassend muziekje op. Het zwijgzame dat ik er in het openbaar op nahoud, heeft er ook mee te maken dat ik meer gewaardeerd werd als ik mijn mond hield. Ik was geen doodstil jochie, maar ik hield nu eenmaal veel geheim.’

Hoe kan ik u het beste leren kennen als we niet zouden praten?
‘Door me te lezen. Of als ik aan het schilderen ben, dan zie je me in mijn element. Het liefst ben ik aan het werk. Niet aan het converseren. Dat kost me altijd energie. Dat doe ik maar tot op zekere hoogte, daarna verval ik in zwijgen.’

Foto: Jeroen W. Mantel

Voor vrijwel al uw boeken geldt: de buitenstaander die uw hoofdpersoon altijd is, gaat werken, of het nu in de visserij is of in een urinoir, en het eindigt ermee dat hij een illusie armer is.
‘Ik denk dat het een constante bij mij is om aansluiting te zoeken bij de wereld. Ik ben bereid mijn best te doen om dat voor elkaar te krijgen. Maar het lukt niet. Niet definitief tenminste, in de zin dat ik me daar ontspannen bij voel. Met de wereld van schrijvers, wat ik daar althans van heb leren kennen, gaat het niet anders. Het is niet dat ik op zo’n borrel of presentatie geen woord wissel, maar het kost me moeite. Ik vind het heel lastig om een milieu te vinden waarin ik gedij en waar andere mensen rondlopen.’

Hoe is dat relationeel?
‘Eén op één contact vind ik makkelijker. Een goede vriend, hij is een jaar of zeventig, heeft een volkstuin in Durgerdam. Ik zorgde tijdens zijn vakantie dat die tuin niet verwaarloosd zou raken, het was flink aanpoten. Een vriendin van hem heeft daar ook een volkstuin, ik ging even langs om dag te zeggen en daar ontmoette ik Tascha.
Gelukkig is Tascha geen type dat wil dat ik ’s avonds met haar op de bank televisie zit te kijken. We geven elkaar die ruimte, die vrijheid. We hebben elkaar zo’n jaar of zes geleden leren kennen toen we beiden al wat ouder waren. Ze heeft een uitgebreide vriendenkring en is ook gewend dingen voor zichzelf te doen.
Maar samen hebben we veel gereisd, dé manier om elkaar te leren kennen en accepteren. Ze is iemand die zich, net als ik, steeds probeert te ontwikkelen.
Ook binnen die relatie wil ik af en toe alleen zijn. Ik heb altijd die behoefte gehad. Dan kom ik tot rust en dan ga ik, paradoxaal genoeg, meestal werken. Het is alsof je met een gezelschap op pad bent in de natuur, maar aan het eind van de middag ben je eindelijk even alleen. Je zoekt een mooi plekje op en gaat daar zitten, er wellen plotseling allerlei gedachten en beelden in je op. Dat kun je misschien werken noemen, maar evengoed ontspannen. Dát zoek ik heel vaak op. Door te werken.’

Erg zenuwachtig
De week na ons laatste gesprek gaat Anton Valens lezers ontmoeten in den lande op zo’n literaire avond, vertelt hij.
Toen zijn roman verscheen is er de nodige publiciteit geweest, maar door Anton Valens’ gezondheidsklachten is de aandacht voor Het boek Ont verdampt. Fijn dus dat hij wordt uitgenodigd om over zijn in februari verschenen geesteskind te komen praten. Zo vaak komt zo’n optreden niet voor en het vergt nogal wat. ‘Ik ben wel erg zenuwachtig, het kost me veel energie. De dag van tevoren kan ik al niet werken, te nerveus. Dan heb je de dag van zo’n optreden, die valt ook af. En de dag erna moet ik bijkomen. Een toestand.’

In Deventer had een organiserend comité ooit bedacht dat hij de oude Bernlef moest interviewen. Kletsnat van het zweet was hij na afloop. Zijn oordeel: ‘Het was geen succes. Ik ben geen interviewer, dat is een vak apart. Ten tijde van Meester in de hygiëne had ik geregeld optredens en met het publiek kan ik het altijd wel vinden. Meester in de hygiëne sprak veel dames aan. Iedereen heeft natuurlijk wel een zielige oma of opa, dus dat is makkelijk om over te praten. Maar met Vis heb ik, ondanks die juichende recensies, helemaal geen optreden gehad. Bij Het boek Ont gelukkig binnenkort weer.’

Dat kan spannend worden, stelt hij zich voor: ‘Ik houd van onverwachte vragen. Een keer stond een man op de tribune op en hij sprak met ernstige stem: “U bent een Cerberus”. Waar halen ze het vandaan, denk ik dan. Maar er ontstond toen wel even een uitwisseling. Ik weet niet of die man daar helemaal tevreden mee was, maar ik vond het mooi.’

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.