Luisteren bij het eten, zingen toe
door Martin Kaaij
Pas halverwege de negentiende eeuw werden eten en muziek onverbiddelijk gescheiden. Maar een stukje Bach bij een cocktailparty mag volgens sommigen ook nu nog.
Wie in Spanje op vakantie is geweest, weet hoe aantrekkelijk zingen na het eten is. Nog voordat de laatste vruchtenrestjes uit de sangria zijn gelepeld, zet wel iemand aan tafel een lied in dat door ieder meegezongen kan worden. Dat zijn leerzame momenten voor de muziekvorser. In de regel wordt er uit enthousiasme iets te hard gezongen en zijn vooral de eerste noten ongelijk en vals. Daarna trekt de zaak vanzelf weer bij. De lettergrepen worden licht drammend uitgestoten en de slotwoorden zijn afgebeten en kort. Het best klinkt het als men kiest voor een monter wandeltempo; te vlug zingen leidt tot onverstaanbaarheid en te langzaam verzandt in baldadig gebrul, want men is aangeschoten en snel verveeld. Al met al zingt een groep volwassen vakantievierders even goed als een peuterklasje, met dien verstande dat de peuters de tekst beter kennen. De volwassen eters zouden dus gebaat zijn bij een liedboek. Ook dan is het behelpen, want daarin staan opvallend vaak geen noten. Uitgevers denken dat we de melodieën toch wel kennen. Dat denken ze al vijfhonderd jaar en precies even lang doen ze dat ten onrechte. Talloos zijn de boeken zonder noten met teksten van populaire liedjes die niemand meer kan zingen.
Een gestadich minneken
Een van de eerste was Een Schoon Liedekens-Boeck uit 1544. Dit liedboek bevat allerlei pikante en zelfs opruiende teksten. Geliefd meezingwerk dat al snel verboden werd. Het waren roerige tijden, de gelovigen stonden pal voor hun zaak en geboden werden nog voortvarend uitgevoerd. Van de honderden exemplaren overleefde vermoedelijk slechts één boekje de jacht op het verbodene. Maar de melodieën leefden in onverwachte vorm voort. Ze werden hergebruikt in stichtelijke liederen: een vrome tekst op een populaire melodie, dat trekt gelovigen. Zo kon men in net gezelschap ‘Gods glorie ende heerlijkheid’ zingen op de melodie van ‘Ic hadde een gestadich minneken’ en welke tekst men thuis zong, weet niemand. Dankzij deze contrafacten, zoals dat heet, zijn van vele ondeugende liedjes de melodieën weer teruggevonden.
In dezelfde tijd liet Zeghere van Male, een stoffenkoopman uit Brugge, een chic liedboek maken vol kleurige tekeningen en andere versiersels. Hierin staan tekst en muziek van honderden meerstemmige gezangen, waaronder dertien volledige missen. De vier stemmen waren in vier boekdelen opgeschreven zodat de zangers niet over elkaars schouder hoefden te turen om met een elleboog tussen de ribben een motet van Willaert te piepen. Een fraai bezit, maar wat moest Van Male er verder mee? Voor vierstemmig van blad zingen zijn minstens vier geschoolde stemmen nodig die dan ook nog eens het juiste bereik moeten hebben. Vind zo’n groep maar eens bij elkaar. De kans dat een willekeurige groep van vier mensen precies een bas, een tenor, een alt en een sopraan bevat, is nog geen tien procent. En zelfs bij acht personen ontbreekt er een stemtype in pakweg een van de drie gevallen. Toch zegt men dat Van Male er na de maaltijd met gasten en gezinsleden uit zong en dat zulks gebruikelijk was onder de gegoede burgers. Een mis van Josquin des Prez zingen na de maaltijd – onze voorouders hadden vreemde gewoonten.
Borden stapelen
Van Male en Spaanse vakantievierders zongen niet voor niets pas na de maaltijd, want zingen en kauwen gaan slecht samen. Wie muziek wil tijdens het eten moet een andere oplossing zoeken. In de achttiende eeuw huurden beschaafde lui graag een strijkje in. Tafelmuziek was toen een gangbaar genre en de hoge lieden bedachten de gekste manieren om tegelijkertijd van voedsel en muziek te genieten. Aan het hof van Dresden had men een soort wereldorkest samengesteld van klassieke musici, zingende bergbewoners en Turkse blazers en trommelaars. Dat ensemble zat meestal tegenover de eters, maar soms speelden de Dresdner muzikanten een etage lager achter gesloten deuren, zodat de muziek via de ventilatorschachten tot de eetzaal doordrong. In Dresden stond de grootste stereo-installatie uit de geschiedenis. Ook aan het Franse hof van Lodewijk XIV was men tuk op tafelmuziek. Hofcomponist Michel-Richard de Lalande (1657-1726) componeerde ruim driehonderd stukken die bekend werden als Symphonies pour les Soupers du Roy. Als een echte Franse componist die niet te koop loopt met zijn kunde, componeerde Lalande voor het avondhapje van de koning elegante muziek die simpel klinkt en ondertussen met een fijne meesterhand in elkaar is gezet.
Als het gesprek in de loge stil viel, luisterde men naar wat er op dat moment gezongen werd
Het is niet helemaal duidelijk wanneer de muziek precies gespeeld werd. De soupers begonnen stipt om tien uur ‘s avonds, zoveel is zeker, want Lodewijk hield van orde en regelmaat. De belangrijke gasten zaten aan tafel, de musici tegen de muur met hun gezicht naar de koning, en een stoet van nieuwsgierigen lummelde in de deur- en vensteropeningen. Misschien kletste en smakte iedereen door de muziek heen, maar het zou ook kunnen dat het orkest alleen tussen de gangen speelde. Dat laatste lijkt respectvoller, maar dan moet het personeel wel geruisloos borden stapelen, bestek verzamelen en heen en weer sluipen.
Niemand weet of het personeel inderdaad opdracht kreeg om op kousenvoeten te lopen. Vermoedelijk niet, want pas halverwege de negentiende eeuw werd het goed gebruik om in stille verrukking naar klassieke muziek te luisteren. Eten en klassieke muziek werden onverbiddelijk gescheiden.
Het laatste bolwerk voor de etende muziekliefhebber was toen nog de privéloge bij de opera. Beschut, hoog boven de musici en het gemene volk. Ruim en toch intiem, ideaal voor een dutje of een ontluikende vrijage. Men zegt dat vooral in Italië de logebezitters flink de beest uithingen. Voor vele Italiaanse operahuizen waren deze privéloges een even belangrijke inkomstenbron als tegenwoordig de skyboxen voor een voetbalclub. Het kwam voor dat de loges al verkocht waren voordat de fundering van een nieuw gebouw was gelegd. De rijken en de machtigen kwamen er samen. Tijdens de voorstelling praatten, aten en schaakten zij, en als het gesprek even stil viel, dan luisterden zij naar wat er op dat moment gezongen werd. Want een hele opera met aandacht beluisteren vond men wel wat veel van het goede. Men ging ook voor de gezelligheid, om elkaar te bekijken, of om een onsympathieke componist uit te jouwen. Er wordt gezegd dat de dirigent Toscanini algehele rust in de operahuizen bracht door als het even kon het systeem van de privéloges af te schaffen. Een mooie overwinning van de kunst op het geld, of zo u wilt, van goede smaak op verveelde gulzigheid.
Sommige mensen nemen tegenwoordig die goede smaak ook thuis in acht en tafelen uit principe niet met muziek op de achtergrond. Zij vinden muziek te waardevol en te weerloos om aan gesprekken en binnensmonds gekraak te worden overgeleverd. Wie muziek wil horen, wacht maar tot na het eten. Dat is niet iedereen met ze eens. In het boek Kijk op muziek (een soort luistercursus) staan zelfs suggesties welke stukken het beste passen bij een cocktailparty (Bachs Brandenburgse concerten) of een romantisch etentje (Spaanse gitaarmuziek vooraf, ballades van Chopin onderwijl en een keur aan langzame delen uit romantische concerten na afloop). Het is maar wat je lekker vindt.


