Over tolerantie
door Frits Bolkestein
Niet ver van de Indiase stad Haiderabad bevindt zich een indrukwekkend gebouw dat bekendstaat als het Golkonda-fort. Wie het fort betreedt, treft op de linkermuur vijf roodgeschilderde handafdrukken aan.
Ze zijn van de vrouwen van de Nizam (de vorst) die er na de dood van hun echtgenoot vrijwillig voor kozen levend te worden verbrand. Het gebruik dat weduwen zichzelf verbranden, staat bekend als sati. Een vrouw die dit doet, verzamelt verdienste voor haar volgende leven. Eenieder die van de zelfverbranding getuige is, verzamelt eveneens verdienste. Dus mocht de vrouw bij de aanblik van de vlammenzee twijfel gaan koesteren, dan dwingt de aanwezigheid van de toeschouwers haar voornemen alsnog ten uitvoer te brengen.
Ik schreef dat de vijf Nizam-echtgenotes deze vuurdoop vrijwillig ondergingen. Maar hoe vrijwillig is ‘vrijwillig’? Tegenwoordig zouden we zeggen dat de sati is bedoeld om vrouwen in een onderdanige positie te houden, net zoals de Chinese praktijk van voetinbinding. Tegenwoordig zouden we zeggen dat de wil van de vrouw is gemanipuleerd, dat ze is geïndoctrineerd en dat ze haar werkelijke belang niet herkent. De vraag rijst dan of het aanmoedigen van zulke praktijken aanvaardbaar is. Valt het aanzetten tot sati onder het door ons gekoesterde beginsel van de tolerantie?
We begeven ons hier op glad ijs. Weet een individu waar zijn werkelijke belangen liggen of dient hij tegen zichzelf te worden beschermd? En in dat laatste geval: wie moet dat dan doen en op grond waarvan? Hoe ver mag paternalisme gaan?
Gedwongen vrij
Volgens een oude maar gevaarlijke gedachtegang, moeten mensen worden geholpen hun eigen belangen te ontdekken. Rousseau formuleerde deze gedachte als eerste. In het tweede boek van zijn verhandeling Du contrat social schrijft hij: ‘On veut toujours son bien, mais on ne le voit pas toujours.’ Mensen jagen hun voordeel na, maar dat is lang niet altijd in hun eigen belang. Mensen zouden desnoods moeten worden gedwongen vrij te zijn, vond Rousseau. Een onheilspellende gedachte.
Niettemin maakte deze redenering school. Friedrich Engels, vriend en collega van Karl Marx, had het over de verdammte Bedürfnislosigkeit van de Engelse arbeidersklasse, die zich schikte in haar lot en niet viel te motiveren. Later werd onder Lenin, en meer nog onder Stalin, de Russische bevolking haar stem onthouden. Haar belangen werden geacht samen te vallen met de wil van de partij, gestalte gegeven door de leider die uiteraard de ‘ware noden’ van de onderdrukte klasse als geen ander kende.
Recenter betoogde Herbert Marcuse (1898-1979), wiens One-Dimensional Man het handvest van Nieuw Links werd, dat zolang individuen worden geïndoctrineerd, hun antwoorden op de vraag naar hun ware behoeften niet als hun eigen antwoorden mogen worden beschouwd. Hij stelde de kapitalistische culturele dominantie aan de kaak en wilde groepen en bewegingen die discriminatie voorstaan op grond van ras en religie wettelijk de mond snoeren. Oppassen geblazen dus voor lieden met afwijkende meningen.
Ook Adam Smith heeft geschreven over het onderscheid tussen ware en gemanipuleerde behoeften. In 1759 publiceerde hij zijn boek The Theory of Moral Sentiments, over de oorsprong van onze waarden en normen. Zijn analyse is gebaseerd op het idee van de ‘sympathie’, ofwel ‘ons vermogen onszelf in andermans positie te verplaatsen en de emoties in te voelen die een ander in een gegeven situatie ervaart’. Tegenwoordig zouden we dat empathie noemen. Wat sati betreft, lijkt de situatie simpel aangezien niemand levend verbrand wil worden. Aan de andere kant luidt de bekende leerstelling van het liberalisme dat mensen zelf de beste kenners van hun belangen en behoeften zijn. Moeten we sati dus toch maar tolereren? Het zal een academische vraag blijven, aangezien de Indiase overheid sati gelukkig heeft verboden.
Godsdienstvrijheid
Wat kan de klassieke opvatting van tolerantie ons leren? Daarvoor moeten wij terug naar de zestiende eeuw, het tijdperk van de religieuze oorlogen. Het debat over de grenzen van de tolerantie, dat destijds hevig woedde, concentreerde zich op de vrijheid van godsdienst.
Ik wil hier stilstaan bij onze zestiende-eeuwse landgenoot Dirck Coornhert, een opmerkelijk man. Hij werd in 1522 geboren in Amsterdam. Later vestigde hij zich in Haarlem als notaris. Hij schopte het tot secretaris van het Haarlemse College van Burgemeesters maar werd in 1567 vanwege zijn religieuze opvattingen gevangengezet. Hij ontsnapte en vluchtte naar Duitsland. Nadat hij in 1578 was teruggekeerd, verboden de Staten van Holland hem zich, mondeling of schriftelijk, in negatieve zin uit te laten over het calvinisme. In 1585 verzocht hij toestemming zich in Leiden te vestigen, maar uit angst voor de calvinisten vluchtte hij opnieuw, dit keer naar Emden en later naar Gouda waar hij in 1590 overleed.
De strijd voor de godsdienstvrijheid groeide uit tot het belangrijkste doel in Coornherts leven. Bestaat er, aldus Coornhert, iets waar mensen meer naar verlangen dan vrijheid? Iedereen wil in vrijheid zijn geloof kunnen belijden. Wie zijn wij om mensen die vrijheid te onthouden? ‘Want ick niet can gelooven, dat zij met mij een selve Vader mogen hebben, die dooden willen om het geloove.’ Coornhert wilde dat ongelovigen met rust werden gelaten zodat zij wellicht alsnog de genade des geloofs deelachtig zouden worden. Nooit viel Coornhert zijn opponenten aan door hun reputatie in twijfel te trekken. Hij bekritiseerde ideeën, geen personen. Daar kunnen wij nog wat van leren.
Persoonlijke autonomie
Onze andere grote landgenoot, Desiderius Erasmus, ook wel bekend als de Prins van de Renaissance, was eveneens voorvechter van de vrijheid van godsdienst, behalve dan voor joden en Turken; hij was minder tegemoetkomend dan Coornhert. In de achttiende eeuw volgde Voltaire met zijn beroemde uitspraak: ‘Ik ben het oneens met wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen tot de dood toe verdedigen.’ Net als Kant was hij een groot voorvechter van de persoonlijke autonomie. Hun ideeën worden weerspiegeld in het Eerste Amendement van de Amerikaanse Bill of Rights.
Maar bovenal wil ik John Stuart Mill noemen, die in zijn boek On Liberty stelde dat de opvattingen van minderheden noodzakelijk zijn om de voetstoots aangenomen zekerheden van de meerderheid in twijfel te kunnen trekken. Hij was beducht voor wat hij noemde ‘de tirannie van de publieke opinie’. Mill sprak zich ondubbelzinnig uit tegen het inperken van de uitingen van welke doctrine dan ook, ongeacht de morele verwerpelijkheid ervan. De enige beperking van de vrijheid van meningsuiting die Mill bereid was in overweging te nemen, betrof directe aansporingen om iemand fysieke schade toe te brengen. Het gaat dus te ver om een weduwe aan te moedigen sati te ondergaan, of jonge meisjes hun voeten te laten breken. Bij zaken van minder gewicht, zoals de boerka, zou een open debat moeten volstaan.
De zaak lijkt dus beklonken. Een individu kan het beste zelf oordelen over zijn eigen belangen, maar een vrij en open debat over die belangen moet mogelijk blijven. In onze plurale samenleving is tolerantie noodzakelijk om met elkaar om te kunnen gaan en om een dialoog mogelijk te maken die ons naar een hoger niveau van wederzijds begrip kan leiden: du choc des opinions jaillit la vérité. Uit de botsing der meningen komt de waarheid voort. Misschien niet in alle gevallen, maar het is een belangrijk vertrekpunt.
Identiteitspolitiek
De zaak is echter allerminst beklonken. In onze tijd is tolerantie opnieuw een brandende kwestie en een populair onderwerp van discussie. In 1997 publiceerde de Amerikaanse socioloog Michael Walzer een boek met de titel On Toleration. In 2011 volgde de in Engeland werkzame socioloog Frank Furedi met een gelijknamig boek. Eveneens in 2011 wijdde historicus Simon Schama zijn Huizinga-lezing aan tolerantie. Wat verschaft dit onderwerp zijn hernieuwde actualiteit?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar een artikel over het begrip ‘multiculturalisme’ dat in 1999 werd geschreven door Bhikhu Parekh, hoogleraar politieke filosofie aan de universiteit van Westminster, tevens lid van het Britse Commission for Racial Equality. Een goede samenleving respecteert het recht van haar leden op hun eigen cultuur, aldus Parekh. Een samenleving kan niet stabiel zijn zonder dat iedereen het idee heeft erbij te horen. Burgers moeten zich welkom voelen. Sociale erkenning is essentieel voor hun identiteit. Het punt dat Parekh maakt, opent de deur naar de identiteitspolitiek. Cruciaal is het begrip ‘welkom’. Hoe verhoudt zich dat tot een kritische houding? Is kritiek op een andere cultuur wenselijk? Medeburgers zouden zich er minder welkom door kunnen voelen. Identiteit zou moeten worden bevestigd in plaats van bekritiseerd. Daarom ruilt Tariq Ramadan tolerantie in voor respect. Tolerantie, zo zegt hij, komt niet aan bij degenen om wie het draait en voedt op geen enkele manier hun identiteit. Het liberale idee van tolerantie staat op slechte voet met de therapeutische plicht mensen zich goed te laten voelen over zichzelf. Mensen verlangen naar respect en waardering. Ze willen worden beschermd tegen concurrerende opvattingen.
Volgens Parekh en Ramadan is respect een recht. De verklaring van de UNESCO over de Principes van Tolerantie definieert dit als ‘respect voor en aanvaarding en waardering van de rijke diversiteit van de culturen van onze wereld, onze uitdrukkingsvormen en onze manieren van mens-zijn’. Het draait om ‘eendracht in verscheidenheid’. Het centrale begrip is hier ‘eendracht’. Die verhoudt zich slecht tot een kritische houding. Ware tolerantie, zo schijnt het, vereist het vermijden van een oordeel. Elk oordeel kan immers als kritiek worden opgevat. Vrijheid van meningsuiting mag niet belangrijker worden dan ‘s mensens welzijn.
Individualiteit
Van deze ideologie van het respect wil ik twee aspecten belichten. Ten eerste dat ze groepen betreft en geen individuen. Ten tweede dat ze een aparte kijk tentoonspreidt op individualiteit.
Identiteitspolitiek gaat over groepen. Primitieve samenlevingen wemelen van de groepen. Het punt is dat mensen niet uit deze groepen kunnen ontsnappen. Eens een Kikuyu, altijd een Kikuyu. Nadat mevrouw Gandhi werd vermoord door een sikh, werden in heel India duizenden sikhs omgebracht. Identiteitspolitiek laat mensen aan elkaar vast vriezen tot groepen. De individuen die de groep vormen, blijven buiten beeld: hun identiteit raakt gefossiliseerd.
Ten tweede verraadt identiteitspolitiek een gebrek aan vertrouwen in het vermogen van gewone mensen zich als volwassen burgers te gedragen. Juist daarom houdt ze graag de groep in stand waarbinnen individuen zich veilig wanen en geen ongemakkelijke vragen hoeven aan te horen. Het Bisschoppelijk Mandement dat in 1954 door de Nederlandse priesters werd gepredikt, diende precies hetzelfde doel: het bij elkaar houden van de kudde. Identiteitspolitiek houdt in dat de eigen identiteit wordt verwezenlijkt via culturele identiteit. Een therapeutische vorm van censuur is noodzakelijk om schade daaraan te voorkomen. Kritiek kan deze therapeutische dimensie waarnaar de vatbare zielen hunkeren, te gronde richten.
Theocratisch autoritarisme
In zijn voornoemde Huizinga-lezing behandelde Simon Schama dit onderwerp ook. De lezing ging over tolerantie, of eigenlijk over intolerantie, aangezien Schama vol afgrijzen de opkomst van het theocratisch autoritarisme had gadegeslagen: de wereldwijde opmars van gewapende theocratieën, de terugkeer van wetgeving tegen godslastering en de onderdrukking van andersdenkenden. Voor de volgelingen ervan zou de enige ‘vrijheid’ bestaan uit onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de goedgekeurde doctrine. Een tolerante samenleving was in hun ogen een onreine samenleving. Theocratische repressie was sterker geworden in plaats van zwakker, aldus Schama. De taliban vochten tegen het onderwijzen van meisjes. De situatie van christelijke gemeenschappen in de Arabische wereld werd niet beter maar slechter. De greep van de ultraorthodoxe joodse partijen op de Israëlische politiek was sterker geworden. Schama toonde zich ontgoocheld.
De affaire-Rushdie, die in februari 1989 losbarstte, toonde aan hoe de steun voor de tolerantie afkalfde. Had Rushdie zich wellicht schuldig gemaakt aan het ‘misbruiken van de vrijheid van meningsuiting’? In 2006 kon de Deense cartoonist Kurt Westergaard op bedroevend weinig steun rekenen. Alleen Nederland en Bulgarije schaarden zich vierkant achter hem.Dit alles is niet louter van academisch belang. Neem het voorbeeld van Ayaan Hirsi Ali, de Somalische vluchtelinge die lid werd van de Tweede Kamer. Ayaan benadrukte het recht van vrouwen over hun eigen lichaam te beschikken. Ze vocht tegen een vorm van vrouwenmishandeling die nog altijd wijdverbreid is: besnijdenis. John Stuart Mill zou het besnijden van meisjes niet hebben goedgekeurd: het aanmoedigen van het toebrengen van fysieke schade kan immers niet worden getolereerd. Maar toen Ayaan Hirsi Ali werd uitgenodigd om te spreken op de opening van het academische jaar 2005-2006 aan de Universiteit van Amsterdam, vormden studenten en docenten een comité om dat te voorkomen. Ayaan zou de polarisatie binnen de Nederlandse samenleving aanwakkeren. Het publieke debat werd te zeer gedomineerd, aldus het comité, door neoliberalen en verlichtingsfundamentalisten. Door Ayaan een podium te bieden, zou de universiteit haar reputatie als progressief instituut te grabbel gooien.
Hoe kan deze nauwelijks verholen haat uit progressieve kring worden verklaard? ‘Progressief’ stond toch altijd voor een kritische houding tegenover religie en voor de strijd om de rechten van de vrouw? Het antwoord kan wellicht worden opgemaakt uit een van de argumenten van het anti-Ayaan-comité: ‘Ze spreekt niet namens de moslimvrouwen.’ Alleen het collectief heeft recht van spreken. Dissidenten moeten tot zwijgen worden gebracht.
Het anti-Ayaan-comité wenste de universiteit te verdedigen tegen het ‘verlichtingsfundamentalisme’. Maar wat betekent dit oxymoron? Want als er iets wezensvreemd is aan de Verlichting, dan is dat wel fundamentalisme. Zei Kant immers in 1784 niet ‘sapere aude’ oftewel: durf voor jezelf te denken en accepteer niemands bevel? De term ‘verlichtingsfundamentalisme’ kan alleen betekenen dat het niet goed zou zijn om mensen aan te moedigen de beginselen van de Verlichting te omarmen. Als ik het goed zie, verwerpen de tegenstanders van het verlichtingsfundamentalisme de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zonder een alternatief voor te stellen.
Fossilisering van identiteit
Het is leerzaam te luisteren naar de begaafde Nederlandse journalist Ian Buruma. Volgens hem beroepen conservatieven zich op de Verlichting om hun westerse cultuur te definiëren in contrast met niet-westerse culturen. Een merkwaardig argument. Geloven socialisten dan niet in de gelijkheid van man en vrouw of in de vrijheid van meningsuiting en godsdienst? Verandert zulk geloof iemand in een conservatief?Ian Buruma woont in de Verenigde Staten. Non-judgmentalism, een vorm van cultuurrelativisme, heeft de Amerikaanse campussen stormenderhand veroverd. Dit legt het onvermogen bloot een onderscheid te maken tussen kritiek en intolerantie. Het zorgt ervoor dat studenten en faculteitsleden in hun hemd staan zodra ze worden geconfronteerd met tegengestelde meningen. Luister naar wat Yale-studente Alison Hornstein in 2001 tegen Newsweek zei: ‘Wij mogen vrouwenbesnijdenis weerzinwekkend vinden, maar wij kunnen dit waardeoordeel niet zomaar aan anderen opleggen. Zelf vinden wij dat de democratie het waard is verdedigd te worden tegen terreuraanvallen door aanhangers van een totalitaire theocratie, maar wie zegt dat wij gelijk hebben? Wat is waarheid?’
Wie zijn mentale kompas kwijt is, weet niet meer wat te denken. Dit is de bittere oogst van het postmodernisme: de notie dat er geen grote verhalen meer zijn en dat het geen zin heeft op zoek te gaan naar de waarheid. Als we het gebod van het non-judgmentalism zouden volgen, wordt tolerantie een ander woord voor instemming. We werken dan mee aan de fossilisering van identiteit: individuen verstenen in de positie die ze in de groep innemen. De discussie over gemanipuleerde behoeften kan dan niet meer worden gevoerd omdat het discussiëren zelf gevaarlijk is geworden. Aldus bereiken we het tegenovergestelde van het klassieke ideaal van tolerantie.
Aboriginals
Identiteitspolitiek, de ideologie van het respect en het axioma van het non-judgmentalism kan een groep tot extreem onderdrukkend gedrag jegens de eigen leden aanzetten zonder dat het bezwaren van buitenaf uitlokt. Waar het lokale culturen betreft, kan deze terughoudendheid worden versterkt door de ideologie van romantic primitivism ofwel de verheerlijking van primitieve culturen. Laat mij dit concept illustreren met de ervaringen van de Aboriginals. Tot ongeveer veertig jaar geleden bestond het beleid van de Australische regering met betrekking tot de Aboriginals uit assimilatie. Onder invloed van idealisten uit de blanke middenklasse werd dit gewijzigd. Voortaan zou de nadruk liggen op wat werd aangeduid als ‘culturele zelfbeschikking’. De consequenties waren verschrikkelijk. De kwaliteit van de volksgezondheid raakte in een duikvlucht, ziekte en ondervoeding wonnen terrein. Met de bedoeling het individu zijn eigen verantwoordelijkheid terug te geven, werden de barrières tegen alcoholgebruik geslecht. Het werd een complete mislukking.
Al even rampzalig waren de gevolgen voor het onderwijs. Bob Collins, een parlementariër die met een Aboriginal is getrouwd, zegt: ‘Tussen 1965 en 1975 lag het taalniveau van aankomende middelbare scholieren uit de afgelegen Aboriginalgebieden op dat van groep acht. In 1990, toen het basisonderwijs was overgeheveld naar de lokale Aboriginaloverheden, was dit teruggevallen tot het niveau van groep vijf. Vandaag de dag arriveren ze compleet ongeletterd. Ik heb vaak kinderen op bezoek die zelfs hun eigen naam niet kunnen spellen. Deze kinderen hadden grootouders die alle boeken lazen die ze maar te pakken konden krijgen.’
Ziehier de invloed van Rousseaus ‘nobele wilde’, en van goedbedoelende intellectuelen zonder verstand van zaken die bezwijken voor de lokroep van het romantisch primitivisme. De betrokken groepen zouden zelf als beste kunnen beoordelen wat hun behoeften waren. De gedachte dat ze daarbij wel eens niet bij hun werkelijke behoeften zouden uitkomen, was taboe.
Perverse tolerantie
Laat ik samenvattend vaststellen dat in onze tijd het klassieke concept van tolerantie, zoals dat geformuleerd werd door Coornhert en Stuart Mill, onder vuur ligt van groeiend theocratisch autoritarisme, van identiteitspolitiek die het debat smoort, en van romantisch primitivisme. De gecombineerde effecten van deze ideologieën hebben een perverse vorm van tolerantie gecreëerd die geen respect toont voor het principe van de gelijkheid van individuen. Het aanmoedigen en uitoefenen van fysiek geweld en andere extreme vormen van ongelijkheid worden met de mantel der liefde bedekt. Voorheen betrof dit de culturen van ‘nobele wilden’ hier ver vandaan. In onze tijd vindt fysiek geweld tegen onschuldige en weerloze leden van een groep onder onze eigen ogen plaats. Deze situatie dwingt ons voortdurend bewust te blijven van de ware betekenis van tolerantie en van de manier waarop dit begrip gebruikt én misbruikt wordt.
Deze bewerkte versie van een Engelse lezing van Frits Bolkenstein is vertaald door Ed Croonenberg.
Reactie
Culturele dwalingen
door Paul Cliteur
Frits Bolkestein begint zijn beschouwing over tolerantie met een prachtig verhaal over de handafdrukken van de vrouwen van de Nizam in het Golkonda-fort in Haiderabad die er na de dood van hun echtgenoot vrijwillig voor kozen levend te worden verbrand. Moeten we dit soort ‘vrije keuzes’ accepteren? En zo ja, waarom? Omdat het van ‘tolerantie’ zou getuigen?
Vervolgens neemt Bolkestein ons mee op een tour d’horizon langs niet alleen verschillende interpretaties van het tolerantiebegrip, maar ook de excessen van het multiculturalisme. Daarbij scoort Bolkestein verschillende keren belangrijke punten, maar zijn beschouwing eindigt enigszins onbevredigend. ‘Deze situatie dwingt ons voortdurend bewust te blijven van de ware betekenis van tolerantie en van de manier waarop dat begrip gebruikt én misbruikt wordt.’
Dat is mooi. Maar de lezer blijft ook wat verward achter. Want echt helderheid wat dan die ware betekenis van het tolerantiebegrip zou inhouden, kan men alleen tussen de regels door in Bolkesteins analyse onderkennen.
Volgens mij zit het zo.
Zoals ik voor het eerst in Moderne Papoea’s (2004) en meer uitgewerkt in Dirk Verhofstadt in gesprek met Paul Cliteur (2012) heb uiteengezet, heeft het klassieke tolerantiebegrip betrekking op vrijheid van meningsuiting. Dat wil zeggen: het heeft betrekking op meningsuitingen (geen handelingen) van individuen (niet van groepen). Dit klassieke tolerantiebegrip komt tot uitdrukking in de (overigens apocriefe) uitspraak van Voltaire dat je het in alles met iemand oneens kan zijn maar dat je moet blijven strijden voor het recht van die persoon om zijn mening te uiten.
In de loop van de historische ontwikkeling is dat klassieke tolerantiebegrip geperverteerd in het multiculturalistische tolerantiebegrip. Het multiculturalistische tolerantiebegrip betekent het taboe verklaren van elke kritiek op de cultuur van etnische en religieuze minderheden. Het accent verschuift ook van spreken (meningsuiting) naar handelen. En van het individu naar de groep.
Een groot deel van de voorbeelden van Bolkestein en anderen is daaraan ontleend. Het gaat om verwerpelijke culturele praktijken die door de vingers worden gezien omdat het praktijken van minderheden zijn. Het stenigen van vrouwen en homoseksuelen, het besnijden van meisjes en jongens, het verbranden van weduwen, het uithuwelijken van vrouwen, eerwraak, het onverdoofd laten slachten van dieren door religieuze minderheden, poging tot moord op cartoonisten en het liquideren van filmmakers en cabaretiers. Het zijn allemaal zaken die in abstracto wel door de weldenkende progressieve intellectueel worden afgewezen, maar als die praktijken door religieuze minderheden worden gepraktiseerd, dan blijkt het ineens allemaal heel moeilijk te liggen. Dan vraagt de multiculturalist zich af of die praktijken wel zo veel voorkomen. Bovendien: in het Westen komen toch ook nare dingen voor? Verder: werkt het aandacht geven aan deze zaken geen negatieve beeldvorming rond minderheden in de hand? En: zijn de mensen die dit aan de kaak stellen niet ‘rechts’?
Er blijkt een heel arsenaal aan vluchtwegen te bestaan.
Frits Bolkestein heeft vanaf het begin van de jaren negentig inconsistent multiculturalistisch gekronkel afgewezen. Hij heeft maar twee blinde vlekken: onverdoofd ritueel slachten en jongensbesnijdenis. Dat deze laatste twee praktijken ook in het rijtje culturele dwalingen thuishoren, ziet hij (nog) niet.
Reactie
Begrip en onbegrip
door Piet de Rooy
Historisch gesproken is verdraagzaamheid een ingewikkeld verschijnsel, niet zozeer het resultaat van hoogstaande prediking als wel langzaam gegroeid in de dagelijkse praktijk. De Nederlandse geschiedenis biedt daar een interessant voorbeeld van. Zo stond de Republiek internationaal bekend als een tolerant land. Maar impliceerde dit nu dat de verschillen in geloof van geen belang werden geacht? Allerminst: met het zieleheil viel niet te spotten en dus ook niet te marchanderen. Maar noodgedwongen was er een soort ‘omgangsoecumene’ ontstaan. Tolerantie was niet zozeer het aanvaarden, als wel het gedogen van verschil. Maar daar waren wel grenzen aan gesteld. Het werk van Spinoza, bijvoorbeeld, werd veiligheidshalve pas na zijn dood (1677) uitgegeven en na verschijnen vrijwel meteen verboden. Bij het aanroepen van de Nederlandse ‘traditie’ van tolerantie is dan ook te bedenken dat deze in de praktijk niet zo veel te danken had aan theologische of ideologische argumenten, maar vooral het resultaat was van pragmatische overwegingen. Niet alles viel te vervolgen, want dan was het einde zoek en het leven moest zo goed en zo kwaad als dat ging doorgaan.
Deze praktijk werd ideologisch tot norm verheven in januari 1795, bij het uitvaardigen van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger. Daarin werd vastgelegd dat ‘ieder Mensch het regt heeft, om God zoodanig te dienen, als hy wil, of niet wil, zonder daarin op eenigerlei wyze gedwongen te kunnen worden.’ Vooral de woorden ‘of niet wil’ waren daarin opmerkelijk, al was het maar omdat vrijwel iedereen vond dat godsdienst onmisbaar was in een samenleving. Maar in de loop van de tijd bleek een samenleving baat te hebben bij een zekere achteloosheid over onderlinge verschillen, zo niet onverschilligheid.
De vraag is dan vervolgens of deze overweging ook van toepassing is op een moderne wereld, waar in tegenstelling tot de algemene verwachting in West-Europa het geloof niet vervaagde, maar sinds het laatste kwart van de twintigste eeuw in de rest van de wereld aantoonbaar groeide: religion strikes back. Vriend en vijand hebben de neiging het geloof op essentialistische wijze te beschouwen: alsof er een onveranderlijke leer is en daaruit een eenduidig gebod tot een specifiek gedrag voortvloeit. De gewone werkelijkheid leert al anders. Juist omdat het geloof, en daarmee gelegitimeerd gedrag, veranderlijk is, kan, omgekeerd, niet elk gedrag gereduceerd worden tot een vanzelfsprekend gevolg van dat geloof. Op dat punt zijn de opvattingen van de filosoof Kwame Anthony Appiah interessant, zoals hij die naar voren heeft gebracht in The Honor Code. How Moral Revolutions Happen (2010). De kern daarvan is dat mensen streven naar erkenning, zo niet waardering van hun medemensen. Ze denken die te verwerven door zich te gedragen naar wat zij denken dat hun ‘eer’ gebiedt. Het simpel opleggen van ‘tolerantie’ is in dat licht ontoereikend, gezien de te verwachten reactie: verzet tegen de uncomprehending foreigners. Meer humanitaire opvattingen hebben nog het meest te winnen aan het streven naar een balans tussen begrip en onbegrip. Tolerantie en intolerantie is in dat opzicht geen tegengesteld, maar een complementair begrippenpaar.
Reactie
Angstige wurggreep
door Nausicaa Marbe
Afgelopen juni hield de Britse essayist en journalist Kenan Malik in Vancouver een lezing met de titel ‘What’s Wrong with Multiculturalism?’ Het is fraai hoe deze verrassende denker voortborduurt op Bolkestein, zonder overigens kennis te hebben van diens betoog.
Wie Maliks complexe boeken over multiculturalistische en racistische dogma’s kent, weet dat de simpele vraag uit de titel van zijn lezing allesbehalve eenvoudig beantwoord wordt. Malik is geen conventionele denker die genoegen neemt met het omzichtige integratiediscours in Europa. Evenals Bolkestein hekelt hij het gemakzuchtige politieke multiculturalisme dat individuen in groepen opsluit en ze van per definitie te respecteren groepseigenschappen voorziet. Voor Malik is dit zuiver racisme dat niet alleen de individuele verschillen negeert, maar ook het broodnodige debat over echte diversiteit smoort.
In hun analyse van de absurditeit van deze correctheid die kritiek afwijst of gelijkstelt aan belediging, lopen Malik en Bolkestein in de pas. Maar waar Bolkestein onderzoekt hoe het klassieke tolerantiemodel beschadigd raakte door het multiculturalisme, verdiept Malik zich ook in de afkeer jegens het multiculturalisme. Op dat punt biedt hij een interessante aanvulling op Bolkestein. Die laatste constateert een impasse in het discours over hoe te leven met culturele verschillen. Enkel het vrije debat biedt uitkomst over hoe te handelen van geval tot geval. Maar dat vrije debat wordt getorpedeerd door politiek correcte gêne en afgedwongen respect. Politiek uitgevent sentimentalisme dwarsboomt de logica van het debat. Hoe nu verder?
De Britse denker heeft geen kant en klare uitweg. Maar hij maakt aannemelijk dat de vaak versleten kritiek op het politieke multiculturalisme de discussie ook niet verder brengt. Malik vindt het contraproductief om voortdurend over botsingen der culturen en over rigide identiteiten te praten, vanuit welk standpunt dan ook. In zijn visie is dit een angstige wurggreep op de werkelijkheid door hen die de chaos van diversiteit niet kunnen bevatten en accepteren. Multiculturalisten ontkennen wat ze niet kunnen beheersen. Maar hun rabiate critici zijn vastgeklonken aan dezelfde principes omdat ze zelden verder komen dan de verwerping ervan.
Een boude stelling die zeker meer nuance kan gebruiken. Maar de spiegel die Malik hiermee ook zichzelf voorhoudt, laat zien dat het tijd wordt voor een nieuw paradigma. Het wordt tijd om in het tolerantiedebat onderscheid te maken tussen conflicten die politiek bruikbaar zijn en die sociaal beschadigend zijn. Tegelijkertijd is het zaak niet alle culturele conflicten te politiseren of alle politieke integratieconflicten door culturele prisma’s te halen. In de afronding van zijn betoog ontsnapt Malik er echter niet aan het multiculturalisme er weer flink van langs te geven. Tenslotte: sommige critici ervan maken wellicht denkfouten, maar de multiculturalisten zelf hebben grove politieke fouten gemaakt die de natuurlijke integratie van generaties hebben bemoeilijkt en die sociale verhoudingen op scherp hebben gezet. Het is duidelijk dat Malik nu liever meer energie ziet gaan naar herstel van wat kapot is gemaakt dan naar verkrampte aanvallen. Mij dunkt dat dit verfrissende pragmatisme perfect in het betoog van Frits Bolkestein past.
Op www.kenanmalik.com is onder het blog Pandaemoniumbovengenoemde lezing te vinden.
Reactie
Psychische schade
door Dolph Kohnstamm
Het is moeilijk in het betoog van Bolkestein beweringen te vinden waarmee men het niet eens kan zijn. Ik vond er twee. Eerst over Ayaan Hirsi Ali. Bolkestein stelt dat de mensen uit het ‘anti-Ayaan-comité’ (2005-2006) van de Amsterdamse universiteit haar haten. Hij zegt dat in commissie met Meindert Fennema die niet alleen deze feministische groepering maar ook Geert Mak en Anja Meulenbelt tot de haters van Ayaan rekende. Mij lijken dit te stellige uitspraken over de gevoelens van mensen die zich kritisch over Ayaan hebben uitgelaten. Er is een verschil tussen je ergeren aan mensen en hen haten. Zelfs tussen je groen en geel ergeren en haten is nog een verschil. Tenminste, in het Nederlands. In het Engels heeft to hate minder zwaarte.
Een tweede punt. Ik geloof niet dat grote denkers uit het verleden een adequaat richtsnoer kunnen geven voor het handelen in onze tijd en samenleving, die zo volstrekt anders is dan die waarin zij schreven.
Bolkestein zoekt steun bij Stuart Mill voor de grensafbakening van wat wel of niet aan vrije meningsuiting getolereerd mag worden in een verlichte en vrije samenleving. Als richtsnoer neemt hij van Stuart Mill over: het oproepen tot het mensen fysieke schade toebrengen. Dat mag verboden worden. Dus oproepen tot het wegsnijden van de clitoris bij jonge meisjes mag verboden worden, maar het oproepen tot het dragen van een boerka niet.
Er was in Stuart Mills tijd nog vrijwel geen aandacht voor het mensen psychische schade toebrengen, zoals bijvoorbeeld bij het consequent vernederen en pesten van kinderen. Of, een voorbeeld dat Bolkestein zal aanspreken, ouders oproepen hun kinderen op te voeden zoals Rousseau zijn Emile wilde doen opvoeden. Stel dat aannemelijk gemaakt zou worden dat het onvrijwillig moeten dragen van een boerka blijvende psychische schade nalaat, dan zou een moderne aanpassing van Stuart Mills richtsnoer toch tot een verbod op zulke oproepen moeten leiden?
Overigens kon Stuart Mill niet voorzien dat er een tijd zou komen waarin het reclame maken voor het roken van tabak verboden zou worden. En dat een overheid zich dan op hem zou kunnen beroepen voor een rechtvaardiging van dat verbod op vrije meningsuiting. Zoals men zich voor het toekomstig verbod op reclame maken voor dik makende, zoete frisdranken op zijn On Liberty kan gaan beroepen.




