Veel geprezen, niet gelezen

door

De dag dat bekend werd dat Willem G. van Maanen was overleden en in het nieuws werd gememoreerd hoeveel hij wel niet had geschreven tijdens dat lange leven, bezocht ik een literair knekelveld, een van de grootste in de hoofdstad. De laatste rustplaats van een schrijver is het antiquariaat, de beste manier om te gedenken is hem lezen.

Willem van Maanen (midden) tijdens de uitreiking van de AKO Literatuurprijs 2007. Foto: Rick Nederstigt/ANP

Niet lang daarvoor, bij de dood van Gerrit Komrij, had in dezelfde winkel voor de kassa direct zijn gehele oeuvre gestaan. Zo niet bij Van Maanen. Erger nog: ik bleek de eerste die naar hem vroeg, in jaren. Zijn oeuvre bestaat uit zo’n twintig titels, romans en verhalenbundels. Bij de M vond ik er maar twee, die ik al had. Dat kan betekenen dat literatuurminnaars hun Van Maanens niet snel wegdoen. Maar de antiquaar zei: ‘Dat loopt voor geen meter. Opslag is duur, dus die boeken gooien we weg.’

Van Maanen heeft geregeld verklaard dat hij liever minder welwillend door de literaire kritiek zou worden besproken als hij daar meer lezers voor terugkreeg. Veel geprezen, maar niet gelezen. Maar dat het zo bar zou zijn, nee. Bij leven vrijwel vergeten, de writer’s writer Van Maanen.

Ik kan nu gaan zeggen dat dat onterecht is, dat de mensen beter zouden moeten weten, dat de literatuur meer te bieden heeft dan de simpele lectuur in de boekentoptienen du semaine. Maar als ik kijk naar de erebegraafplaats die mijn bibliotheek zo langzamerhand is geworden, met schrijvers als Willem Brakman, Hella S. Haasse, Gerard Reve, Van Maanen en vooral S. Vestdijk, besef ik: literatuur die inspanning vereist bij het lezen, is de afgelopen twintig jaar weer iets geworden voor enkelingen, the happy few waar de in zijn tijd ook nauwelijks gelezen Stendhal zijn hoop al op stelde.

De klacht dat complexere literatuur in zo’n nivellerend literair klimaat minder snel wordt uitgegeven, zeker in crisistijd, is bekend. Maar wat mij betreft is het zorgwekkender dat – in vergelijking tot E.L. James huisvrouwenpulp Vijftig tinten grijs en Leon de Winters potboiler VSV – onmodieuze, nadrukkelijk literaire dús ‘moeilijke’ schrijvers (als Van Maanen) niet of niet meer gelezen worden. De gevolgen daarvan zie je vooral bij die almaar aanzwellende golf schrijvers van onder de veertig. Dat ze willen schrijven is geweldig, laat duizend bloemen bloeien. Maar schrijven wordt voordien (en tijdens) gevoed door gulzig, obsessief, diepgravend, plunderend lezen. En aan die onophoudelijke inspanning die nu eenmaal hoort bij het complexe genot dat literatuur kan zijn, de inspanning die je een kans geeft authentiek te zijn, je vrijwaart van het naïef kuieren op massaal betreden wegen, gaan de meeste aanstormende schrijvers gemakzuchtig voorbij. Dat leidt in het gros van de gevallen tot eenvormig proza, conventioneel verteld en schraal van inhoud, door ingénues en cabotins die vooral bezig zijn zich naar eerdere schrijvergestalten te modelleren. Niets dan uiterlijkheid. Gelukkig heet niet iedereen Philip Huff of James Worthy, maar bestaat er ook een Peter Buwalda, één. Of een Miquel Bulnes, een Anton Valens – nodige enkelingen.

Immoraliteit
Terug naar Van Maanen. Hij mag dan van tijd tot tijd literair onderscheiden zijn, maar de literatuurgeschiedenis is blind voor hem geweest: hij kreeg niet de plaats die hem toekomt. Even blind als voor de vorig jaar over­leden historicus A. Th. van Deursen, ook zo’n a-modieus talent, gelovig bovendien. Nu hoort zulk onrecht erbij, daar hoef je niet dood voor te zijn, zie de te geringe belangstelling voor de essayist Willem Jan Otten, de romanciers Allard Schrö­der en Pieter Waterdrinker. Maar het bijzondere aan Van Maanen was dat hij zijn tijd vooruit was.

Het verraad van de verzetsgroep waarvan Van Maanen in de oorlog deel uitmaakte, met alle verschrikkelijke gevolgen van dien, bepaalde de grondhouding in zijn proza. Die is er een van diepgeworteld, onuitroeibaar wantrouwen. Thematisch blijkt dat uit het fundamentele wantrouwen tegen dat wat zich als waarheid aandient; het verraad als weerkerend gegeven; het voortdurende onderzoek naar de eigen motieven – of die van de vertellers. Verteltechnisch manifesteerde die grondhouding zich in zijn creatieve proza in de onbetrouwbaarheid van zijn vertellers, de vervlechting van schijn en werkelijkheid, het ter dis­­cussie stellen van de status van het verhaal en het ondermijnen van de vertelstem. Filo­sofisch gezien gaf hij een stem aan de immoraliteit. Uit een van zijn bekendste boeken, zijn tweede roman De onrustzaaier uit 1954, over de opschudding die de komst van een driest op moderniteit gericht hoofd van de openbare school teweegbrengt in een calvinistische provincieplaats, blijkt dat hij niets moest hebben van predikers en drammers – gelovige en ongelovige.

Dat alles maakte van Van Maanen – postmodern voordat die term gemeengoed werd – een uitzondering in het overwegend moralistische literaire klimaat waarin hij schreef. Hij schreef niet om het grote lezerspubliek te behagen. Ga maar na: hij schreef over pedofilie, incest, slachtoffers die daders zijn, het kwaad dat natuurlijkerwijze begaan wordt, omdat mensen mensen zijn – en dat alles zonder geheven vingertje. Zijn stijl is prachtig, beknopt, geacheveerd, maar net als de kronkelige manier van vertellen in zijn latere proza ook niet direct laagdrempelig. Hij schrok niet terug voor een forse alinea, een meanderende zin waar je buiten adem van raakt, en met dialogen was hij karig.

Misschien is De onrustzaaier ook wel zijn bekendste boek, omdat het zijn meest toegankelijke roman is. En omdat het onderwerp – de opruiende ‘meester Chris’ wil de inwoners van dat stadje leren ‘leven’ – paste in de tijd, de jaren vijftig toen de Franse existentialisten fors werden gelezen. Het zou mij ook niet verbazen als die toegankelijkheid, net als bij de vroege romans van Brakman, mede verklaarbaar is door de invloed van de schrijver Vestdijk op Van Maanen. Zeg ik het oneerbiedig, dan is dat boek incluis alle verdiensten: Vestdijk voor kinderen. Dat voortdurende geredetwist, die combattieve botsing van wereldbeelden in scherpzinnige dialogen van een nogal ado­les­­cent-verbeus karakter – dat ademt Vestdijk. Ook het leukste personage, de weifelmoedige, door omstandigheden hypocriete, diep egocentrische en daardoor menselijke, al te menselijke notaris Pilaar (Pilatus) behoort tot de Vestdijk-familie, waarin het wemelt van de ongunstige meneren Visser.

Van Maanen moest later niet zoveel hebben van De onrustzaaier, begrijp ik uit interviews die hij spaarzaam afstond.

Gezien zijn latere werk begrijp ik dat wel. Ook al voldoet De onrustzaaier aan alle Van Maanen-criteria, wordt er slechts gesproken door de personages en problematiseert de verteller Pilaar het vertelde, toch zal deze roman naar zijn idee te openlijk verklarend zijn geweest, te veel op denkbeelden leunend en daarmee te leerstellig. Nee, dan het latere werk. In romans-op-novelleformaat – Van Maanen woog elk woord – als Hebt u mijn pop ook gezien? (1974) en Het nichtje van Mozart (1983) stuwt en regeert de wispelturige menselijke natuur de verhaalgebeurtenissen en de manier waarop wordt verteld, trouw aan het devies dat hij al in De onrustzaaier bij monde van meester Chris formuleerde: ‘Ik beschouw de wereld als mijn geweten, en ik voel mij ongelukkig als ik iets doe wat aan die wereld afbreuk zou doen.’ In de boeken daarna verhief hij het schrijven tot kunst – al zijn dat veel te grote woorden voor de scepticus Van Maanen.

Haperend fysiek
We moeten het doen met wat er is en dat is veel. Het was al twee jaar duidelijk dat Van Maanen klaar was. Zijn laatste boek, de verhalenbundel Bagatellen uit 2010, was op zijn conditie bevochten. Ook inhoudelijk blijkt dat. Van Maanen was niet direct een lachebekje, maar in deze korte verhalen is het een en al vanitas wat de doodsklok slaat. Drie van de vijftien verhalen zijn getiteld ‘Mondschrift’ en daarin verbeeldt Van Maanen de oudere schrijver Stephen Storm die door zijn haperend fysiek gedwongen is met de mond te schrijven. Zijn geliefde verleidt de invalide daar aldus toe: ‘Verbeeld je maar, dom schrij­vertje, dat je mij of wie je ook wilt kust zodra je de pen weer op papier zult zetten.’ In het slotverhaal (‘Mondschrift 3′) blijkt het gedaan met de pret: ‘Om me het spreken mogelijk te maken, had de dokter de stift uit mijn mond genomen en tussen mijn vingers gelegd. Mis­schien leek het hem beter dat ik niet meer zou schrijven. Soms lijkt me dat zelf ook beter, niet omdat ik denk niets meer te zeggen te hebben, maar uit angst om te veel te zeggen, mezelf te verspreken, te verraden. Een schrijver als ik die zich niet bloot wil geven, is de schrijver die zijn mondt houdt. Tijd om te zwijgen.’ De strekking is duidelijk: de schrijver heeft nog wel een stem, maar het karkas kan niet langer als vehikel daarvoor fungeren. Tijd om te zwijgen dus, als resolute slotzin van Bagatellen en van Van Maanens oeuvre.

Gek genoeg is Bagatellen een waardige afsluiting daarvan. De ironisch omfloerste titel spreekt boekdelen: geen zware symfonieën, maar het lichte werk. Dat geldt niet alleen voor het korte verhaal an sich, maar ook voor het ‘kleine’ leed dat Van Maanens personages te dragen hebben. Leed dat hoogstens de kleine berichtjes in de plaatselijke krant haalt. Een man die zijn geliefde viervoeter laat opzetten. Een alzheimerlijder die in het bos op het lijk van zijn buurvrouw stuit, jammer dat hij vergeten is wat hij daarmee te maken heeft. De verboden aantrekkingskracht tussen een broer en zus, die lichamelijk genoten kan worden als opeens blijkt dat ze geen bloedbanden hebben. Klein: jazeker, bijzaken, futiliteiten, akkefietjes, zoals de titel al zegt. Maar voor de personages binnen de spanmuurtjes van hun bestaan ontzagwekkende gebeurtenissen.

Haaks op die door de titel gesuggereerde lichtheid staan de vele poëticaal te lezen uitspraken in Bagatellen – ook dat behoort tot Van Maanens testament. ‘Schrijven is iets anders dan spreken, zeg ik, het moet stil zijn.’ Een afgewezen toneelschrijver weet dat het in een verhaal niet louter om ‘het gegeven’ (de intrige) gaat, maar ook ‘om de vorm, de kwaliteit van de dialogen, de langzaam opgevoerde dramatische spanning, de gevoelens achter de tekst.’ Verderop, een hele mooie: ‘Wat een fantasie, zei ik, wat een verhaal. Dat is hetzelfde, zei Annerine, en allebei is het waar.’ Apo­logetisch aandoende uitspraken, die Van Maanen ook in deze zwanenzang waarmaakt.

Overbodigheden
Zijn laatste boek is paradoxaal genoeg een uitstekende introductie in dit unieke, geheimzinnige, van psychische duisternis en existentiële onzekerheid doordesemde literaire universum. Voor vaste Van Maanen-lezers is het een feest der herkenning. In deze door mij geamputeerde volzin schuilt zijn hele oeuvre: ‘Het goede verveelt eerder dan het kwade, omdat het minder gevarieerd is waarschijnlijk (…).’ Die zin resoneert een beklijvende uitlating in De onrustzaaier: ‘Hij was de gangmaker van veel goeds, maar van veel meer kwaads. Dat is altijd zo, het goede sleept het kwade achter zich aan.’ Toch berust de vitaliteit van dit proza minder op wát dan op hóé Van Maanen schrijft. Daar zit niks demonstratiefs in, onzekerheid is de stuwende leidraad die resulteert in een permanente beweging van geven-en-nemen. Over een nachtjapon wordt gezegd: ‘Die ze met of zonder moeite probeerde open te houden.’ Daarna is er sprake van ‘de vestiging van een klein museum van plaatselijke oudheden met ruimte voor het uitvoeren van al of niet terecht vergeten composities van eigen bodem’. De bovenstaande cursiveringen zijn door mij aangebracht. Door die ‘overbodigheden’ in te lassen, ziet Van Maanen kans om via ironie zijn realisme te ondermijnen, stelligheden te relativeren. Zo blijft alles wat gezegd wordt op losse schroeven, niets kan vormvast stollen. Aldus schept hij de openheid in dit waaier-van-mogelijkheden-proza waardoor al lezend de sensatie postvat dat álles kan. Daardoor blijft Van Maanens soevereine wereld springlevend – voor wie hem ontdekt, wanneer dan ook.

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.