★★★★☆

Vergeten is voor de levenden

door

Humberts gekwelde, intelligente boek over de zoektocht van een man naar zijn vermoorde Joodse grootvader zit vol losse eindjes en ongemakkelijke waarheden.

Illustratie: Siegfried Woldhek

De auteursinformatie in de flaptekst van De oorsprong van geweld is summier: twee zinnen. De eerste luidt: ‘Fabrice Humbert geeft les aan een Frans-Duitse school in Yvelines.’ Zulke informatie over de beroepsachtergrond tref je tegenwoordig alleen nog aan op titels van kwijnende Belgische uitgeverijen. Alsof het schrijverschap niet voldoende emplooi is. Pas na lezing van Humberts roman begrijp je dat die zin het autobiografische gehalte moet benadrukken; ook de hoofdpersoon is leraar op een Frans-Duitse school.

De tweede en laatste zin over Humbert is: ‘De oorsprong van geweld betekende zijn doorbraak bij het grote publiek.’ Tot wie zou die mededeling gericht zijn? Vast op de breindode lezer die (verhoopt) denkt: jemig, een Frans boek, onbekende schrijver, maar ja, 50.000.000 Elvis Fans Can’t Be Wrong.

Ik sta hier bij stil niet om de uitgever te gispen, want ik juich het toe dat een nadrukkelijk literaire roman als De oorsprong van geweld uit een onmodieus taalgebied wordt vertaald. Maar het wanhopige defaitisme dat uit die tweeregelige introductie spreekt, zegt wel iets over de huidige status van de Franse literatuur in Nederland. Die is ooit treffend gekarakteriseerd door de schrijver P.F. Thomése, die bij een bezoek aan het Haarlemse filiaal van De Slegte, met een blik op nieuw binnengekomen stapels Pléiade-banden en beduimelde Livre de poche-uitgaafjes, mompelde: ‘Weer een oude lul dood.’

Boeiend gebrek aan balans
L’Origine de la violence (2009) is de derde roman van Humbert, die vijf boeken op zijn naam heeft staan. Het is geen incident dat ook Hum­bert nazisme, Shoah en de Tweede Wereld­oorlog verwerkte in zijn roman. Yannick Haenel, Jonathan Littell en Laurent Binet doen in hun recente romans hetzelfde. Van de boeken van deze schrijvers vertoont De oorsprong van geweld het meest verwantschap met Binets in Praag gesitueerde roman over de aanslag in 1942 op Reinhard Heydrich, HhhH. Niet zozeer inhoudelijk: de intrige in Humberts roman is grotendeels gewijd aan de zoektocht van de verteller naar zijn in Buchenwald vermoorde Joodse grootvader David Wagner. Hun romans hebben wat anders gemeen: het zelfonderzoek van de verteller (bij Humbert naar zijn eigen gewelddadigheid en motieven); de beschouwende passages waarin geput wordt uit wat eerder (historisch) onderzocht en geschreven is; de reflectie op metaniveau op het schrijven en de rol van de schrijver; de reacties van intimi op het schrijfproject.

Toch verschilt, ondanks die verwantschap, de benaderingswijze. Binet schrijft toegankelijk, zelfs wat gelikt: in de korte hoofdstukjes, voortgestuwd door cliffhangers; in het inzoomen op emotionerende scènes. Binet is – meer dan Humbert die ook het Kwaad in zichzelf zoekt – een moralist die de wereld onbekommerd ethisch benadert. Humbert is duidelijk geporteerd van de duistere denkwereld van Georges Bataille, misschien is dat een oorzaak waarom De oorsprong van geweld beduidend weerbarstiger en minder strategisch verteld is dan Binets compositorisch uitgebalanceerde roman. Losse eindjes tref je niet aan bij Binet, bij Humbert des te meer. Gebrek aan balans kenmerkt zijn roman, die véél aan de orde stelt. Tegelijkertijd is dat boeiend, want door het voortdurend bijstellen van de zoektocht, de uit weidingen, het erbij betrekken van de geschiedenis van kampbeulen die zijdelings betrokken waren bij het lijden van David Wagner in Buchenwald, omcirkelt Humbert zijn onderwerp en volvoert hij de missie die de ik-verteller in het begin van zijn roman gesteld heeft: ‘de bron en de plaats van het Kwaad te lokaliseren’ – ‘de ultieme strijd’. Tegen het slot zegt hij: ‘Voortaan, als iemand “Wagner” intypt, zal hij lezen: “David Wagner, geboren in Parijs op 4 augustus 1915, gedeporteerd naar Buchenwald, gestorven op 21 maart 1942.” (…) Dat is waarom ik schrijf.’

Walküre
Het beste is Humberts mooizeggerij en breedvoerige zwenkingen maar voor lief te nemen, als schrijver is hij tenslotte meer een essayist dan een verteller. Misschien juist door zijn hortende, grillig aandoende vertelstijl kan hij scènes prachtig voor het voetlicht brengen. Wat hij romanesk uitbeeldt is meer dan de moeite waard. Als de verteller met zijn klas Buchen­wald bezoekt, ziet hij een foto waarop achter een beruchte SS’er een gedetineerde zichtbaar is die griezelig op zijn vader lijkt. Hij confronteert de oude met die gelijkenis en dat vormt het begin van de ontrafeling van een familiegeheim. Iets waar werkelijk niemand in zijn notabele familie, de Fabres, op zit te wachten. Dat onderzoek leert hem de succesvolle poging van de charmante social climber David Wagner om zich, via een lelijke huwbare dochter die hij het hof maakt, in te werken in een Normandische bourgeoisfamilie, de Fabres. De verteller ontdekt dat zijn vader Davids onechte zoon is. Op een gegeven ogenblik, voordat de Franse joden massaal gedeporteerd werden, geeft iemand David aan en hij belandt in Buchenwald.

In dat deel van de roman, het meest huiveringwekkende en emotionerende, verlegt de zoektocht zich van het verraad van David naar een reconstructie van zijn kampbestaan en de wijze waarop hij vermoord wordt. In het slotdeel, vele pagina’s verder, wordt nog een onverwacht perspectief ontvouwd, waardoor Davids verhaal en de Fabre-familiegeschiedenis in elkaar haken. Voordien, tussendien en vooral gaandeweg is er nog veel aan de orde gekomen. Buiten de reflecties op metaniveau zijn dat de ingrijpende leservaringen van de ik-persoon als leraar in de banlieue en zijn ontmoeting te Berlijn met de woest aantrekkelijke kleindochter van een ‘goede’ nazi. Dat brengt hem ertoe het onderwijs vaarwel te zeggen en op de Franse ambassade in Berlijn te gaan werken, opdat hij kan hokken met die leuke Walküre.

Leuker dan het slachtoffer
Als ik het zo samenvat, lijken dit bijverhalen bij het verhaal van David Wagner, dat als een stoorzender in de officiële Fabre-familie­geschie­denis fungeert. Maar overtollig zijn die bijverhalen niet. In hogere zin vormen ze een eenheid, doordat ze gelijkenissen bevatten – dat is verteltechnisch Humberts rijgkoord. De latere moordenaar van David vertelt hem in het kamp een verhaal: de ‘Gelijkenis van de Jood’. Dat komt erop neer dat een hongerige rat zich in de schuur van een boerderij een poos tegoed doet, maar toch opeens bezwijkt. Vergiftigde graankorrels nekten hem; de boer had hem allang in de smiezen. Die Gelijkenis is zijn aanklacht en doodvonnis; David leeft met het besef van zijn door zijn moordenaar aangezegde dood. Eenzelfde soort, de intrige dragend verhaal vertelt de ik-persoon over zijn leraarschap in de banlieue. Hij had daar geen oog voor het feit dat twee leerlingen een derde stelselmatig zomaar mishandelden. Sterker nog: die twee vond hij een stuk leuker dan het slachtoffer, die zich door het eenzame besef van zijn vernedering arrogant en ingekeerd gedroeg.

Dat is een ongemakkelijke waarheid, op zijn minst, en niet de enige in Humberts gekwelde, intelligente proza.

Zo brengt grootvader Fabre zijn kleinzoon bij dat het vergeten een positieve kracht is: ‘Vergeten is het beste wat ooit is uitgevonden om met geheimen om te gaan. Met lafheid heeft dat niet te maken, het is enkel de stem van het leven. Luister goed, want ik zal je het echte geheim vertellen: herinneren is voor de doden of de stervenden, vergeten is voor de levenden. Dat geldt voor volkeren en voor individuen.’

Fabrice Humbert. ‘De oorsprong van geweld’, vertaling Marianne Kaas. Atlas Contact, 334p., €21,95.

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.